Deze week

FAMILIEVERHALEN

EEN COËXISTENTIEEL KERSTVERHAAL
EEN ISRAËLISCH-PALESTIJNS HUWELIJK.
JERUZALEM – Het lijkt het begin van een politieke komedie. In het land van de Heiland staat een huis. De voordeur ligt in Israël, de achterdeur in Palestina. In dat huis woont een echtpaar. De vrouw is Israëlische, de man Palestijn. Als in een weerhuisje gaat zij via de Israëlische voordeur binnen en komt hij via de Palestijnse achterdeur naar buiten. Hij werkt in de Palestijnse gebieden. Zijn realiteit bestaat uit checkposten en soldaten. Zij studeert in Israël en frequenteert moderne winkelcentra. De ultieme apartheid is bereikt.
Het verhaal van de Israëlisch-Arabische Naama en haar Palestijnse man Hani begon zo’n drie jaar geleden. Ze ontmoetten elkaar op een familiefeestje in Nablus op de Westbank. Het was liefde op het eerste gezicht en enkele maanden later trouwden ze. Tot zo ver ging hun pad over rozen.
Maar gemengde huwelijken tussen Israëliërs en Palestijnen zijn niet populair in Israël. Een wet van 2003 verbiedt Palestijnse echtgenoten om bij hun geliefden in Israël te wonen. Volgens Israël was de wet om veiligheidsredenen noodzakelijk. Sinds de Intifada zijn Palestijnen met Israëlische identiteitsbewijzen betrokken bij terreuracties. Zo’n groep moet je dus weren. Israëlische mensenrechtenorganisaties betwijfelen dat en noemen de wet een collectieve straf.
Net als de 25.000 door de wet gedupeerde families stonden Naama en Hani voor de keus: scheiden of naar de bezette gebieden verhuizen. Maar een echtscheiding nog voordat het huwelijk was geconsumeerd vonden de geliefden geen oplossing. En Israëlische Naama kan onmogelijk op de Westbank leven.
Absurde situaties eisen nog absurdere oplossingen, vond Hani. Hij ontdekte het huis in Barta’a, dat door een foutje letterlijk was gehalveerd in een Israëlisch en een Palestijns deel. De legende vertelt dat de strategen in 1948 aan het einde van de bloedige Onafhankelijkheidsoorlog bijeenkwamen om de wapenstilstandgrens tussen Israël en het grensgebied van Jordanië – thans de Westbank – te bepalen. Een van hen nam een groene viltstift en zette een lijn op de landkaart. Die lijn – de zogenoemde Green line – die sindsdien de grens vormt, loopt dwars door Barta’a en het huis van Hani. De inwoners van Palestijns Barta’a zitten sindsdien met de gebakken peren, want zij mogen niet bij hun familie in Israëlisch Barta’a komen. Maar de een zijn dood is een ander zijn brood. Voor Hani en Naama is Barta’a een legale oplossing van een illegaal probleem.
Toch is het de vraag of zich nu een wildgroei van Israëlisch-Palestijnse huizen in Barta’a zal voordoen. De Israëlische overheid, ook niet op haar achterhoofd gevallen, heeft het weerhuisje ontdekt. Onlangs lag er bij het echtpaar een aanzegging tot afbraak van het huis in de bus. ‘Om veiligheidsredenen’, verzekerde de staat, alsof dat de pil zou verzachten. ‘We denken dat Israël dit gebied als veiligheidszone wil afsluiten’, zegt Hani ongerust. ‘Dan blijft er nog maar één oplossing over: onderduiken in Israël.’
De staat kan gerust zijn. Door de getroffen maatregel gaat de veiligheid erop vooruit. Weer een verdachte Palestijn minder op het lijstje van de veiligheidsdienst.
SIMONE KORKUS

OP SCHOOL BIJ RICHARD BRANSON
DE OPLEIDING VAN PEACE
JOHANNESBURG – Dagelijks strijkt in de winkelstraat van Parkview een legertje sloebers neer, die zich specialiseren in het afromen van het geldelijk surplus van de inwoners van deze gegoede buitenwijk van Johannesburg. Autowachten, beeldenmakers, collecteurs, klusjesmannen, bezemverkopers, naaisters. En de jonge vrouw met een kleuter, die voor de Spar een kartonnen bedelbordje omhoog houdt.
Hopeloos geval… Tot ik in gesprek raak met een jongen die mijn lading groente en fruit naar de auto draagt. ‘Peace’, stelt hij zichzelf voor. Eigenlijk heet hij Xolile, wat ‘vrede’ in Xhosa betekent, en een lastige klik heeft. Peace dus. Die welbespraakte Peace blijkt de zestienjarige zoon van die bedelende vrouw. ‘Mijn broer studeert in Engeland op de school van Richard Branson’, vertrouwt hij me toe, terwijl hij het net sinaasappels inlaadt.
Twee dagen later vertelt hij zijn verhaal, in een coffeeshop, waar hij heel parmantig cappuccino bestelt. ‘Veel zwarten weten niet wat cappuccino is’, zegt hij. Zelf had hij daar tot voor kort ook geen flauw idee van. Hij, zijn moeder en haar vier andere kinderen leefden op straat of op tijdelijke adressen, verspreid over Johannesburg.
Maar Peace bleek een ondernemend type. Na drie jaar zwerven en een verkrachting klopte hij aan bij de Dominican Convent School met de mededeling dat hij en zijn broers en zussen graag weer naar school gingen. De zusters lieten Peace een test doen. En ook al was zijn Engels beroerd, ze onderkenden zijn potentieel. Deutsche Bank was bereid de zesduizend euro kost- en schoolgeld per jaar op te hoesten. Tevens zorgden de zusters voor ma en haar kroost voor permanente woonruimte.
Peace, die inmiddels vlekkeloos Engels praat, laat zijn rapport zien. Uitstekende resultaten voor economie, kunst en cultuur en Engels. Zijn zeventienjarige broer Vusi deed het nog beter. Die werd dankzij bemiddeling van een bevriend blank echtpaar geselecteerd voor een beurs en vertrok vier maanden geleden naar Engeland, waar hij nu naar de hoog aangeschreven Stowe School gaat, die inderdaad Sir Richard Branson tot haar alumni mag rekenen. ‘Vusi is heel slim’, zegt Peace. ‘Hij weet alles, ook waar Mars is.’
Hierna wil Vusi naar Oxford, om voor chartered accountant te studeren. Peace zelf wil piloot worden. Of anders zakenman. Hij heeft nu een vakantiebaantje bij de bloemenzaak in Parkview. In de pauzes gaat hij naar de bibliotheek. Lezen is belangrijk. ‘Ik ben nu bezig met Animal Farm?’ zegt hij. ‘Kent u dat?’
Vusi in Engeland, Peace in de bibliotheek, zusje klassenhoofd. En ma aan de bedelstaf. ‘Nee, dat is niet goed’, beaamt Peace. ‘Maar gezien onze situatie kan ze niet anders.’ En pa? Nooit gekend. Die ging op een dag naar een werkkamp en zou twee weken later weer terug zijn… Peace schudt zijn hoofd. ‘Ik denk niet dat we allemaal dezelfde vader hebben. Ik heb het nooit durven vragen.’
FRED DE VRIES

ALS EEN ZONNEBLOEM
DE POLITIEKE FAMILIE
PARIJS – Je familie kies je niet. In Frankrijk geldt dat ook voor je politieke familie. ‘Ik ben links zoals een zonnebloem zich richt naar de zon’, schrijft Bernard-Henri Lévy in zijn vorig jaar verschenen boek Ce grand cadavre à la renverse. Tevens beschrijft de sterfilosoof hoe hij in 2007 Nicolas Sarkozy beleefd de deur wees, toen deze hem aan de vooravond van de presidentsverkiezingen probeerde over te halen om het eens bij rechts te proberen. Gemakkelijk had Sarkozy het Lévy daarbij niet gemaakt, vooral niet toen die hem confronteerde met enkele van zijn emblematische politieke familieleden. ‘Die lui je familie? Geloof je het werkelijk? Ze pissen al dertig jaar op je!’
Zoals elke familie kent ook een politieke familie altijd wel een irritant neefje of een excentrieke tante. Maar wat als dat neefje de trotskistische postbode Olivier Besancenot is en de tante de New Age-socialiste Ségolène Royal? Lévy hield voet bij stuk, immers: je familie verraden doe je niet. Twijfelen ging hij wel. Sinds de verbeten strijd om het voorzitterschap van de Parti Socialiste werd de stemming er binnen links niet beter op. Ook lager in de intellectuele pikorde is de verwarring steeds duidelijker voelbaar.
Neem mijn vriendin Florence. Ze is een onvervalste snob en komt daar rond voor uit. Zelfs als dat tot gevolg heeft dat ze in cafés buiten de hoofdstad steevast genegeerd wordt. Voordat ze haar bestelling heeft kunnen doen, is ze al weggezet als arrogante Parisienne. Ze noemt zich links op de manier zoals Carla Bruni dat eerder deed tegenover het dagblad Libération: ‘épidermiquement de gauche’, zij het dat het bij haar toch net iets meer onderbouwd is. Je bent niets voor niets lerares filosofie.
Maar uitgerekend op het lycée sloeg bij Florence de existentiële twijfel toe. ’s Ochtends in de les (rond de vraag: ‘In hoeverre is de overheid er voor haar burgers?’) begon het er al mee dat haar leerlingen riepen dat de Franse welvaartsstaat slechts uitkeringstrekkers produceert en dat zij pleitten voor inkrimping van de overheid en voor het straffen van langdurig werklozen. Tijdens de lunch werd ze door haar trotskistische collega’s in de ban gedaan, toen ze liet vallen dat ze bewondering koesterde voor de gematigd linkse politicus Michel Rocard.
Onder de overgebleven docenten ontbrandde een discussie die uitdraaide op een scheiding der geesten die zich even later manifesteerde op het trottoir: de extreem-linkse docenten rookten op het linkertrottoir, de rest op het rechter. ‘Ben ik nog wel links?’ vroeg Florence zich af. ‘Mag ik Marx doceren en Rocard bewonderen?’ Aan het einde van de dag kreeg ze toegebeten dat ze voor ‘debat’ had gezorgd tijdens de lunch. Niet meer zeker weten tot welke politieke familie je behoort is tot daaraan toe, vergeten op welk moment je daar niet over spreekt is in Frankrijk pas echt een zonde.
MARIJN KRUK

MERKELS MADONNA
OPWAARDERING VAN RAVENMOEDERS
BERLIJN – Iedere donderdag treft een steeds groter wordende groep mannen elkaar in de Berlijnse wijk Prenzlauerberg voor een vaderbrunch. Dit is geen netwerkinitiatief, maar een bijeenkomst van mannen met vaderschapsverlof. Allemaal hebben ze gebruik gemaakt van de in 2007 ingevoerde vaderschapsverlofregeling: ‘Mijn chef viel van zijn stoel toen ik hem in 2001 voorstelde om korte tijd vrij te nemen om voor mijn zoon te zorgen’, zegt advocaat Andreas Holzmann. ‘Hij had niet zozeer moeite met mijn verlof, als wel met hoe hij dit aan de buitenwereld moest verkopen.’
Tegenwoordig is dat anders. Zorgende vaders, het is een voortvloeisel van de moderne familiepolitiek van Ursula von der Leyen (50, CDU). Men kan zich geen beter gekwalificeerde minister van Familiezaken voorstellen. Ze is de derde telg uit het zeven kinderen tellende gezin van Ernst Albrecht, voormalig minister-president van Niedersachsen. Von der Leyen zelf heeft ook zeven kinderen samen met haar echtgenoot, de biotech-ondernemer Heiko von der Leyen. De gepromoveerde arts heeft razendsnel carrière gemaakt. In 2001 maakte ze haar politieke debuut in de gemeenteraad van het stadje Sehnde, in 2005 werd ze minister in het kabinet van Angela Merkel. Politiek en familie gaan bij haar hand in hand.
Het beleid van Von der Leyen kent twee speerpunten. In de eerste plaats wil ze meer moeders aan het werk krijgen. Dat betekent meer en betere kinderopvang en uitbreiding van de ouderschapsverlofregeling. Maar belangrijker is misschien haar gevecht voor de maatschappelijke acceptatie van andere gezinsvormen dan het traditionele twee-oudergezin.
Dat moeders werken is vooral in de westelijke deelstaten geen vanzelfsprekendheid. Er zijn weinig ontwikkelde landen zo tegen het idee van werkende moeders als Duitsland. Rabenmütter, ravenmoeders, worden ze genoemd, vrouwen die hun kinderen in een leeg nest achterlaten. Kritiek is er dan ook volop op Von der Leyens beleid, vooral uit haar eigen christen-democratische kamp. In het katholieke Zuid-Duitsland is de algemene opvatting nog altijd dat kinderopvang riekt naar de DDR, en dat belastingvoordeel voor werkende echtparen een aanslag is op het huwelijk. De Beierse bisschop Walter Mixa verwijt Von der Leyen zelfs dat zij vrouwen reduceert tot broedmachines van de industrie.
Toch geldt Von der Leyen als de succesvolste vrouwelijke minister in het kabinet van de kinderloze Merkel. Ze weet haar succesverhaal goed te verkopen: een knappe moeder, altijd omgeven door gelukkige, lachende kinderen, die laat zien dat een carrière en een groot gezin prima te combineren zijn. Familie, kinderzorg en vrouwenemancipatie, tot voor kort sociaal-democratische stokpaardjes, zijn inmiddels CDU-speerpunten geworden.
‘Wie werkt, wordt op zijn werk beoordeeld’ luidt Von der Leyens motto. En werken, dat doet Merkels madonna. Niet alleen voor Duitslands families, ook voor haar eigen familie. Deze Kerst verzorgt ze behalve haar kinderschare ook haar inwonende dementerende vader.
STEPHAN SWINKELS

NANNY
FAMILIEHULP IN GROOT-BRITTANNIË
LONDEN – Begin jaren zeventig verscheen The Rise and Fall of the British Nanny. In dit boek beschreef Jonathan Gathorne-Hardy de rol die de nanny van oudsher heeft ingenomen binnen Engelse upper-class-families. Vaak was de nanny eindverantwoordelijk voor de opvoeding van de kinderen, wat doorgaans met straffe hand dan wel roede gebeurde. Winston Churchill, bijvoorbeeld, zag zijn ouders zelden tijdens zijn kinderjaren. Voor de latere premier fungeerde Nanny Everest, op wie hij dol was, als een plaatsvangende mama. De freudiaan Gathorne-Hardy vermoedde dat Churchills eeuwige drang om geliefd te zijn tijdens diens kinderjaren is ontstaan.
De ‘teloorgang van de nanny’ betreft vooral de afname van haar macht. Er lopen tegenwoordig immers meer nanny’s rond dan ooit – een paar jaar terug struikelde een minister nog over het visum van de nanny van zijn vriendin – maar hun functie is meer die van goede hulp dan van heerseres van de familie. De nanny is op nóg een wijze gedemocratiseerd. Mopperend over de bemoeizucht van de staat met het leven van de burgers sprak politicus Iain Macleod in 1965 over de ‘Nanny State’. Deze term, veelal met de toevoeging ‘gone mad’, wordt gebruikt wanneer de overheid te veel intervenieert in de persoonlijke vrijheid, bijvoorbeeld door happy hours of pootje baden in openbare vijvers te verbieden. De indruk bestaat dat de overheid volwassenen als kleine kinderen behandelt, waar soms wel reden toe is.
Afgelopen jaren heeft de Nanny State ook een letterlijke dimensie gekregen. Premier Gordon Brown lijkt heilig in zijn rol als vader des vaderlands te geloven. Zo is hij van plan ieder gezin met kleine kinderen een pakket kinderboeken te sturen, heeft hij gezinnen dringend verzocht hun bord leeg te eten en krijgen aanstaande vaders ‘Dad Packs’ toegestuurd, waarin onder meer staat dat het niet netjes is om vreemd te gaan terwijl vrouwlief met een dikke buik rondloopt. Kinderen onder de vijf moeten een ‘kleutercurriculum’ met 69 leerdoelen volgen die door meerkeuzevragen worden getoetst.
Behalve deze goedbedoelde tips van overheidswege kent de Nanny State ook een financieel randje. Duizenden gezinnen uit de onderklasse zijn, soms al generaties lang, volledig van de staatskas afhankelijk. Betaalde arbeid is hier alleen bekend van de televisie. In nogal wat gevallen gaat het om gebroken gezinnen, die relatief voordelig uit zijn met Browns fiscaal-sociale politiek. Een traditioneel ingestelde columnist beweerde schertsend dat Brown niet alleen de vader van zijn eigen kinderen is, maar ook die van miljoenen andere Britse kinderen. Of met Gathorne-Hardy’s boek in het achterhoofd: wat Nanny Everest was voor Churchill, is Nanny Brown voor de Britse families.
PATRICK VAN IJZENDOORN