Carol Loeb Shloss, Lucia Joyce: To Dance in the Wake

Familieberichten rond James Joyce

Carol Loeb Shloss

Lucia Joyce: To Dance in the Wake

Farrar, Straus and Giroux, 561 blz., $ 30.-

In een plaats genaamd La Flotte-en-Ré in het westen van Frankrijk zit een bejaarde man de auteursrechten en de papieren nalatenschap van James Joyce te beheren. Onbereikbaar voor de pers waakt Stephen Joyce over de erfschat van zijn beroemde grootvader met ogen als «spyballs witness», «synopticals», «fathomglasses» of «deepseapeepers», om enkele synoniemen voor het gezichtsorgaan uit Finnegans Wake te lenen. Maar het tragische is dat, ook al hoeft men niet te twijfelen aan de goede bedoelingen van de 72-jarige Stephen Joyce, het effect van zijn manier van optreden eruit bestaat dat eer en goede naam van sommige van zijn familieleden in plaats van beschermd eerder bezoedeld worden. Dat is in het bijzonder het geval als de positie van Lucia, de dochter van de schrijver (en Stephens tante), in het geding is.

Lucia Joyce (1907-1982) was sterk neurotisch, mogelijk schizofreen, en bracht een groot deel van haar leven door in sanatoria en psychiatrische inrichtingen. In 1988 liet Stephen Joyce de wereld weten dat hij Lucia’s correspondentie had vernietigd. Datzelfde jaar kon Nora, de biografie door Brenda Maddox van James Joyce’ echtgenote, pas verschijnen nadat een deel van de tekst over Lucia op last van Stephen was geschrapt.

Carol Loeb Shloss, hoogleraar aan de Amerikaanse Stanford University, heeft haar biografie van Lucia Joyce enkele malen moeten herschrijven om de gevolgen van Stephens censuur zo veel mogelijk te ontlopen; in haar «Acknowledgments» bedankt ze niet minder dan vijf juridische adviseurs. Na de lectuur van haar boek lijkt de conclusie gewettigd dat wat Shloss «onthult» over Lucia en haar familie voor een groot deel is gebaseerd juist op de schaarsheid van harde informatie. Maar het zou een lezer vergeven kunnen worden als hij aldus redeneert: wie brieven verbrandt, moet iets te verbergen hebben, dus zal het wel wáár zijn wat in dit boek wordt gesuggereerd. Allicht zit in La Flotte-en-Ré op dit moment de laatste der Joyces met zijn tanden te knarsen.

Een van Shloss’ suggesties of speculaties luidt dat de jeugdige Lucia deelgenote was van seksuele spelle tjes met haar twee jaar oudere broer Giorgio, maar de bewijsvoering is te zwak om zo te mogen heten. De indruk dringt zich op dat het woord «incest», als het over de schrijver James Joyce en zijn familie gaat, nogal gauw lichtvaardig wordt gebruikt.

De toon is misschien gezet door Samuel Beckett, die in de jaren dertig voor Joyce een bewondering koesterde die aan verering grensde. In hun gezamenlijke Parijse milieu kwam dat vaker voor: de schrijver van Ulysses gold voor menige Engelstalige «expat» als weinig minder dan een godheid. Lucia Joyce was verliefd op Beckett, maar die beantwoordde haar gevoelens niet. Tegenover een vriend meldde Beckett dat hij Lucia’s sek suele aandacht «bijna als incest» ondervond.

Bij Beckett was het gewraakte woord vooral een verwijzing naar de mate waarin hij Joyce als zijn geestelijke vader zag. In de cultuurbijlage van de Sunday Times van 8 februari wordt onomwonden gesteld dat «incest tussen (James) Joyce en zijn dochter» mogelijk het antwoord is op de vraag wat Stephen Joyce verborgen wil houden.

In Finnegans Wake, het boek (je kunt ook zeggen: de droom) waarin ieder personage andere personages incorporeert en veel woorden zijn geladen met meervoudige betekenissen, komt het woord incest voorbij als «insect». Dit verwijst naar de oorwurm (in het Engels «earwig», in het Frans «perce-oreille»), die op zijn beurt verwijst naar de hoofdfiguur Humphrey Chimpden Earwicker en naar Persse O’reilly (antiheld van een ballade die met bladmuziek en al wordt afgedrukt). Earwickers dochter Issy reageert beurtelings aanmoedigend en afwijzend op de erotische verlangens van haar familieleden: behalve de vader ook haar broers, de tweeling Shem en Shaun. De eerste mag als «Shem the Penman» gelden als een zelfportret van de schrijver. Voor zijn creatie Issy of Isolde, het proto- of archetype van de jonge vrouw, heeft Joyce ongetwijfeld veel profijt gehad van de aanwezigheid van zijn dochter Lucia. Hij heeft Issy een even intiem-vrouwelijke stem gegeven als Molly Bloom, wier monoloog Ulysses afsluit. Op bladzijde 459 van Finnegans Wake is Issy aan het woord: «Pip pet. I shouldn’t say he’s pretty but I’m cocksure he’s shy. Why I love taking him out when I unletched his cordon gate. Ope, Jack, and atem! Obealbe myodorers and he dote so. He fell for my lips, for my lisp, for my lewd speaker. I felt for his strength, his manhood, his do you mind? There can be no candle to hold to it, can there?»

Hier lijkt sprake van de ontknoping van een gulp en de ontbloting van een lid, gevolgd door fellatio. De inspiratie tot de passage was waarschijnlijk Joyce’ herinnering aan de eerste afspraak met zijn latere echtgenote Nora Barnacle op 16 juni 1904 («Bloomsday»), toen Nora, zoals hij het uitdrukte, een man van hem maakte.

Op verscheidene plaatsen in haar biografie van Lucia levert Carol Loeb Shloss kritiek op Richard Ellmann, auteur van de standaardbiografie van James Joyce. Zo zou Ellmann zich te veel hebben laten leiden door mededelingen van Maria Jolas, een vriendin des huizes van de familie Joyce, die vooringenomen was jegens Lucia. Uit Shloss’ eigen relaas blijkt intussen ten overvloede dat de gedragsstoornissen die Lucia liet zien Ellmanns gebruik van termen als «hysterisch» en «schizofrenie» op z’n minst begrijpelijk maken. Het gaat dan om gegooi met een stoel naar haar moeder, Nora; een in brand gestoken tafelkleed; een vuur, aangelegd in het midden van een woonkamer; doorgeknipte telefoondraden en zo meer. Bijna elk incident wordt door Shloss voorzien van een vergoelijking of «verklaring»; haar empathie met het onderwerp is op het aandoenlijke af. Opvallend veel van haar volzinnen eindigen met een vraagteken en vaak is «speculatie», «verbeelding» of «suggestie» het sleutelwoord waar een alinea omheen is geconstrueerd. Het woord «insinuatie», alhoewel menigmaal van toepassing, is daar niet bij. Over het verbond tussen Joyce en zijn dochter lees je al op bladzijde 8: «Sommigen bestempelen, bij gebrek aan een beter woord, hun relatie als incestueus.»

Deze opvatting van «sommigen» wordt overigens door Shloss afgewezen. Uit haar werk treedt de dochter naar voren als een kunstenares in de schaduw van haar vader. Lucia was een tijdlang betrokken bij semi-professionele dans- en balletgroepjes. Met een verwijzing naar Nietzsche en diens dialectiek van het Apollinische en het Dionysische wordt Lucia afgeschilderd, behalve als een begaafd bewegingskunstenares, als de belichaming van Dionysische krachten. Maar helaas, haar familie — vooral Nora en Giorgio — drong haar een leven op dat werd gedomineerd door bij uitstek Apollinische krachten, te weten geneeskundigen. Het wordt ook bij Shloss niet duidelijk waarom Lucia het dansen er aan heeft gegeven. Haar suggestie luidt dat een tijdelijke verhuizing van de familie van Parijs naar Londen de dansloopbaan van de toen 24-jarige dochter heeft gefnuikt.

In de liefde bleek voor Lucia, die zichzelf «sex-starved» noemde en zich daar ook naar gedroeg, evenmin veel geluk weggelegd. In 1930 was ze in een snelle opeenvolging door drie huwelijkskandidaten aan de kant gezet. Ze klaagde dat de jongelieden die de woning van de familie Joyce bezochten haar behandelden als een hors d’oeuvre en dat ze net als Samuel Beckett vooral geïnteresseerd waren in gesprekken met haar vader.

Shloss’ boek past in een zich vestigende biografische trend binnen het Angelsaksische taalgebied: nu onderhand van de meeste grote schrijvers het leven beschreven is, zijn hun — meest vrouwelijke — familieleden aan de beurt. De moeder van Oscar Wilde heeft haar biografie, diens echtgenote heeft er twéé. Nora Joyce was al biografisch bijgezet, evenzo de vaders van Yeats en Joyce. De wederhelften van Yeats, Nabokov en Eliot (in Eliots geval zijn tweede echtgenote) zijn in recente werken aan het lezerspubliek voorgeleid. Nu ook de dochters niet langer veilig zijn, rijst de vraag of deze ontwikkeling een gelukkige is. Het moet dan gezegd dat het boek over Lucia Joyce een te ambigu karakter heeft om zich in deze kwestie te lenen voor een ondubbelzinnig argument pro of contra.

Joyce zelf zou er hoogstwaarschijnlijk gelukkig mee zijn. Zijn eigen werken, stuk voor stuk «jocoserious» zoals Bloom en Stephen Dedalus bij hun samenkomst in Ulysses, zijn eveneens, en in iedere zin van het woord, dubbelzinnig. Op sommige momenten heeft Shloss’ boek een lichtelijk hysterische toonzetting, bijvoorbeeld als ze wil aangeven — zoals steeds op basis van te weinig materiaal — dat Lucia een beslissende invloed heeft gehad bij de totstand koming van Finnegans Wake. We krijgen een impressie voorgeschoteld van een vader die schrijft in de kamer waarin de dochter tegelijkertijd danst: «Terwijl hij kijkt naar de stille welsprekendheid van het bewegende lichaam van zijn dochter begint hij de betekenis van zijn eigen taalexperiment in Work in Progress in analoge termen te beschrijven. (…) Rivieren, evenals de lichamen van jonge dansers, glijden voort, vloeien voorwaarts, uit, weg.» Enzovoorts. Elders: «De vader/schepper (Joyce — mk) werd een voyeur wiens waardering voor het door zijn kind opgevoerde spektakel op enigerlei manier kan worden beschouwd als een versnellende factor in de crises uit het latere leven van het meisje.»

Ridicuul? Het klinkt in ieder geval overspannen. Tegelijkertijd moet je vaststellen dat ook Joyce zelf een verband zag tussen zijn zeventien jaren vergende arbeid aan Work in Progress, het latere Finnegans Wake, en de problemen van «dadad’s lottiest daughterpearl», zoals Lucia ergens in dat boek heet. Met zijn hand op een pagina van zijn manuscript heeft de schrijver doen weten, alsof het een bede was: «Soms zeg ik tegen mezelf dat als ik deze donkere nacht verlaat, zij ook genezen zal zijn.» Shloss’ weigering om Lucia als krankzinnig of schizofreen te beschouwen, is een echo van die van Joyce. Diens bede is niet verhoord; Lucia is gestorven in een psychiatrisch ziekenhuis. Carol Loeb Shloss weet in haar beschrijving van dit getroebleerde leven een aannemelijke interpretatie van de Wake te ontwikkelen als een werk dat, bij al het andere, steeds ook de dynamiek van een vader-dochterrelatie opvangt, als in de scherven van een spiegel. En dat stempelt haar boek, alle half verborgen toespelingen ten spijt, tot een waardige bijdrage aan de Joyce-exegese.

Bij de schepping van zijn universum speelt James Joyce al in Ulysses een spelletje met zijn personages door ze op te zadelen met een meervoudige identiteit. Zo wordt Bloom tijdens de eerder genoemde ontmoeting met Stephen (in de «Ithaca»-episode) heel even Blephen; overbodig te zeggen dat Stephen tegelijkertijd Stoom wordt. Trouwens, als de held in een opnieuw vertelde Odyssee is Bloom tevens Odysseus, zoals Stephen diens zoon Telemachus representeert en Molly de echtgenote Penelope. Maar nergens wordt dit gegoochel met in elkaar schuivende persoonlijkheden met grotere inzet bedreven dan aan het einde van Finnegans Wake, op de bladzijden die Joyce’ laatste zijn geweest.

Aan het woord is Anna Livia Plurabelle, vrouw van Earwicker, moeder van Shem, Shaun en Issy, hier echter bovenal de verpersoonlijking van de rivier de Liffey, die bij Dublin uitvloeit in de zee. Brenda Maddox, biografe van Nora Joyce, identificeerde Anna Livia met Nora; Carol Loeb Shloss, niet minder resoluut, wijst Lucia Joyce aan als het model. Ze hebben allebei gelijk. Aan het einde van de Wake, waar de levensreis haar einde vindt om onmiddellijk opnieuw te beginnen (want de slotwoorden vervolgen in de openingszin van het boek), lopen de identiteiten dooreen als even zovele golven. In deze vloed zijn op te merken «huddy foddy» en «elicitous bribe» (respectievelijk «husband father» en «illicit bride»), als ook «daughterwife» en «sonhusband». Op de slotpagina vindt een werkelijke hereniging plaats: «I go back to you, my cold father, my cold mad father, my cold mad feary father, till the near sight of the mere size of him, the moyles and moyles of it, moananoaning, makes me seasilt saltsick and I rush, my only, into your arms.»