Familieopstelling

In De terugkeer voert Esther Gerritsen opvallend normale personages op die muurvast zitten in hun eigen verhaal. Het levert komische, pijnlijke en ontroerende scènes op.

Esther Gerritsen © Karoly Effenberger

Met haar nieuwe roman De terugkeer markeert Esther Gerritsen twintig jaar succesvol schrijverschap: in 2000 debuteerde ze met de verhalenbundel Bevoorrecht bewustzijn, er volgden zeven lovend ontvangen romans die werden genomineerd voor prestigieuze literaire prijzen, in 2014 ontving ze de Frans Kellendonkprijs en in 2016 schreef ze het Boekenweekgeschenk. In haar achtste roman plaatst ze een aantal vertrouwde bestanddelen uit haar oeuvre – familieverwikkelingen, de complexiteit van menselijke interactie, de grenzen tussen normaal en afwijkend, en het verlangen naar zingeving – weer in een nieuw en uiteindelijk verrassend verband.

De terugkeer leest als een familieopstelling. Toen Max tien was en Jennie vijf overleed hun vader Gerrit. Na jarenlange depressies zou hij zelfmoord hebben gepleegd, maar twintig jaar later kan Jennie haar twijfel over die doodsoorzaak niet meer verdragen. De conclusie rammelt aan alle kanten en het is tijd voor rationele antwoorden op logische vragen. Haar gesloten broer Max, die met zijn vrouw Nora en hun dochtertje een kalm leven heeft weten op te bouwen, zit er helemaal niet op te wachten om in het vakkundig weggestopte verleden te moeten gaan wroeten. Dat hun moeder Johanna door haar vriend bij haar kinderen wordt gedumpt omdat ze aan alzheimer blijkt te lijden, helpt ook niet echt. En dan is er nog oom Ed, de jongere broer van Gerrit, die zich als rots in de branding komt opdringen.

In de eerste hoofdstukken, kort en ongenummerd, zet Gerritsen de poppetjes op hun plek in de ruimte. Meteen valt op hoe normáál deze mensen eigenlijk zijn in vergelijking met het prototypische Gerritsen-personage. De jonge vrouwelijke protagonisten uit De kleine miezerige god, Superduif en Roxy schuurden langs de waanzin, maar konden hun werkelijkheid zodanig redelijk presenteren dat je eigen idee van gek en gewoon verontrustend makkelijk oprekte. De personages in De terugkeer hebben hun particuliere issues, en samen vormen ze een heerlijk disfunctionele familie, maar ze blijven verder bij het psychische randje vandaan en dat maakt ze ook minder gevaarlijk.

Misschien ligt het aan wat ik dit jaar las, misschien is het toeval, maar ik vraag me de afgelopen tijd af of schrijvers al dan niet bewust meer naar begrijpelijkheid zijn gaan streven. Dat is in De terugkeer niet alleen een stilistische kwestie – korte zinnen, korte alinea’s – maar ook een psychologische: soms lijkt het of Gerritsen de noodzaak voelt haar personages te ondertitelen. Zo mag het ons duidelijk niet ontgaan dat Max en Jennie in hun volwassen leven stagneren omdat ze als kind niet goed met hun negatieve emoties hebben leren omgaan. Gerrit, die als een geforceerde deus ex machina ook een plek in de opstelling krijgt, spelt het voor ons uit. Tegen Max: ‘Vanuit het hiernamaals schreeuwt zijn vader dat dit “niets” een alarm is. Niet voelen is geen optie. Heeft die jongen dan niks van hem geleerd?’ Over Jennie: ‘Al op haar vijfde moest ze hebben gedacht dat zo’n gevoel verboden was en haar vader begreep helaas maar al te goed dat het verbieden van je gevoelens het begin van alle problemen is.’ Omdat het commentaar van Gerritsens verteller vaak van haarfijn menselijk inzicht getuigt, zijn de momenten waarop ze er een uitroepteken achter zet des te storender.

Broer Max zit er niet op te wachten om in het verleden te moeten wroeten

Door een toevallige opmerking van een buurvrouw transformeert De terugkeer na ruim tachtig pagina’s subtiel tot een whodunit, en vanaf dat moment ben je blij dat je in het begin toch even hebt doorgezet. Het geeft Jennies onderzoek precies de middelpuntzoekende kracht die de roman op dat moment nodig heeft. Gerritsen schrijft ook voor theater en film en dat zie je terug in de scenische aanpak: de alwetende verteller cirkelt in hoog tempo om het raadsel heen, laat de blik steeds net lang genoeg bij een van de personages hangen om even op het verkeerde been te worden gezet, en kantelt dan het perspectief weer. Met groot inlevingsvermogen maakt Gerritsen zo inzichtelijk hoe haar personages als overlevingsstrategie de werkelijkheid naar hun hand zetten en beschermen.

Voor Max ‘telt de waarheid dat het inderdaad tijd was geweest voor zijn vader om te sterven. Die zekerheid bestaat heel kalm en geluidloos in zijn hoofd en hij zal wel gek zijn om die uit te spreken en door zijn zus te laten aantasten met haar tegenargumenten die dan ook hun plek innemen, wortel schieten.’ Ze zijn duidelijk familie, want Jennie trekt de betrokkenheid van haar vriend evenmin: ‘Die man stelt zoveel vragen, en het is niet dat ze liegen wil, of dat hij iets niet weten mag, maar haar denken is van haar, en niet een ruimte die hij op elk moment onaangekondigd mag betreden.’

Ondanks de alomtegenwoordige dood, depressie en ziekte is de toon in De terugkeer lichtvoetig, vooral door de pijnlijk grappige dialogen, waarin Gerritsen casual de absurditeit van situaties duidelijk maakt. Hoe dementer Johanna wordt, hoe komischer haar reacties. Als ze al lang en breed in het verzorgingstehuis zit, wil Jennie haar tijdens een boswandeling eens ondervragen over het verleden: ‘Ik heb alzheimer’, zegt haar moeder, ‘wist je dat al?’

Max, Jennie en Johanna begrijpen elkaar verkeerd omdat ze muurvast zitten in hun eigen script. Wat de roman ontroerend maakt, is dat al die miscommunicatie voortkomt uit het verlangen iets voor elkaar te betekenen, bij elkaar te horen, al is het maar om een gat in zichzelf te vullen. Gerritsen heeft weinig woorden nodig om te laten zien hoe handelen uit eigen vooronderstellingen en handelen uit liefde hetzelfde kunnen zijn, elkaar in de weg kunnen zitten: ‘Het is zijn moeders hart dat hij moet beschermen. Zijn moeder, die hem troost door te zeggen dat het uitzicht mooi is.’

Het is net een puzzel, denkt Jennie als alles achter de rug is: al die moeite, om ’m daarna weer in de doos te stoppen en in de kast te zetten. Maar ondanks het open einde dat al haar romans kenmerkt, voelt De terugkeer voor Gerritsens doen bijzonder hoopvol. Zonder het tot een kern te willen terugbrengen ontwart ze het kluwen van een intergenerationeel familietrauma, en voor Max, Jennie en Johanna loont het dat ze volhardend worstelen met hun menselijke onvermogens: het gedeelde geheim waarmee ze achterblijven, smeedt ze eindelijk tot een familie.