Familiefeest

HAPPINESS heet de film die dit jaar naar voren is geschoven door de filmfestivals in Brussel en Rotterdam. De eigenzinnige Amerikaanse regisseur, Todd Solondz (die in 1996 doorbrak met Welcome to the Dollhouse, een onrustbarend portret van tieners in een voorstadje) gold voor de festivaldirectie in Brussel als een voorbeeldige tussenfiguur tussen de Amerikaanse (‘commerciële’) en Europese (‘onafhankelijke’) cinema en hij paste daarom perfect in het thema dat dit jaar aan het Belgische festival werd meegegeven: America meets Europe.

Solondz moet in zijn vuistje hebben gelachen: Brussel, hoofdstad van het land van de kinderslachter Dutroux, als Europese premièrestad van zijn film die voor een belangrijk deel inzoomt op een pedofiele huisvader. Het Belgische weekblad Knack schreef vorige week: ‘Wie Happiness wil gaan zien weze hierbij gewaarschuwd: het is de sterkste en meest onthutsende Amerikaanse film van het jaar.’ Ondanks dit heikele thema is Happiness een uiterst vermakelijke speelfilm. Een aanstekelijke, hilarische en soms onrustbarende zedenschets die zich afspeelt in het onbestemde Suburbia ergens in het oosten van de garden state New Jersey, aan de welvarende rafelrand van Manhattan. Een 'komische tragedie van de wreedheid en de pijn’ (aldus Solondz zelf) waarin de handel en wandel wordt gevolgd van maar liefst twaalf personages die allemaal met elkaar te maken hebben, en die in het land van de Amerikaanse Droom ploeteren om hun portie te bemachtigen van 'dat vreemde ding dat niet bestaat en er toch, op een dag, niet meer is’. Tenminste, dat is de Franse opvatting van geluk. Le bonheur, cette étrange chose qui n'existe pas et pourtant un jour n'est plus. Een opvatting waaraan de nostalgie van het avondland kleeft. De regisseur mag dan begrip hebben voor Europa, Todd Solondz blijft een Amerikaan die afkomstig is uit hetzelfde New Jersey als in de film. In Happiness is het geluk dan ook niet dat wat al geweest is. Het is datgene wat er altijd is, ook als het er niet is. Het is de zekerheid, de illusie, het verlangen dat iedereen bij zich draagt, dat klaarligt om te worden ingelost. De personages in de film kunnen het zien, ruiken, proeven, voelen, maar ze kunnen er net niet bij. DE STROMPELTOCHT naar geluk slaan we gade via de familie Jordan, de al wat oudere, gepensioneerde vader en moeder, hun drie volwassen dochters alsmede hun kroost, minnaars, belagers en buren. Hard werkende, loyale en soms zelfs succesvolle burgers zijn het, welvarende pensionairs, toegewijde echtgenotes en brave borstjes van kinderen waarmee op het eerste gezicht helemaal niks mis is. De personages zijn menselijk; de een is wat sympathieker dan de ander, maar je zou zeggen dat ze allemaal toch min of meer 'normaal’ zijn. Toch wringt en knaagt het in het hoofd en in de borst van de personages, en jeukt het op plaatsen waar je het niet zou vermoeden, en waar het beter niet zou jeuken. Degenen die begerig loensen naar het geluk zien het aan hun neus voorbij glippen. En degenen die menen dat ze gelukkig zijn, zien het in duigen vallen. Iedereen hunkert in Happiness, maar niemand vindt. De personages komen stuk voor stuk bedrogen uit. Niemand blijft gespaard. Het hedonisme dat Solondz aan het licht brengt is een kracht die even wreed als vertederend is, even onblusbaar als breekbaar, even ondoorgrondelijk als naïef. Het is wat ieders blik vertroebelt en tegelijk scherp gericht houdt. Het is wat de hoop wakker houdt en ontgoocheling verschaft. Solondz schraapt in de film gaandeweg het glimmende laklaagje van zijn trotse personages. Wat resteert is desillusie, zelfhaat, afgunst en een giftig soort corrosie van het vlees. Grootvader Lenny (Ben Gazzara) minacht de mensen en het leven en kondigt na veertig jaar huwelijk aan dat hij zijn biezen pakt. Niet om de bloemetjes buiten te zetten, maar om in z'n eentje als een soort boeddha op een rots (aan een zwembad in het zonovergoten Boca Raton Florida; Amerika’s last stop before heaven - een luxe parkeerplek voor welgestelde zestigplussers) te wachten op het einde. Dat maar niet wil komen, want daarvoor is hij veel te gezond, zegt zijn arts. Lenny’s vrouw verwijt haar stoïcijnse echtgenoot dat hij nu pas met zijn wegloopplannen komt aanzetten. Nu moet ze alsnog 'another fucking facelift’ nemen. Dochter Joy - nomen est omen - (Jane Adams) is wanhopig op zoek naar de Ware Jacob en denkt die te vinden in een Russische immigrant die mierzoete ballades voor haar tokkelt op zijn gitaar en die na de eerste en eenmalige liefdesnacht haar stereo meejat in zijn taxi. Haar gehaaide zusje Helen (Lara Flynn Boyle) is een knappe schrijfster die door anderen wordt aanbeden om haar gedichten met opwindende titels als 'Rape at 11’ en 'Rape at 12’. Zelf vindt ze dat haar werk authenticiteit ontbeert. Haar wrede erotische fantasmen wil ze in het echt beleven. Ze stelt haar hoop op een hijger die dreigt haar eens en voor altijd aan zijn staak te rijgen ('van kont tot keel’). Ze nodigt hem uit zijn voorstel in daden om te zetten bij haar thuis. Helaas blijkt deze prins der duisternis in werkelijkheid haar gefrustreerde puisterige buurjongen die nog te bang is om bij haar aan te bellen met zijn kleffe onaneerhandjes. De oudste zus Trish (Cynthia Stevenson) is gelukkig getrouwd met een welgestelde psychotherapeut. Ze volhardt in haar overtuiging dat ze volmaakt gelukkig is, ook al wil haar man al jaren niet meer met haar neuken. De spatjes op haar stralende blazoen wrijft ze weg met een steeds spastischer grijns. Zelfs als blijkt dat haar ega in het geniep zijn lusten botviert op de schoolvriendjes van hun zoontje Billy die hij benevelt met pillen en dan verkracht. Van shiny happy people is dan geen sprake meer. In Happiness blijkt de Amerikaanse idylle door en door geperverteerd en bevolkt met weerzinwekkend normale anti-helden boordevol kleine en minder kleine frustraties en complexen. TODD SOLONDZ heeft zijn film geraffineerd opgebouwd via korte scènes, een stijl die herinnert aan Short Cuts van Robert Altman. Nog zo'n Amerikaanse cineast die een beetje dichter bij de Europese cinema lijkt te staan dan veel van zijn collega’s uit Hollywood. De film gebruikt de structuur en de hoera-muziek die eigen is aan de televisie-sitcom, maar in plaats van familiegeluk en huiselijk niets-aan-de-hand-drama krijgen we een donkere, borrelende vloed over ons uitgestort van deernis- en weerzinwekkende trauma’s, verbetenheid, terminale misantropie, hunkering en treurnis. De meest huiveringwekkende scène zit vlak voor het einde, als de politie langs is geweest in huize Maplewood en de woning is beklad door iemand die op de muren heeft geverfd: 'Hier woont een serieverkrachter’. Zoontje Billy probeert te begrijpen wat zijn vader heeft misdaan. Als het hem begint te dagen, vraagt hij in tranen aan zijn pa of die hem ook zou neuken, als hij de kans kreeg. Vader Bill denkt lang na, schudt zijn hoofd en zegt dan: 'Ik zou je niet neuken Billy, ik zou me aftrekken.’ Bij dit antwoord ging er een siddering door de filmzaal. Gemompel, gesis, keelgeschraap, mensen die lacherig rondkeken. Bovenstaande scène kenmerkt de cinematografische beheersing van Solondz. Gênante scènes rekt de regisseur bewust tergend langzaam uit. Wat eerst de lachlust opwekt wordt allengs iets grotesks. Wat vredig begint wordt iets ergerlijks of naargeestigs. In dit soort transformaties is Solondz een maestro, die als geen ander weet te balanceren tussen 'heartbreak’ and 'humour’, tussen het hilarische en het tragische, tussen slapstick en drama. Solondz zelf heeft in interviews gezegd: 'Ik kan wat ik grappig vind moeilijk scheiden van wat me raakt. Ik voel me emotioneel betrokken bij al mijn personages, maar zou het ondraaglijk vinden mocht ik ze ook niet bekijken met een zekere ironische afstandelijkheid. Wat niet belet dat ik ontroerd ben door wat ze overkomt.’ Vladimir Nabokov leerde zijn literatuurstudenten in Amerika dat 'beauty plus pity’ de drie woorden waren die de definitie van kunst het best benaderden, 'for the simple reason that all beauty must die’. Solondz op zijn beurt keert dit adagium om. Hij laat juist zien hoe het on-schone (het lelijke, gewone, stuntelige en wrede) niet sterft, maar volhoudt en overleeft. De mensen die de camera in Happiness volgt, zijn stumperds voor wie je als kijker veel compassie kunt opbrengen; het zijn smeerlappen die zelf net zo goed slachtoffer zijn als dader; helden wier geluk uiteindelijk door hun eigen tekorten in de weg wordt gezeten. Ze hebben te kampen met problemen waar ze zich op de een of andere manier toch doorheen weten te slaan. Hun vasthoudendheid wekt mededogen. Verbazingwekkend hoe deze lieden ’s morgens na alle ijlkoortsen toch weer uit hun lekgeprikte waterbed kruipen om op te staan. EEN TWEEDE Amerikaanse cineast met wie Solondz wel wordt vergeleken is Woody Allen. De gebruikelijke elementen van Woody Allen-films zijn in Happiness ruim aanwezig: Manhattan, tobbende blanke middenklassers, de tenenkrommende afspraakjes en etentjes, zelfs de onvermijdelijke shrink duikt herhaalde malen op. Ook maakt Solondz een knipoog naar Allen zelf door de grootste schlemazzel in de film (de zich suf masturberende computernerd Allen, die zijn buurvrouw stalkt tot zij hem bij haar uitnodigt; een sublieme rol van Philip Seymour Hoffman) naar de meester van de onafhankelijke Amerikaanse zedenkomedie te vernoemen. Toch onderscheidt Solondz zich duidelijk van Woody Allen in die zin dat hij veel minder psychologiseert en filosofeert. Solondz bewaart meer afstand door zelf niet mee te spelen en hij is in zijn aanpak ook meer down to earth. Hij vermijdt het om ten aanzien van zijn personages te moraliseren of te intellectualiseren. Solondz’ protagonisten zijn weliswaar net als bij Allen blanke ploeteraars en klunzen uit de middenklasse, ze zijn gewoontjes of verwaand, maar het zijn geen van allen diepgravende, complexe persoonlijkheden die in hun vrije tijd het liefst existentiële gesprekken voeren of tobben over de betekenis van Nietzsche of Freud. De humor van Solondz is rauwer dan die van Allen, zijn filmstijl is confronterender, bijvoorbeeld in de expliciete scènes waarin de klodders sperma tegen de muur en het balkon aan kwakken, of die waarin de therapeut en huisvader Bill Maplewood met een kindertijdschrift op schoot zit te masturberen op de achterbank van zijn auto. DE ROL VAN Bill Maplewood sr. (gespeeld door Dylan Baker; binnenkort ook te zien in de nieuwe Woody Allen-film Celebrity) is ongetwijfeld de meest opvallende. In zijn dromen knalt hij mensen neer in het park en vergrijpt hij zich aan de jongens uit het honkbalteam van zijn zoon. Zijn diepste verlangen is taboe. Het toegeven aan zijn driften is voor hem echter de enige mogelijkheid een kortstondige staat van geluk te bereiken, even vrij te zijn, bevrijd van de drukkende, te lang onvervulde lusten. Het enige wat hem de mogelijkheid biedt even te ontsnappen, is wat hem, aan het eind van de film zelfs letterlijk, tot een gevangene maakt. De beklemmende drijfveren van Maplewood zijn die van een therapeutisch patiënt die van beroep psychotherapeut is. Tegelijkertijd is hij een pedofiel en huisvader die zowel door zijn vrouw als kinderen wordt bemind en zelfs aanbeden. In beide hoedanigheden is hij even overtuigend. Het interessante aan het personage Bill Maplewood is dat zijn aandrang niet wordt voorgesteld als de neiging van een losgeslagen schizofreen, maar dat hij deel uitmaakt van een verder volstrekt respectabele persoonlijkheid. Vader Bill is geen dr. Jekyll die bij ontij verandert in mr. Hide. Hij is een man zoals iedereen, met een geweten en een hart. Dat maakt hem in de hoedanigheid van kinderverkrachter zowel begrijpelijk en menselijk als extra angstaanjagend. Als hij zo is, wie zegt dan dat wij niet zo zijn? Todd Solondz vertelde hierover in Knack: 'Ik word wel een misantroop genoemd, gewoon omdat ik ook onze slechte kanten toon. Dat wijst niet op mensenhaat maar op het accepteren van onze zwakheden. Ik ga er ook niet vanuit dat het altijd de ander is: we hebben er allemaal schuld aan. Je moet diep in jezelf durven kijken, en dat is het moeilijkste wat er is.’ IK VERMOED DAT na afloop van de rumoerige vertoning van Happiness in Brussel menigeen zich zal hebben afgevraagd hoe het leven tot 1996 eigenlijk verliep in huize Dutroux. Vader Marc was geen respectabel psychotherapeut die een mooie villa bewoonde in een sjieke buitenwijk. Wel was hij net als Bill Maplewood getrouwd en vader van twee kinderen. De verwarrende waarheid moet ongetwijfeld zijn geweest dat Dutroux zich niet slechts overgaf aan gruwelijke misdaden, maar dat hij ook tijd doorbracht met zijn kinderen en vrouw en dat hij teder kon zijn. Dat hij niet alleen Julie en Melissa opsloot en verkrachtte, maar ook met zijn zoontjes naar The Simpsons kon kijken en net zo hard als zij kon lachen om de domme, drieste Homer. Tijdens zijn ontsnapping vorig jaar april trof de boswachter die Dutroux in de kraag greep een brief aan in diens vestzak die ’s werelds beruchtste pedofiel en kinderhandelaar in de nerveuze uren van zijn vers veroverde vrijheid was begonnen te schrijven; misschien dat hij iets achter wilde laten in het geval hij zou worden neergeschoten. De brief was gericht aan zijn jongste zoon en bevatte de aansporing dat Dutroux jr. goed zijn best moest doen op school. Een schrijnend bewijs van vaderliefde, maar vooral ook van het feit dat zelfs het monster Dutroux niet zo fundamenteel van u en mij verschilt als we graag zouden denken.