Fake art

Een paar jaar geleden verkocht de Britse provocateur-kunstenaar Richard Prince een werk aan Ivanka Trump. Het maakte deel uit van zijn serie New Portraits, waarvoor hij screenshots maakte van Instagram-posts inclusief commentaren en die printte op doek. Een klassiek staaltje toe-eigeningskunst, dat hem naast veel publiciteit ook gedoe met copyright opleverde – en op die manier uiteraard nog meer publiciteit. (Wie is de kunstenaar van een doek dat een reproductie toont van een foto van een beroemde fotograaf, door een argeloze Instagram-gebruiker zonder copyrightvermelding gepost op zijn account?)

Prince werd benaderd door een kunstbemiddelaar die hem vroeg ook zo’n portret van Ivanka te maken. Aan opdrachten deed hij niet, antwoordde Prince, al vond hij even later een foto op haar Instagram-account die hem beviel. Het is een selfie van Ivanka, zittend voor een spiegel, gehuld in een witte badjas en met twee kolossale krulspelden in het haar. Ze wordt geflankeerd door een kapper en een visagist. In de reproductie van Prince heeft de foto 5106 hartjes. ‘Just FAB!’ staat er onder de foto te lezen, begeleid door een trits emoticons. Ivanka betaalde Prince 36.000 dollar voor het werk, hing het op in haar huis, poseerde voor het doek en postte – om het Droste-effect compleet te maken – de foto op Instagram.

Vorige week maakte Prince bekend dat hij het gehele aankoopbedrag had teruggestort op de rekening van de bemiddelaar. ‘This is not my work’, twitterde hij. ‘I did not make it. I deny. I denounce. This fake art.’ Een kunstenaar wiens werk altijd draait om appropriatie en de notie van (in)authenticiteit, een kunstenaar die constant is verwikkeld in rechtszaken over plagiaat, moet zich op z’n minst bewust zijn van de dubbelzinnigheid van zo’n statement.

Zelf noemde hij het een oprecht protest, een manier om te bepalen wat goed en fout is. Conclusie: ‘What’s right is art, and what’s wrong is not art. I decided the Trumps are not art.’

Je hoeft geen gedetailleerde kennis van de kunstmarkt te hebben om te begrijpen dat een dergelijk protest de waarde van het kunstwerk waarschijnlijk bepaald niet zal doen kelderen. Integendeel: door zijn kunstwerk te herroepen, maakte Prince het politiek en bij voorbaat al historisch – en dus waardevoller dan het was.

Warhols doeken kwamen nooit in Trump Tower te hangen

Zijn actie zal Ivanka, een fervent verzamelaar van moderne en hedendaagse kunst, ongetwijfeld hebben gekwetst (misschien heeft ze het doek inmiddels in haar open haard gegooid, al lijkt haar temperament me iets minder oudtestamentisch van aard dan dat van haar vader). Wat Prince haar mededeelt is dat ze fout is, en dat foute mensen geen recht hebben op kunst.

Zijn statement werd van alle kanten toegejuicht, vanuit het idee dat iedere kans om althans voor de tijdspanne van een tweet onder Trumps huid te kruipen met beide handen moet worden aangegrepen.

Het moet Prince een smerig gevoel hebben bezorgd dat hij zich liet verleiden een portret van Ivanka Trump te maken, dat aan haar verkocht, en zij – surprise! – twee jaar later de dochter bleek van een autocraat die Amerika een paar eeuwen terug de tijd in wil slingeren.

Zelf behoort Prince tot de rijkste levende kunstenaars ter wereld, met een geschat vermogen van rond de dertig miljoen. Lang voordat hij zijn doek verkocht aan Ivanka Trump werd zijn kunst al beschouwd als een betrouwbare investering voor oligarchen, vastgoedmagnaten en Beyoncé. Voorzover zijn kunst – in de traditie van Warhol, Koons, Hirst – te lezen is als een commentaar op de uitwassen van het kapitalisme is het een commentaar dat met datzelfde kapitalisme een wel erg innig huwelijk is aangegaan.

Lang voordat Donald Trump president van de Verenigde Staten werd, bezocht hij in 1981 Andy Warhols Factory. Hij was Trump Tower aan het bouwen en vroeg Warhol om prints van de toren voor in de lobby. Warhol ging aan de slag en maakte een serie afbeeldingen in zwart, grijs en zilver. Toen hij ze aan Trump toonde, schoof die zijn teleurstelling niet onder stoelen of banken. Bij Warhol had hij gedacht aan felle kleuren, en dit waren geen felle kleuren. ‘I think Trump’s sort of cheap’, noteerde Warhol die avond in zijn dagboek. Zijn doeken kwamen nooit in Trump Tower te hangen. Wel citeerde Trump Warhol tot twee keer toe in zijn boeken over zakendoen. Diens ‘making money is art and working is art and good business is the best art’ was natuurlijk spek voor Trumps bek, die het citaat gebruikte om zijn eigen vak tot kunst te verheffen en armoedige kunstenaars te verwijten dat hun kunst simpelweg niet ‘zakelijk’ genoeg was.

Lang voordat Trump het tijdperk van de post-truth in de politiek aankondigde, behoorde het de kunsten toe. Misschien hebben de twee wel meer met elkaar te maken dan een kunstminnend en Trump minachtend publiek bereid is toe te geven. Zoals kunstcriticus van The Guardian Jonathan Jones zich al afvroeg: ‘If art can be a mirror game of appropriation, irony and inauthenticity, why can’t politics be a cynical pop art performance?’