Familiefabels

‘Identiteit is een ingewikkelde dinges’, schreef de dichter K. Michel ooit. Het zinnetje is altijd ergens in me blijven rondspoken omdat het zo beslist en quasi-helder klinkt. Alsof het onverklaarbare begrip identiteit eindelijk in een klare definitie van vijf woorden is gestold. In feite maakt de regel natuurlijk niets duidelijk. Michel zegt niet alleen dat identiteit ingewikkeld is, maar noemt het ook nog een ‘dinges’ en als er iets vaag en ongrijpbaar is, dan is het wel een ‘dinges’. Toch vorm het zinnetje een prachtige definitie van identiteit, juist omdat het zo helder, haast naïef lijkt en je ondertussen laat stilstaan bij de onmetelijke afgrond die het begrip bevat.

Zwanen schieten, het nieuwe boek van Hella Haasse, is even verraderlijk als de dichtregel van K. Michel. Zwanen schieten is een merkwaardige mengeling van verhalen, autobiografische herinneringen, stukken familiegeschiedenis en essayistische bespiegelingen over het schrijven, de verhouding tussen verbeelding en werkelijkheid, heden en verleden, en identiteit. Haasse publiceerde eerder soortgelijke hybride autobiografische boeken: Zelfportret als legkaart in 1954 en Persoonsbewijs in 1967, waarin ze niet óver haar leven schreef, maar haar leven zélf schreef in een associatieve, verbrokkelde vorm. Het soms vertwijfelde, wroetende en zoekende van die twee boeken heeft in Zwanen schieten plaatsgemaakt voor glasheldere zinnen en een schijnbaar doorzichtige structuur, waarin de zwaan de dominante metafoor is. Maar als je over het boek nadenkt, val je in de afgrond van de ‘ingewikkelde dinges’ die identiteit is.
In een cursief gedrukte proloog beschrijft Haasse hoe ze van haar Franse woonplaats op weg is naar een lezingendag aan de Leidse universiteit. Ze zit in de trein en ziet een boogschutter die zijn boog spant. Na Brussel nemen twee Australische toeristes plaats in haar compartiment. Ze zijn op weg naar Neuschwannstein, het sprookjeskasteel van Ludwig II van Beieren ('the Swan King’). Hun achternaam blijkt Swanson te zijn. Als Haasse tussen Den Haag en Leiden ook nog eens een dode zwaan met uitgespreide vleugels aan de slootkant ziet liggen, brengt ze de zwaan en de schutter met elkaar in verband, 'een verband, buiten de gewone orde der dingen’.
De anekdote gaat even later over in bespiegeling: Haasse denkt aan de rol die zwanen in de mythologie en in sprookjes spelen, slaat er een aantal symbolenboeken op na en ontdekt dat de zwaan de belichaming van het andere, het vreemde en het onbekende is. Dat de trotse vogel een symbool kan zijn van licht en de rede, maar ook van duisternis en het occulte. De zwarte zwaan staat zelfs voor zinnelijkheid en boosaardigheid. De zwaan belichaamt kortom tweeslachtigheid, de 'tegengestelde wezenskenmerken van een en dezelfde mens’. Daarbij, stelt Haasse, bestaat er verwantschap tussen de pijl en het woord. De schrijver 'jaagt’ zogezegd op het onbekende en onkenbare en probeert dat wat ongrijpbaar is in woorden te vangen.
Vervolgens, in het eerste deel van het boek, verhaalt Haasse over haar familiegeschiedenis en daarin vliegen, bij wijze van spreken, ook voortdurend zwanen op. Een zilveren balboekje waarop een zilveren zwaan is gegraveerd doet haar denken aan haar Duitse grootmoeder van moederskant. Door dat balboekje beseft ze hoeveel geheimen het familieverleden eigenlijk bevat. Ze kent wat feiten, de paar vaste anekdotes die steeds weer op dezelfde manier worden opgedist, en ze is zich vooral bewust van de gapende gaten die daartussen liggen. 'Mijn leven wordt - werd altijd - beheerst door wat ik niet weet’, schrijft ze. 'Achter elk geheim verbergt zich een ander. De waarheid is niet meer te achterhalen.’
Het is een pijnlijke wetenschap: je weet hoezeer je karakter gevormd is door je voorgeschiedenis, door de karakters van je voorouders; en tegelijk weet je dat je het verleden nooit kunt kennen. Haasse beschrijft de persoonlijkheden van haar grootmoeders - de frivole vrouw die de moeder van haar moeder was en de introverte moeder van haar vader - en stelt daarna dat zijzelf zich tussen hen beweegt. 'Van de ene heb ik de drang tot verandering (in de verbeelding wanneer het niet anders kan), het uithoudingsvermogen om een gesteld doel te bereiken (…). Van de andere de neiging me terug te trekken in een innerlijk domein, een koel klimaat van luciditeit en illusieloosheid.’
Je kunt zeggen dat de zwaan de gids naar het rijk van de verbeelding is. Het woord is immers de pijl die de zwaan moet schieten. Maar de zwaan is ook een beeld voor het onbekende, voor, zou je kunnen zeggen, de identiteit. En op de identiteit kun je alleen enige greep krijgen door de verbeelding. Want omdat je 'de waarheid’ over je familiegeschiedenis nooit achterhaalt, ben je wel gedwongen je toevlucht te nemen tot mythologie, tot het onontwarbare kluwen van anekdotes, halve herinneringen en gekleurde feiten.
Nadat Haasse in het eerste deel van Zwanen schieten haar familiegeschiedenis met de hulp van haar verbeelding heeft gereconstrueerd, laat ze in het tweede deel haar verbeelding de vrije loop. Het tweede deel is een spiegel van het eerste: Haasse gebruikt in het verhaal allerlei 'feiten’ uit haar familieverleden en laat zo heel mooi zien dat de werkelijkheid misschien niet zonder verbeelding bestaat, maar dat de verbeelding vooral vruchtbaar groeit op 'feiten’. In het eerste deel schrijft ze over haar broer die in de jaren vijftig naar Australië is geëmigreerd en daar met ware pioniersgeest een bestaan heeft opgebouwd. De negentienjarige Australische jongen Jason die de hoofdrol speelt in het fictieve verhaal zou een kleinkind van die broer kunnen zijn.
In het verhaal gebruikt Haasse allerlei ingrediënten uit haar eigen familiegeschiedenis, met zwanen en al. Er is sprake van een geheimzinnige vorstelijke voorvader - zwanenkoning Ludwig II - van een onecht kind, een frivole betovergrootmoeder, een in de familiegeheimen verdwaalde grootvader, een wandelstok met een knop in de vorm van een zwaan en een replica van Ludwigs zwanenkasteel. Omdat er geen concrete gegevens zijn die de familiegeschiedenis stutten, wil kleinzoon Jason er niets van weten. De ironie is dat hij zijn eigen obsessie in de familiegeschiedenis projecteert. Hij verbeeldt zich dat hij aboriginebloed heeft, nadat hij een foto van voorvaderen heeft bestudeerd waar ook een mooi zwart kindermeisje op staat.
Niemand ontkomt aan het fabuleren, stelt Haasse later expliciet, ook niet als hij zich bij het 'echt gebeurde’ wil houden. Haar kleine maar zeer veel omvattende boek is een intrigerende zoektocht naar haar geschiedenis en identiteit op de vleugels van de verbeelding - maar identiteit blijft 'een ingewikkelde dinges’.