Ger Groot

Fait divers

‘Een steen door het venster van een wagon heeft in de trein Bayonne-Toulouse een reiziger een oog gekost. De trein is gestopt. Niemand gevonden.’ Gemengde berichten van dit type vind je in de kwaliteitspers nauwelijks meer. De redacteuren ervan zijn al lang geleden met pensioen gestuurd, nadat de Volkskrant er in de late jaren zestig nog korte tijd de rubriek Op de korte golf mee had gevuld. Afgewisseld met steeds meer fantastische onzin hadden ook de echte faits divers daarin een steeds hilarischer karakter gekregen.

Toch belichaamden ze vaak ware drama’s voor wie het betrof. ‘Na het blussen van de slagerij Deschamps in Limoges werd vastgesteld dat de slagersvrouw levend was verbrand.’ Onwillekeurig stel je je de paniek van de arme slagersvrouw voor, en de verslagenheid van de nauwelijks minder beklagenswaardige beenhouwer, beroofd van huis, haard en huwelijk. Stel je je de werkelijkheid achter ieder gemend bericht voor, en je hebt geen leven meer. Misschien was het de stiekeme wreedheid van het genre die het uiteindelijk uit de serieuzere kolommen verbannen heeft. Want het kennisnemen van het kleine wereldleed verried in de krantenlezer wel degelijk een wat smoezelige sensatiezucht. Niet alleen de opluchting dat hem het ongeluk was voorbijgegaan wakkerde die aan, maar ook een gniffelend soort voyeurisme dat in andermans ongeluk heimelijk behagen schept.

Daarom komen we het fait divers alleen nog tegen als exemplificatie van een misstand. Van huislijk geweld en breezerseks tot frauderende werknemers en ondeugdelijke spoorrails keert het gemengde bericht terug in zodanig uitvergrote vorm dat de lezer het gniffelen rap vergaat. Hier heeft het leven niet een nare streek met deze of gene uitgehaald, maar staat de integriteit van de samenleving zelf op het spel. Het fait divers verschijnt alleen nog in de krant om stof te bieden aan haastig ingediende kamervragen.

Félix Fénéon trok zich van die gewetensvolheid weinig aan. Hij hoefde dat ook niet, levend en schrijvend in een minder weekhartige tijd dan de onze. In het begin van de twintigste eeuw mocht hij voor het dagblad Le Matin de gemengde berichten schrijven. Hij maakte er, als oud-hoofdredacteur van de symbolistische Revue Blanche en invloedrijk kunstcriticus, een nieuw literair genre van. Nouvelles en trois lignes noemde hij ze: nieuws in drie regels dat, dankzij de dubbele betekenis van nouvelles, ook ‘drieregelige novellen’ kan betekenen.

‘Dhr. Colombe uit Rouen heeft zich gisteren met een kogel van het leven beroofd. Zijn vrouw had er in maart drie op hem afgevuurd en hun scheiding was aanstaande (Per tel.)’ In de drie krantenregels die hem ter beschikking stonden riep Fénéon een wereld op die méér woorden niet nodig had. Zijn berichten waren de dramatische tegenhangers van de wijsheden waarin de Franse moralisten vóór en Emil Cioran na hem wedijverden in aforistische beknoptheid. Een enkele keer waagt die laatste zich aan diens journalistieke anekdotiek: ‘Iedere mensenhater (…) doet denken aan die (…) vergeten dichter die (…) had afgekondigd dat hij niemand meer wilde ontvangen. Uit medelijden belde zijn vrouw van tijd tot tijd aan de deur.’

Wrang zijn Fénéons berichten vooral wanneer tussen het levensleed ook het kolderieke binnensluipt. ‘Zwaar beladen met brons- en vaatwerk, linnengoed en tapijten zijn vannacht in Bry-sur-Marne twee inbrekers gearresteerd.’ Of iets grimmiger: ‘Bij het biljarten heeft dhr. Abel Bonnard uit Villeneuve-Saint-Georges zijn linkeroog verloren toen hij in zijn queue viel.’ Iedere dagelijkse verschrikking wordt door Fénéons stilistische brille van haar zwaarte verlost. In zijn journalistieke Mengelwerk kreeg het drama op de vierkante centimeter de lichtheid die hem als dandy uit het fin de siècle zo dierbaar geweest moet zijn.

Pas na zijn dood in 1944 werden Fénéons Nouvelles en trois lignes van de vergetelheid gered door zijn bewonderaar Jean Paulhan, die ze vier jaar later bijeenbracht in een uitgave van diens Oeuvres. Ook die bleek bij nader inzien gekenmerkt door een wel erg grote beknoptheid. In 1970 volgde er een uitgebreide editie: Oeuvres plus que complètes, die zo volledig niet kon zijn of er verscheen in 2003 een Petit supplément op, drie jaar later gevolgd door een Petit supplément deel 2.

Inmiddels is Fénéons microstilistiek ook tot de Engelstalige wereld doorgedrongen. Vertaald onder de titel Novels in Three Lines (uitg. The New York Review of Books) zag het boek zijn genre-ambiguïteit resoluut gladgestreken ten gunste van de literatuur. Voor de journalistiek is Fénéons realisme inmiddels te bizar. De werkelijkheid tart de verbeelding en wordt bijna vanzelf een drieregelroman. ‘Nauwelijks getrouwd, was het echtpaar Boulch uit Lambézellec (Finistère) al zo dronken dat het moest worden opgesloten in de nor.’