POPMUZIEK

Familieband

Kitty, Daisy & Lewis

Muziek makende families. Vaak krijg je er een ongemakkelijk gevoel bij. Dat gesuggereerde beeld van volmaakte harmonie en gezinsgeluk, zoals bij de Kelly Family. Of neem de Jackson 5 en de wrange bijsmaak die een overambitieuze ouder kan geven, te vergelijken met een fanatieke tennis- of voetbalvader langs de lijn van zijn toekomstige kampioenen. In dat opzicht verschillen Joseph Walter (Joe) Jackson en Petr Krajicek weinig van elkaar. Bij de zussen en broer van Kitty, Daisy & Lewis spelen de ouders vast mee in de band. Dat klinkt eerst net zo dubieus, maar als je uitgaat van wat de jonge bandleden zeggen, lijkt deze Britse familie Durham uiteindelijk op een vrij normaal gezin.

Kitty (19), Daisy (23) & Lewis (21) maken liedjes die sterk beïnvloed zijn door rock-‘n-roll, swing, rockabilly en r&b uit de jaren twintig tot zestig van de vorige eeuw. Vader en moeder blijven bewust op de achtergrond. Fijn eigenzinnig om te horen is dat ze over hun vaders gitaarkwaliteiten vrij zuinig zijn: 'He’s a bit shit’ bekennen ze in een interview en dat hij maar drie akkoorden kent maakt ook niet veel indruk. Of dat ze op de vraag hoe ze het vinden dat moeder Ingrid Weiss in een door Kurt Cobain bewonderde band zat (The Raincoats) antwoorden dat ze 'niet zoveel weten van jaren-negentigrock’. Die oude muziek heeft veel meer 'the feel and the rhythm and the rawness’. De liefde voor die muziek hebben ze wel van hun vader. De geluidstechnicus en oprichter van de Londense Exchange Studios liet het thuis altijd horen. Toch komt het idee om samen in een band te gaan spelen gewoon van henzelf. Die voorkeur voor 'ouderwetse’ muziekstijlen bracht ze eigenlijk bij elkaar. Veel leeftijdgenoten met dezelfde smaak werden sowieso niet gevonden.

Het aardige, aanstekelijke en titelloze debuut van Kitty, Daisy & Lewis uit 2008 bevatte vooral covers. Op het recente Smoking in Heaven hebben ze de liedjes zelf geschreven (soms geholpen door hun ouders). In plaats van nog geen dertig minuten duurt hij nu meer dan een uur. Het is vooral een vooruitgang in kwantiteit. De liedjes met gastbijdragen van de Jamaïcaanse trompettist Eddie 'Tan Tan’ Thornton zijn de sterkste momenten van de plaat. Neem de zomerse ska Tomorrow en I’m So Sorry of de instrumentale swing van Paan Man Boogie. Die toevoeging aan hun geluid brengt ze een stap verder, maar in z'n geheel is Smoking in Heaven dat niet. Liedjes als Don’t Make a Fool out of Me of I’m Coming Home zijn niet sterk en laten het feit dat de drie geen goede zangstem hebben zwaarder wegen. Verder doet de lang uitgesponnen jam (zevenenhalve minuut) What Quid de aandacht nogal verslappen en is de nog langere afsluiter Smoking in Heaven zelfs gewoon saai.

Wat overblijft als je de zon en de sympathie weghaalt is een handvol leuke nummers en een drietal goede muzikanten, eigenzinnig, met een sterke podiumreputatie en een eigen stijl (van passende outfit tot hoesontwerp). Onbeantwoorde vraag blijft: zit het erin, een echt goede plaat van deze familieband?

Kitty, Daisy & Lewis, Smoking in Heaven, label: Sunday Best/Pias. Kitty, Daisy & Lewis spelen 13 september in De Melkweg in Amsterdam