Ambitieuze bespelers van incourante instrumenten hebben het lastig. De historische sololiteratuur voor tuba, piccolo of basklarinet is beperkt of non-existent. Tenzij je vrede hebt met een orkestbaan of, als blokfluitist, met Bach en Telemann, moet je voor verse noten zelf de boer op. Hedendaagse musici, van blokfluitist Erik Bosgraaf tot piccolospeelster Ilonka Kolthof, doen het met verve. Ze staan hier in een rijke traditie. In Nederland legden de boegbeelden van de nieuwe muziek alsnog de fundamenten voor een canon.

Voor de betreurde basklarinettist Harry Sparnaay (1944-2017) schreven meer dan vijfhonderd componisten nieuwe stukken, en niet de minsten – Iannis Xenakis en Morton Feldman, Gérard Grisey en Helmut Lachenmann, Ton de Leeuw en Tristan Keuris. Zonder troonopvolgers bloedt zo’n operatie dood, maar het instrument heeft in Fie Schouten, ooit leerling van Sparnaay, alweer zo’n krachtige behartiger gevonden. Schouten, bespeler van alle klarinetten en de verwante bassethoorn, was samen met Tobias Klein oprichter van het tweejaarlijkse Basklarinet Festijn. Met de componist Aspasia Nasopoulou bestiert ze de serie Nieuwe Noten Amsterdam in het Pleintheater. En vooral is ze een heel goede muzikant die haar twee nieuwe cd’s – één soloproject, één met zielsverwante partners – zonder moeilijke arrangeerkunstgrepen kan vullen met uitsluitend voor het instrument geschreven noten.

Die zijn van wisselend niveau. Solowerken voor verdrukte eenstemmigen klinken soms ietwat naar obligate bereidwilligheid, een dapper uitgezeten offer voor de goede zaak. Wat moet je? Beetje hummen, rommelen met speciale speeltechnieken uit de gereedschapskist met kwarttonen en multiphonics, beetje recht doen aan de kunde van de speler. Dan wordt het fladderen en freewheelen op vleugels van de virtuoos die dankbaar hart en ziel blaast in het maakwerk. Dat de grote figuren daar dan toch weer boven uitstijgen is misschien juist omdat ze de belemmeringen van het medium benutten voor een creatief gevecht met grenzen.

Op Schoutens solo-cd Monologues 2020, een mix van Schouten-opdrachten en Sparnaay-klassiekers als Isang Yuns Monolog en Ton de Leeuws Mountains, hoor je ze de dialoog met de weerbarstige materie en niet-vanzelfsprekende expressiesferen vanuit de wilde laagte dapper opstuwen naar de wuthering heights van het op mooie weerstanden bevochten lyrische. De beste momenten zijn de knarsende houterigheden van Enno Poppe’s Holz en de oosters reflectieve odyssee van Ton de Leeuw, wiens monumentale Mountains voor basklarinet en tape (1977) meteen muziek is; een groot, boogvormig geven en nemen van een geconcentreerd meditatieve speler en de organisch klinkende elektronica, door Schouten met haast rituele aandacht bevraagd en beantwoord.

Guus Janssen betreedt in ...van horen zingen… (2020) voor bassethoorn op zijn manier ook vreemd territorium. Het klinkt als een ontheemde jazzimprovisatie van een fabeldier in niemandsland, vrij van geest, vrij van bezwarende gedachten.

Op de andere cd Nut, met kamermuziek voor (contra)basklarinet en derden, moet iedereen Tap-Blow-Dance4 voor twee basklarinetten, cello en vibrafoon van de Pools-Nederlandse componiste Hanna Kulenty horen. Met zijn laaglands stuwende, ironische lichtheid is het een bevrijdende ontknoping na de moeilijke schaduwrijken van Griseys tweeluik Anubis, Nout voor contrabasklarinet en de spokende intimiteit van Enrique Raxachs Decade (1992) voor basklarinet en accordeon.

Fie Schouten – Nut (Trytone records)