Popmuziek: Lilly Hiatt

Familiebanden

_Lilly Hiatt –_ Walking Proof _(New West / PIAS)_ © David McClister

Lilly Hiatt was op haar debuutalbum nog nadrukkelijk de dochter van John Hiatt, met haar mix van americana en country. Op de opvolger Royal Blue zong ze: ‘I’m somebody’s daughter/ And I’m gonna be fine.’ Op haar derde album Trinity Lane, haar doorbraak, verwees ze geregeld naar Hiatts afwezigheid in haar leven, en de grote tragiek in beider levens: de zelfmoord van haar moeder. Ondertussen schoof ze langzaam steeds verder weg van het muzikale idioom van haar debuut, met steeds meer invloeden uit de punkrock van de jaren zeventig, uit wave, zelfs synthipop.

Haar vierde album, het nog verder uitwaaierende Walking Proof, opent ze met opnieuw het bezingen van familiebanden: Rae is haar zus, al eerder bezongen door John Hiatt in ‘Georgia Rae’. Al snel gaat haar blik verder naar buiten, met contrasterende gevolgen. ‘Candy Lunch’, engelachtig gezongen, Hiatts stem landend op een lekker jankende slidegitaar, is een viering van de aanvaarding en de lankmoedigheid: ‘Nothing seems to go better/ When I grab on to anything too tight.’ ‘P-Town’, dat opstijgt als een grootse rocker, gaat daar juist dwars tegen in: ‘Don’t you hate when people say/ It is what it is.’

‘Some Kind of Drug’ schreef ze na een winter waarin ze samen met haar zus meehielp met het ondersteunen van daklozen in Nashville. Het is geen simpel protest tegen gentrificatie geworden, maar een humanistisch verhaal over zorg en zorgen in een Amerikaanse grote stad: ‘Veins of this city/ So small and pretty/ You couldn’t pump her up/ With some kind of drug/ Her arms are open/ Wild-eyed and hoping/ Somebody could give her/ That kind of love.’ Op de achtergrond zingt een mannenstem mee: John Hiatt.

Hij komt nog dichterbij in een ander nummer. John Hiatt schreef ooit een ode aan de gitaar, in de vorm van een protest tegen alle muzikanten die op het eind van hun optreden hun gitaar kapotslaan. ‘Oh, it breaks my heart to see those stars/ Smashing a perfectly good guitar/ I don’t know who they think they are/ Smashing a perfectly good guitar.’ De bekendste pionier van dat gedrag was Pete Townsend van The Who, die van het kapotslaan van zijn gitaar bijna net zo’n grote show maakte als van het bespelen. Maar ook Kurt Cobain deed het graag, en Matthew Bellamy van Muse sloeg tijdens hun wereldtournee in 2004 in totaal 140 gitaren kapot, een officieel vastgelegd record.

In het opgewekt frisse recht-vooruit-nummer ‘Never Play Guitar’ (dat nogmaals benadrukt dat het een goed idee van Hiatt was om Lincoln Parish, oud-gitarist van Cage the Elephant, voor de productie te vragen) bezingt ze haar eigen ode aan het instrument. Door het simpelweg terug te brengen tot zijn functie: een vereiste voor het schrijven van muziek.


Lilly Hiatt – Walking Proof (New West / PIAS)