De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Faciliteur

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: faciliteur. Informele contacten kunnen het verschil maken.

Tegen het eind van de vorige eeuw, toen het geld tegen de plinten klotste, moest alles makkelijker in Nederland. Dat gold ook voor de rol van de overheid. Die moest de burgers als klanten behandelen, leuke dingen mogelijk maken voor de mensen en verder niemand lastigvallen. ‘Faciliteren’ heette dat.

Ook nu is dat modewoordje nog in zwang, maar de betekenis heeft een subtiele verandering ondergaan. Het is nu vooral de overheid die het zichzelf makkelijk maakt, door zich terug te trekken en de uitoefening van publieke functies over te laten aan heel of half gedecentraliseerde, verzelfstandigde en geprivatiseerde instanties. De overheid ‘faciliteert’ hun bezigheden door de juiste condities te scheppen.

Voor de burgers heeft deze omschakeling een tegengesteld effect: het is juist minder gemakkelijk geworden de weg te vinden naar voorzieningen en instanties. Zelf merkte ik dat toen mijn broers en ik thuiszorg moesten regelen voor onze bejaarde moeder. In onze agenda’s groeide een hele pagina telefoonnummers die we daarvoor nodig hadden. We stonden oog in oog met een jungle van fuserende, reorganiserende, opschalende, privatiserende, doorverwijzende, van afkorting veranderende en van adres en loket wisselende instanties.

Uiteindelijk lukte het ons een pad te hakken door de lianen. Mijn hakmes werd daarbij gevormd door de contacten die ik telefonisch opbouwde met de Mariannes, Sacha’s en Linda’s van al die instellingen waarvan ik niet wist wat die afkortingen betekenden, maar wel wat ze ongeveer voor ons konden doen. Ik zorgde ervoor dat ze me onthielden door een beetje persoonlijk te worden, te slijmen en te flirten. Ik kon dat doen doordat ik de daarvoor benodigde toerusting bezat. Ik ben redelijk van de tongriem gesneden, weet me te gedragen, spreek goed Nederlands en kan als het moet assertief zijn zonder onbeschoft te worden.

Ook kan ik desnoods nog wel wat ‘relaties’ inschakelen. Wie vriendjes heeft in het medisch circuit kan vaak ‘meteen terecht’, terwijl anderen sudderen op de wachtlijst of ronddolen in de zorgjungle. De vrouw van een zieke vriend omschreef het zo: ‘Gelukkig hebben we sociaal kapitaal. Blijkbaar rekent de wet op onze vrienden en inventiviteit.’

Iedereen kent zulke gevallen. Iedereen in well to do Nederland, welteverstaan. Anders ligt het voor de sukkels die de weg naar de achterkamertjes niet kennen. De niet-slimmen, de niet-assertieven die níet hun mannetje staan en wél op hun mondje zijn gevallen. Degenen voor wie die hele verzorgingsstaat in eerste instantie bedoeld was. Zij hebben hulp nodig bij hun dwaaltocht door de jungle.

In dat opzicht heeft Nederland iets van een derdewereldland gekregen. Je hebt daar een heel vocabulaire voor de kunst om dingen gedaan te krijgen van ontoegankelijke instanties. Se débrouiller in Franstalig Afrika. Zonder kruiwagen in de vorm van een grand frère kun je het daar wel vergeten. In Afghanistan moet je een fixer hebben en in Turkije een ‘oompje’: een familielid met relaties. Arrangiarsi is de kunst in Italië, dat lukt alleen met hulp van een santo. In Brazilië krijg je niks voor elkaar zonder jeito, wat letterlijk een ‘draai’ betekent. Dá me jeito zeg je tegen de man die iets in de melk te brokken heeft. Geef de zaak een draai voor me. Lukt dat niet, dan zul je een despachante moeten inhuren: een bespoediger, vlottrekker, problemenuitdewereldhelper.

In Suriname heet het ‘regelen’ en Surinamers in Nederland denken soms dat het hier ook zo werkt. Ik krijg wel eens het verzoek om iets voor iemand te regelen. Ik woon hier toch, ik ‘ken toch mensen’? Ik antwoord dan dat het zo niet werkt bij ons. Een beetje trots zeg ik dat.

Zéi ik dat, bedoel ik. Ook in Nederland zijn we nu rijp voor de ritselaar. Laten we hem ‘faciliteur’ noemen. Waar de overheid vooral zichzelf en de instanties faciliteert, heb je faciliteurs nodig om het leven voor de mensen te vergemakkelijken.

De actuele ontwikkelingen maken die nood alleen maar groter. Nu gemeenten maar moeten zien hoe ze binnen een te krap budget voor zorg en scholen en andere instanties op grond van hun ‘output’ worden gefinancierd, lopen nog meer mensen vast in de zorgjungle.

Alleen al de afgelopen week kwamen twee van zulke categorieën in het nieuws. In veel gemeenten is het budget voor jeugdzorg op. Wie zulke zorg nodig heeft, wordt een speelbal van naar elkaar door- en terugverwijzende instanties. En leerlingen met een autistische of andere lichte beperking worden door mbo-scholen geweerd: te duur. Tot wie ze zich moeten wenden, is onduidelijk. Alles hangt af van de vraag of iemand zich opwerpt als faciliteur. Doemt zo iemand niet op, dan kunnen ze het schudden.

Een eeuw lang hebben we gebouwd aan een zorgstelsel dat iedereen gelijke mogelijkheden garandeert. Op papier is dat gelukt, maar in de praktijk hebben we het zo ingewikkeld gemaakt dat informele contacten opnieuw het verschil kunnen maken. Vitamine-R, zoals het heette in grootmoeders tijd, is terug van weggeweest.