Ger Groot

Factotum

Het Spaanse dagblad El País heeft de filosoof Martin Heidegger ooit «het factotum van de twintigste-eeuwse wijsbegeerte» genoemd. Heidegger-haters zal dat als muziek in de oren hebben geklonken, maar ze juichten te vroeg. El País zag in de filosoof helemaal geen manusje-van-alles (op een filosofencongres werd hij ooit voor een verwarmingsmonteur aangezien), maar wist alleen niet dat «factotum» geen deftig woord is voor «onbetwistbare kampioen».

Wat woorden betekenen, hangt niet af van de bedoeling waarmee we ze gebruiken. Daarom zijn snobistische vergissingen zo grappig, maar zijn ze tegelijk niet catastrofaal. We lachen omdat we het ene horen en weten dat het andere is bedoeld.

Hoe vanzelfsprekend dat moge lijken, in de taalfilosofie en de literatuurwetenschap is dat geen populaire visie. Onzekerheid over de bedoeling achter iemands uitingen kunnen we alleen maar wegnemen via andere uitingen, zegt de eerste, en daarbij komen we hetzelfde probleem weer tegen. De bedoeling die een auteur heeft met een literair werk zegt niets over de objectieve betekenis ervan, zegt de tweede, en die betekenis is de enige die ertoe doet.

De filosoof René van Woudenberg trekt zich daar in zijn boekje Filosofie van taal en tekst (Uitg. Damon) niet veel van aan. Auteursintenties zijn te achterhalen én van belang, zegt hij tegen de literatuuropvatting die alleen naar het werk wil kijken. En de betekenis van welgevormde zinnen is over het algemeen goed te omschrijven, hoe hard filosofen uit de school van de deconstructie ook mogen roepen dat iedere uiting een oneindige hoeveelheid betekenissen heeft.

Van Woudenberg beroept zich op de common sense, en dat is in de filosofie nog net iets hachelijker dan daarbuiten, maar het levert wel een helder en provocerend boekje op. Toch wringt er iets in zijn dubbele aanval op de literatuurwetenschappelijke en deconstructivistische orthodoxie. Want wanneer het over hele teksten gaat (romans, gedichten, essays), stelt Woudenberg laconiek vast dat «de» betekenis daarvan inderdaad niet bestaat. De intentie van een auteur kan nooit dezelfde zijn als datgene wat de lezer erin leest, en het effect of de waarde van een tekst is evenzeer van belang als de intentie van de auteur.

Maar als het over losse zinnen gaat, wil Van Woudenberg niets meer van die vrijmoedigheid weten. De betekenis dáárvan is helder en beslisbaar. Dubbelzinnigheden, onvermoede meerduidigheid of zelfs veelzeggende nonsens worden hoogstens nog getolereerd als marginale afwijkingen van de regel. Een zin is voor Van Woudenberg dan ook in principe een welgevormde zin.

Het zou mooi zijn als het zo was, maar helaas houdt de taal zich daar niet aan. Er is geen onzin-zin die niet op enig moment helder kan worden. Van Woudenberg geeft een voorbeeld van zo’n nonsens-bewering: «Vierhoekigheid liep naar Gorcum.» Maar wat als «Vierhoekigheid» de codenaam van een geheim agent was, wiens versnellingsbak het onderweg naar Gorcum heeft begeven? Je kunt het antwoord voorspellen. In het laatste geval wordt «Vierhoekigheid» een naam en dus een ander soort woord dan het abstracte zelfstandige naamwoord dat Van Woudenberg voor ogen heeft. Daar door verandert de logica en de grammatica van de zin zozeer dat hij nu wél klopt.

Wie zo denkt, plaatst de grammatica vóór de taal. Niet de woorden zijn er eerst, maar de regels. Pas daarna klinken de zinnen — die zich welgevormd aan de voorschriften te houden hebben. Maar in de zinnen die mensen daadwerkelijk uit hun mond laten vloeien, is welgevormdheid even marginaal als dubbelzinnigheid of onzin dat in de taalopvatting van Van Woudenberg is. Het taalgebruik is een anarchistische baaierd waarop het scheepje van de grammatica tamelijk reddeloos ronddobbert. Gebruikte taal is nu eenmaal de enige die werkelijk bestaat. Het taalsysteem is met zijn regels en voorschriften een armelijke prediker van normen en waarden in een achterstandsbuurt waar de wet van de straat heerst. De grammatica kan met pappen en nathouden het ergste geweld misschien voorkomen en met spuug en ijzerdraad de taalmachinerie draaiende houden. Maar in plaats van haar wetgeefster te zijn, is ze altijd haar factotum gebleven. De spreek- en zelfs de schrijftaal doet wat ze wil en zij holt daar met haar gereedschapskistje redderend achteraan.