De ondergang van aluminiumsmelter Aldel

Failliet door Duitse wind

Als de zon schijnt of de wind flink waait, duiken de Duitse stroomprijzen meteen omlaag. De Nederlandse industrie blijft echter het volle pond betalen – met dank aan de eigen kolenlobby. Het Groningse aluminiumbedrijf Aldel is het eerste slachtoffer.

Medium hh 20707265

Het faillissement van Aldel is de afgelopen weken in overzichtelijke schema’s geïnterpreteerd. ‘Bedankt minister Kamp voor het niet openhouden van de aluminiumfabriek in Delfzijl’, schreef een bewoner uit Middelstum begin januari in de Volkskrant. ‘Want nu is het in elk geval helder. Het Noorden van Groningen interesseert u niks.’ Wie vond dat de EZ-minister wel voldoende zijn best had gedaan, wees naar de eigenaar van de fabriek: de durfinvesteerder Gary Klesch. Stond die niet bekend als aasgier met een spoor van vernieling achter zich? Klesch gaf op zijn beurt de astronomische stroomprijs de schuld die alle industrie in Nederland nog eens te gronde zou richten. Het verhaal had alles; volkswoede, slachtoffers en vooral: schuldigen.

De belangrijkste verklaring voor het faillissement van Aldel is echter tot nog toe onbesproken gebleven: de politieke keus voor grootschalige duurzame energie in combinatie met bescherming van de industrie. Het is een keus die Duitsland wel maakte en Nederland niet.

Aldel werd in 1966 geopend, drie jaar nadat we aardgas begonnen te winnen bij Slochteren in Groningen. Een deel van dit gas werd tegen een sterk gereduceerd tarief aangeboden aan nieuwe energie-intensieve industrie, die voor werkgelegenheid in het noorden moest zorgen. Die gebruikte het gas om goedkope stroom te produceren en de aluminiumproductie, waar veertig procent van de kosten in energie zit, floreerde. Eind jaren negentig maakte deze vorm van staatssteun plaats voor een andere: Aldel kreeg geen goedkoop gas meer, maar een speciaal stroomcontract met de Nederlandse energiebedrijven die toen nog in staatshanden waren. Onder toeziend oog van toenmalig EZ-minister Hans Wijers werd in 1996 een tienjarig contract gesloten. Het moest de laatste keer zijn dat de staat de aluminiumsmelter zou steunen: men voorzag faillissement in 2006, als Aldel zijn stroom moest gaan inkopen op de geliberaliseerde energiemarkt. Overheid en bedrijfsleven sloten een convenant om te investeren in vervangende werkgelegenheid in de regio.

Maar tussen 2003 en 2005 trok de markt voor aluminium tijdelijk aan en bleken de investeringen die moederbedrijf Corus had gedaan in meer efficiënte machines zich terug te verdienen. De fabriek bleef open. Achteraf is duidelijk dat het aflopen van het speciale stroomcontract in 2006 het begin van het einde betekende. Sindsdien maakte het bedrijf alleen nog maar verlies, tot en met 2012 bijna 120 miljoen euro. In 2009 nam Gary Klesch de zaak over, een investeerder die pas instapt als alle anderen er geen brood meer in zien. (Een van zijn uitspraken: ‘A problem is just an opportunity spelt differently.’) Hij leende het bedrijf twintig miljoen euro. Een rechtszaak aangespannen tegen netbeheerder TenneT leverde Aldel in 2012-13 een meevaller op van 24 miljoen euro. In oktober 2013, toen het bijna mis ging, volgde nog een noodkrediet van zeven miljoen euro van de provincie. Het bleek allemaal onvoldoende: eind december, toen een laatste reddingspoging vastliep en de achterstand op de stroomrekening in de miljoenen liep, restte geen andere optie dan het faillissement. De curator heeft begin dit jaar 280 mensen ontslagen; in de aanleverende industrie gaan nog ongeveer driehonderd banen verloren. Of een doorstart met nieuwe overheidssteun succesvol kan zijn, is op het moment van schrijven nog niet duidelijk.

In de afgelopen tien jaar zijn tien andere Europese aluminiumfabrieken Aldel voorgegaan, onder meer in Engeland, Italië en Polen. Allemaal waren zij de dupe van een majeure verschuiving op de wereldmarkt. Japan, West-Europa en Noord-Amerika produceerden in 2000 nog veertig procent van alle aluminium. In 2010 was dat aandeel teruggelopen naar twintig procent. Het verschil werd geabsorbeerd door de opkomende economieën van Brazilië, Rusland, India en China, waar energie veel goedkoper is, waar de nodige grondstoffen beter voorradig zijn, en waar de economieën harder groeien. Enorme overschotten van aluminium op de wereldmarkt en toenemende prijsschommelingen deden de rest. In Europa ging dit proces gepaard met consolidatie van aluminiumproductie in Duitsland, Frankrijk en Spanje, en krimp in bijna alle andere landen. Zelfs Klesch is de aluminium-business aan het verlaten: Aldel was zijn laatste smelterij.

Het is een standaardreactie om nationale overheden de schuld te geven bij faillissementen in de maakindustrie. Maar in dit geval is het terecht om te concluderen dat individuele Europese lidstaten niet kunnen opboksen tegen mondiale verschuivingen. Voor een concurrerende industrie hebben de lidstaten, zeker de kleintjes, elkaar nodig. Meer specifiek: ze hebben één Europese energiemarkt nodig.

Een bedrijf als Aldel, dat produceert voor prijzen die op de wereldmarkt worden bepaald, heeft vele concurrenten. Maar niet alle concurrenten zijn gelijk. In de praktijk concurreren aluminiumproducten niet alleen op mondiaal niveau met elkaar, maar ook regionaal: voor specifieke producten op regionale markten. Aldel leverde vooral aan walserijen in België en Duitsland en extrusiebedrijven in Zweden, Duitsland en Noorwegen. (Zij verwerken vervolgens het aluminium voor producenten in onder meer de auto-industrie en de vliegtuigbouw.) In Noord-West-Europa waren Duitse smelters de belangrijkste concurrenten van Aldel. En juist zij hebben een markant voordeel op het gebied van energie: goedkopere stroom.

Op de groothandelsmarkt voor stroom betaalde de Nederlandse energie-intensieve industrie vorig jaar drie tot twaalf procent meer voor stroom dan de Duitse concurrentie. Ook in jaren dat de kale stroomprijs in Nederland lager dan of gelijk was aan die in Duitsland – in 2010-2012 – betaalde de Nederlandse industrie meer voor de energierekening. Duitsland voert namelijk al jaren een duidelijke industriepolitiek. Zo zijn vanaf 2011 Duitse industriële grootverbruikers vrijgesteld van de transportkosten voor elektriciteit. Hun Nederlandse evenknieën moesten de transportkosten wél gewoon betalen.

Voor een concurrerende industrie hebben de lidstaten elkaar nodig. Ze hebben één Europese energiemarkt nodig

Valse concurrentie van de Duitsers, concludeerde de Nederlandse overheid. In 2012 vroeg EZ-minister Verhagen in Europa om een onderzoek. Pardoes stelden de Duitsers hun korting wat bij – van honderd naar negentig procent – en ondanks afkeurende blikken uit Brussel bleef deze bestaan. Jarenlang klaagde de Nederlandse industrie hierover in Den Haag. Eind vorig jaar zag EZ-minister Kamp zich genoodzaakt de korting zelf ook door te voeren. In een recordtempo vloog de wet door het parlement. Bovendien regelde Kamp eerder in 2013 extra compensatie voor indirecte kosten van het Europese emissiehandelssysteem voor CO2. Hiermee heeft Nederland alle grote kortingen van de Duitsers gekopieerd, en daarmee ‘het speelveld rechtgetrokken’. Voor Aldel zouden de maatregelen samen ongeveer tien miljoen euro per jaar opleveren.

Maar de last minute-pleisters van Kamp kunnen een veel fundamenteler probleem niet oplossen, namelijk het probleem van totaal verschillende energiemarkten. De Duitsers halen hun stroom van oudsher uit bruinkool en kernenergie, terwijl wij vooral gas gebruiken, en hoewel dat beter is voor het klimaat is het ook veel duurder. Sinds de eeuwwisseling hebben de Duitsers bovendien vol ingezet op duurzame energie. In 2013 was bijna een kwart van de Duitse stroom groen; ruim de helft van die duurzame energie kwam van windmolens en zonnepanelen. Nederland bleef steken op tien procent groene stroom, en wij haalden dat voor meer dan de helft uit (kostbare) biomassa.

De grap is als volgt: wind en zon zijn gratis. Als het in Duitsland hard waait of de zon flink schijnt, duiken de stroomprijzen omlaag. Sinds 2010 ging de kale stroomprijs in Duitsland ruim twintig procent naar beneden. Belangrijkste oorzaak: recordhoeveelheden wind en zon. Voor 2014 wordt een nieuwe daling van zes procent verwacht. Juist de Duitse industrie profiteert. Opnieuw heeft de Duitse overheid een keuze gemaakt in het voordeel van de energie-intensieve industrie: de installatie van de windmolens en de zonnepanelen wordt betaald met een heffing op alle stroomrekeningen, behalve die van de industriële grootverbruikers. Stroomslurpers die nu op de groothandelsmarkt stroom inkopen voor het komende jaar betalen in Duitsland 36 euro per MWh en in Nederland 49 euro. De opkomst van duurzame energie in Duitsland is dé reden dat het voor bedrijven als Aldel de afgelopen jaren steeds moeilijker werd om te concurreren met Duitse industrie. Ze werden van de markt geblazen door Duitse wind.

Dit probleem zou niet bestaan als er één Europese energiemarkt was. Wij zouden profiteren van de groene Duitsers. Aldel-eigenaar Gary Klesch gokte daar ook op toen hij de fabriek overnam. Hij claimt dat hij het bedrijf winstgevend had kunnen maken als hij voor Duitse prijzen kon produceren. Die situatie raakte het afgelopen jaar steeds verder uit zicht. Tussen 2009 en 2012 kropen de stroomprijzen in Nederland en Duitsland steeds verder naar elkaar toe, maar sinds maart 2012 neemt het prijsverschil juist weer toe. Dat komt door onvolkomenheden in de ‘marktkoppeling’ tussen beide landen, in combinatie met het snel groeiende aandeel duurzame energie in Duitsland. Dit jaar zal het prijsverschil nog verder oplopen.

Ironisch genoeg zette een omvangrijke lobby van Nederlandse grootverbruikers zich in 2005 in voor nieuwe kolencentrales, niet voor de windmolens die de Duitse industrie nu zo van pas komen. Gevolg van deze lobby: maar liefst drie grote nieuwe kolencentrales, enorme overcapaciteit op de Nederlandse stroommarkt en een sterk verslechterd investeringsklimaat voor duurzame energie. Zo bezien zit de Nederlandse industrie dus ook op de blaren van de eigen kolenlobby. Door de overcapaciteit is het veel duurder geworden om nu alsnog eenzelfde aandeel aan duurzame energie te behalen als de Duitsers.

Henk Kamp weet dat het ontbreken van een Europese markt een probleem is. In de Kamer zei hij onlangs nog dat hij met zijn Duitse ambtgenoten echt bezig is om ‘de markten dichter op elkaar te plakken’. Maar dat is een kwestie van lange adem. In de tussentijd grijpt hij, op verzoek van de industrie, naar noodmaatregelen. Helaas wordt met dat soort ingrepen – korting hier, uitzondering daar – de Europese eenwording alleen maar verder uitgehold.

Karsten Pronk, directeur van het failliete Aldel, is dan ook kritisch over het optreden van Kamp. ‘Deze minister heeft op een aantal belangrijke punten voortgang gemaakt, vooral wat betreft de aanpassing van de transportkosten voor de industrie in Nederland. Maar dat blijft symptoombestrijding zolang het basisprobleem van de energieprijzen niet is opgelost.’ In de Volkskrant noemde Klesch de pogingen om één Europese energieprijs te krijgen ‘mislukt’. Klesch: ‘Die conclusie heb ik met heel wat Europese ministers van Economische Zaken besproken. Guys: you failed, miserably.’


Onderzoeksgroep Energie & Klimaat

beeld: Kees van de Veen / HH