Faculteit der frustraties

Groeiende studentenaantallen, overbelaste docenten en krappe budgetten. Bekende verschijnselen in de universitaire wereld. Maar aan de Amsterdamse politiek-sociale faculteit lopen ze de spuigaten uit. ‘Als ik student was, zou ik hier niet willen studeren.’
‘HET ONDERWIJS is hier volkomen kaalgeplukt’, zegt universitair docent Rene Hulst van de beroemde, na de oorlog door Jan Romein opgerichte politiek-sociale faculteit (PSCW) van de Universiteit van Amsterdam (UvA). ‘We kunnen onze literatuur niet bijhouden omdat de bibliotheek geen geld heeft voor nieuwe boeken. We worden geacht les te geven in personeelsinformatiesystemen, maar kunnen daar niet aan voldoen doordat we de benodigde software niet hebben. Ik heb sinds zes maanden een computer, maar nog steeds geen printer. Mijn collega heeft een kapotte pc. We delen een telefoon, waarmee we niet buiten Amsterdam kunnen bellen. Het is hier allemaal minder dan niks.’

De PSCW-faculteit van de UvA - op haar gebied de grootste van het land - is volgens het personeel jarenlang financieel benadeeld door het universiteitsbestuur. In een rapport dat in het voorjaar aan het College van Bestuur is aangeboden, staat dat de faculteit gedurende acht jaar in totaal 62 miljoen gulden is misgelopen. Volgens de opstellers van het rapport had de faculteit gezien het groeiende aantal ingeschreven studenten recht op dat geld. Door een ondoorzichtig financieringssysteem ontstond vanaf 1988 een situatie die de faculteit louter rampspoed zou hebben gebracht. Personeel raakte overwerkt en het onderwijs werd volgens het rapport ‘uitgebeend’. De onderwijsinspectie houdt de zaak bij, maar is nog niet ingeschakeld. Het College van Bestuur lijkt de kritiek na acht jaar te erkennen. Of de PSCW-faculteit daarmee iets terugziet van de 62 miljoen gulden die ze volgens het rapport de afgelopen jaren heeft moeten missen, is echter nog maar de vraag. En dat terwijl volgens het rapport 'de inspanningen van PSCW de UvA als geheel hebben behoed voor een scherpe daling van haar financiele middelen. De faculteit heeft zelf voornamelijk bittere vruchten geplukt van haar onderwijsprestaties.’
'PSCW is flink gegroeid en daardoor hebben wij de hele UvA voor bezuinigingen behoed’, zegt Hulst. 'We hebben voor de UvA in vijf jaar zestig miljoen gulden verdiend. Wij hadden recht op circa zeventig procent van dat bedrag. We hebben maar tien miljoen gekregen. Van het geld dat we nog missen hadden we in een jaar driehonderd mensen aan het werk kunnen zetten.’
DE GROEI VAN het aantal studenten aan de faculteit was vooral te danken aan de studierichting Communicatiewetenschappen en aan de nieuwe doorstroomstudie Organisatie & Beleid van de vakgroep Sociologie, die in 1988 werd geintroduceerd. Initiatiefnemer van die nieuwe doorstroomstudie voor afgestudeerde HBO'ers was professor Teulings. 'We wilden iets maken wat beter was dan wat al bestond. We hebben ons er met hart en ziel in gestort.’
De initiatiefnemers dachten aanvankelijk dat zich jaarlijks niet meer dan 25 studenten voor de nieuwe studie zouden inschrijven. Teulings: 'In het tweede jaar kregen we er echter bijna driehonderd, in het derde jaar zaten we op zevenhonderd inschrijvingen, en weer een jaar later kwamen daar nog eens vierhonderd studenten bij. Er kwamen schaalproblemen, want er was geen geld om nieuw personeel aan te stellen.’
Het geld- en personeelsgebrek had grote gevolgen. Teulings werkte tot drie, vier uur ’s/nachts om de zaken draaiende te houden. 'Elke docent begeleidde op een gegeven moment tien, twaalf scripties’, vertelt Rene Hulst. 'Er was een wachtlijst voor studenten die een begeleider zochten. Terwijl ze daarop wachtten, liep hun studiefinanciering gewoon door. Daar is veel commotie om geweest. We kregen er zelfs een keer twee ton bij. Maar waarom dat nou allemaal kon gebeuren, werd nooit uitgezocht.’
Zo was er ook achterstand bij het nakijken van tentamens. Hulst: 'Een tentamen nakijken kost bijna een uur. Met driehonderd studenten voor een eerste tentamen en daarna nog twee herkansingen, moet je gemiddeld 450 tentamens nakijken. Dat is tien volle weken! En dan moet je ook nog onderzoek doen, les geven, artikelen schrijven, vergaderen, brieven tikken.’
Inmiddels hadden verschillende medewerkers bij de bedrijfsgeneeskundige dienst over de werkdruk geklaagd. Hulst: 'Alweer van de PSCW? zei de arts dan. Maar dat daar dan iets aan de hand was, begreep hij blijkbaar niet. Hij zei alleen dat het leven uit meer dan werken bestond.’
Professor Teulings ondernam actie: 'Ik zei tegen Gevers (voorzitter van het College van Bestuur - rb) dat ik zou opstappen als er niets gebeurde. In 1991 heb ik het accountantsbureau KPMG erbij gehaald en toen bleek al dat de berekeningen van studielast en dergelijke absoluut niet klopten. Volgens KPMG zou herziening van de gehanteerde basisgegevens in 1992 tot een verhoging van het PSCW-budget moeten leiden. Gevers en mensen van de faculteit gaven mij daarin al gelijk. Alleen, ik kreeg mijn gelijk niet.’
Teulings had ruim dertig man extra personeel nodig, maar mocht er uiteindelijk twaalf binnenhalen. Die moesten van buiten komen, want binnen de universiteit was onvoldoende kwaliteit aanwezig. 'Van die twaalf zijn er twee meteen ingevuld’, zegt Teulings. 'Na twee maanden zouden weer drie personen aan de staf worden toegevoegd, onder wie een hoogleraar. Ik was toen echt uitgeput van het hele gedoe en wilde een half jaar met studieverlof gaan. Ik was nog geen maand weg toen het bericht kwam dat de faculteit op zwart zaad zat en dat al het geld dat we hadden gekregen - een paar miljoen - in de grote put verdween. De drie nieuwe aanstellingen gingen niet door. Er was ineens nergens meer geld voor.’
De faculteit werd onder curatele gesteld. 'Bespottelijk, als je ziet dat juist op dat moment de PSCW het meeste geld opleverde en dat daar het aantal studenten het sterkst groeide’, zegt Hulst. 'Alles was geweldig, maar tegelijkertijd kwam er een brief van het College dat we een miljoen tekort kwamen en dat dat leidde tot onder-curatelestelling. Dat zegt heel veel over de competentie in het Maagdenhuis.’
Om de werkdruk bij Organisatie & Beleid te verlichten werden 'klassieke’ sociologiedocenten ingezet. Teulings: 'De faculteit liet me weten dat ze al jaren met een overschot aan sociologiedocenten zat en dat ze die door onze financiele problemen eindelijk kon oplossen door de overtollige docenten voor de keus te stellen: of bij O&B gaan werken, of vertrekken. “Als we jullie het geld geven waar jullie recht op hebben”, zei de faculteit, “zitten wij met een groot probleem.” ’
Toen Teulings weer aan de slag ging, waren allerlei beslissingen teruggedraaid. Ineens werd ook de inhoud van het onderwijs versociologiseerd. Teulings: 'Organisatie & Beleid was mijn love baby. Maar alle inspanningen die wij hadden geleverd waren voor niks. Dan moet je veel dingen doen terwijl je lust weg is. En dan merk je ook hoe groot de weerstand bij allerlei mensen is geweest. Dat je niet meer wordt gegroet op de gang.’
DE AMBITIE een kwalitatief hoogwaardige opleiding van de grond te trekken verdween ondanks het feit dat mensen als collegevoorzitter Gevers en de financieel verantwoordelijke man Noorda buitengewoon positief over de nieuwe opleiding waren. Zij waren voorstanders van de vorming van de nieuwe doorstroomstudies. Ook daarom is het vreemd dat vijf jaar geleden het KPMG-rapport in een diepe la verdween.
'Dat zit hem in de bureaucratie op het Maagdenhuis’, zegt Teulings onder verwijzing naar ene Van Rhee, de ambtenaar die op het universitair hoofdkantoor de UvA- financien beheert. 'Hij had een systeem ontwikkeld dat voor niemand inzichtelijk was. Af en toe gaf hij eens een paar ton weg. Niet dat je daar recht op had, dat was uit een soort genade. Als hij twee ton vrijgaf, veranderde hij ergens een komma in een van de driehonderd formules die op het geheel werden losgelaten en dan was het weer goed. Een van de KPMG-onderzoekers die het rapport over O&B heeft opgesteld, had eerder universitaire begrotingen onderzocht, maar die had van zijn leven nog nooit zoiets gezien. Die zei: het deugt absoluut van geen kanten. De universiteit heeft er belang bij dat zo'n rekensysteem niet doorzichtig is.’
'Vorig jaar was ik bij Noorda op audientie’, vertelt Rene Hulst. 'Hij zei: “We hebben een systeem dat bij elke faculteit op dezelfde manier wordt toegepast. Jullie hebben daar misschien wat nadeel van, maar dan heb je pech gehad.” Maar dat systeem is voortdurend bijgesteld en veranderd. Altijd in het nadeel van de PSCW. Er was helemaal niet een systeem. Of Noorda sprak toen de waarheid niet, of hij wist niet wat er allemaal precies gebeurde. Dat laatste lijkt me heel waarschijnlijk. Gevers grijpt nu ook in, terwijl Noorda degene is die met deze zaak iets zou moeten doen. Voor deze kwestie lijkt Noorda op een zijspoor gezet.’
Van Rhee ontkent dat hij de enige zou zijn die iets van de financiering van de universiteit begrijpt. 'Dat is een misvatting’, is zijn enige commentaar.
Volgens Teulings is er niet alleen iets mis met het financieringssysteem, maar heeft de universiteit wat de doorstroomstudies betreft bedrijfskundige basisregels genegeerd. 'In elke organisatie zijn mensen die nieuwe ontwikkelingen voorstaan’, analyseert Teulings. 'Als je denkt dat die ideeen realistisch zijn, moet je daar geld en tijd voor vrijmaken, een afzonderlijke bedrijfsunit maken die niet wordt belast door wat verder in zo'n organisatie gebeurt. Zo doe je dat ook met delen in een organisatie die niet goed draaien. Die stukken moet je afschermen van het gezonde deel van de organisatie. Dat zijn basisbeginselen. Nu zijn bij sociologie de problematische delen geintegreerd in de nieuwe initiatieven. Dat is het slechtste wat je kunt doen.’
VOLGENS HULST is de kwaliteit van de begeleiding van studenten inmiddels minder dan behoorlijk. 'We werken met elkaar anderhalf keer meer dan de bedoeling is, maar we hebben enorm ingeteerd op vakkennis en niveau. Het geven van onderwijs kost zo veel tijd dat je aan onderzoek niet of nauwelijks toekomt. Als ik student was, zou ik me afvragen of ik hier nog wel wilde studeren.’
Volgens universitair hoofddocent Meindert Fennema is een volkomen gebrek aan financieel-economische competentie binnen de universiteit de reden dat de huidige situatie zo lang voortduurt. 'Niemand kan de rekeningen controleren’, zegt Fennema. 'Het is zo ingewikkeld. En er is ook niemand die daar in heeft willen duiken. Je krijgt toch alleen maar stront over je heen. Toen het College van Bestuur hoorde dat iemand van de universiteitsraad met de accountant van de universiteit had gesproken, ontploften ze bijna. Zo bang zijn ze voor bemoeienis van buitenaf.’
Het bestuur van de faculteit overweegt nu de Onderwijsinspectie in te schakelen en heeft daar inmiddels ook een orienterend gesprek mee gevoerd. Onderwijsinspecteur Kalkwijk: 'Wij voeren pas onderzoek uit als de faculteit officieel zegt dat ze dat nodig acht omdat men niet in staat is de kwaliteit van het onderwijs te garanderen. Voorlopig volgen wij de kwestie op afstand.’ Kalkwijk deed eerder onderzoek bij de economische faculteit van de UvA. In een brief aan het College van Bestuur van 5 januari 1990 adviseerde de Onderwijsinspectie destijds het financiele verdeelmodel te herzien en te vereenvoudigen. 'De situatie daar leek sprekend op die bij de PSCW nu’, zegt Kalkwijk. 'Er zitten veel overeenkomsten in het probleem.’
JAN KAREL GEVERS, voorzitter van het College van Bestuur, is niet onder de indruk van het feit dat de Onderwijsinspectie zich ermee dreigt te gaan bemoeien: 'De inspectie moet vooral doen wat ze niet laten kan, want de uitslag staat bij voorbaat vast. Bij het toepassen van het model heeft de faculteit gewoon soms pech gehad, namelijk als ze een instroom had die niet gehonoreerd werd in het model. Bij zo'n model is er altijd een die relatief benadeeld wordt. Dat ontken ik niet. Waar ik het niet mee eens ben, is dat PSCW bewust benadeeld werd. We hebben het model correct toegepast en dan kunnen er rare dingen gebeuren.’
In een eerder overleg met het faculteitsbestuur had Gevers echter gezegd: 'Stel dat jullie gelijk hebben, en ik sluit dat niet uit, wat willen jullie dan?’ Daarop schreef het faculteitsbestuur een op de toekomst gerichte Nota van inzet die kort geleden met het College van Bestuur is besproken. 'Over de Nota van inzet hebben wij gezegd: zo moeten we het doen’, zegt Gevers nu. 'Er is nog geen akkoord over, maar we hebben daar wel positief op gereageerd. Het zijn positieve plannen.’
Philip van Praag jr, penningmeester van het faculteitsbestuur, bevestigt Gevers’ enthousiasme. 'Het levert alleen geen cent op’, zegt hij. 'Onze Nota van inzet kan eventueel integraal worden uitgevoerd, maar dat is dan pas in 1998. Er kan nog van alles tussenkomen. Als we nog twee jaar op dat geld moeten wachten, betekent dat nog langer veel slechter onderwijs dan gewenst is.’
Volgens Hulst moet de faculteit nog flink zijn best doen de 62 miljoen te krijgen waar ze recht op zegt te hebben. Om daar druk achter te zetten is het comite De Onderste Steen opgericht. 'Want dat geld is er’, zegt Hulst. 'De universitaire reserves bedragen zo'n zeventig miljoen gulden. We vragen dat geld bovendien niet in een keer terug. Daar mogen ze best zes of zeven jaar over doen.’