Familievloek

Zoals ieder mens met enig gezond verstand maak ik me soms zorgen over de onuitwisbare stempel die genen en opvoeding op mij hebben gedrukt. Nu ik stukken dichter bij de dertig dan bij de twintig ben, moet ik constateren dat de zorgen toenemen.

Misschien was het begonnen met de antroposofische arts, die tegen me zei dat mijn neus een tikje uit het lood staat. Hij zag zulke dingen vaak, meestal was het een kwestie van geboren worden uit een moeder met een scheef bekken. Thuisgekomen inspecteerde ik de stand van mijn neus in de spiegel. Die man had gelijk. Zoals Vitangelo Moscarda uit Pirandello’s Iemand, niemand en honderdduizend had ik mijn hele leven rondgelopen met een scheve neus zonder dat zelf door te hebben. In mijn vensterbank staat een ingelijste zwart-witfoto waarop mijn piepjonge ouders zich vol nerveuze verwondering over mij heen buigen, een paar dagen na mijn geboorte. Verrek! De schattigheid van mijn minuscule neusje ten spijt, hij neigt onmiskenbaar naar rechts. Al 28 jaar zit het ding midden in mijn gezicht, en dan zoiets.

In tegenstelling tot Vitangelo Moscarda, die (overigens eveneens op zijn 28ste) van zijn vrouw te horen krijgt dat zijn neus scheef staat en daarin een aanleiding ziet om als subject uiteen te vallen, lijkt mijn eigen subjectiviteit sinds het incident juist steeds solider vorm aan te nemen. Verkeerde ik tot nog niet zo lang geleden in de illusie op ieder gewenst moment mijn oude zelf te kunnen afschudden, om met compleet nieuwe gewoonten en eigenschappen weer te voorschijn te komen, nu weet ik dat er onder mijn oude zelf een oude zelf schuilt, die vervalt in precies hetzelfde gedrag als voorheen. Welke capriolen ik ook uithaal, ik kom uit bij mezelf, en die persoon bezit verdacht veel dezelfde trekjes als mijn ouders, mijn voorouders en alles wat zich daartussen heeft vertakt. Zo duidelijk als mijn neus zich aftekent in mijn gezicht ben ik behept met de angsten van mijn moeder, de starheid van mijn vader en de zwaarmoedigheid van mijn tante (ik richt me even op de schaduwkanten – het zijn nu eenmaal niet de goede eigenschappen die me ’s nachts uit mijn slaap houden). Misschien is acceptatie een volgende stap, maar zo ver ben ik nog niet. Trouwens, als ik zie hoezeer mijn koppige moeder zich soms ergert aan háár koppige moeder, om gedrag dat in feite niet veel verschilt van het hare, dan is acceptatie wellicht een stap die nooit wordt gezet. ‘Als ik ooit zo koppig word als zij’, zegt mijn moeder tegen me, ‘dan moet je me waarschuwen.’ Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat ik haar over een jaar of dertig veelvuldig aan deze uitspraak zal moeten herinneren, wanneer zij, zoals haar eigen moeder, weigert met een rollator op straat gezien te worden en ondertussen haar zelfstandigheid tot de laatste snik verdedigt.

Nu weet ik dat er onder mijn oude zelf een oude zelf schuilt

Toch valt er een hoop te relativeren, vooral als je ziet hoe het er in andere families aan toegaat. Sinds ik deze zomer het werk van de Duits-joodse kunstenares Charlotte Salomon (1917-1943) leerde kennen, ben ik in de ban van haar tragische familiegeschiedenis. Salomon was 26 jaar oud en vier maanden zwanger toen ze vanuit Zuidoost-Frankrijk, waar ze na de Kristallnacht vanuit Berlijn naartoe was gevlucht, op het transport naar Auschwitz werd gezet om daar te worden vergast. Een paar maanden daarvoor had ze haar levenswerk, een autobiografische reeks van meer dan duizend gouaches, tekeningen en teksten getiteld Leven? of theater?, in bewaring gegeven bij een bevriende arts in Villefranche-sur-Mer. ‘Bewaar het goed’, schijnt ze tegen hem te hebben gezegd, ‘c’est toute ma vie.’ Deze week verschijnt bij Cossee een nieuwe en adembenemend mooie editie van Leven? of theater?, dat op de website van de uitgeverij geheel terecht wordt aangekondigd als een ‘beeldroman van de hoogste klasse’.

Salomons levensverhaal is veelomvattend, maar draait vooral om één kwestie: overleven in een familie die zich kenmerkt door een bloedige traditie van zelfmoord. Op haar 23ste verneemt ze, daags na een mislukte zelfmoordpoging van haar grootmoeder, van haar grootvader dat haar eigen moeder niet was gestorven aan de griep maar door een sprong uit het raam. Dat de zus van haar moeder op haar achttiende de Spree in was gelopen. Dat haar overgrootmoeder acht jaar lang iedere dag een zelfmoordpoging deed, en dat haar oudoom de hand aan zichzelf legde na jaren van waanzin en een beroerd huwelijk. ‘Dat is nu eenmaal het lot van deze familie’, besluit de grootvader zijn ijzingwekkende verhaal. ‘Ze zijn allemaal zo onnatuurlijk.’ Wanneer Salomon een paar dagen later het bebloede lijk van haar grootmoeder onder het slaapkamerraam treft, weet ze dat ze een keuze heeft: ‘Een eind aan haar leven te maken of iets krankzinnig bijzonders te ondernemen.’

In een langgerekte roes voltooide ze haar grote kunstwerk. Ze werd wie ze was, en tot haar allerminst zelfgekozen einde vocht ze tegen wie ze was. In de spiegel controleer ik of mijn neus nog altijd scheef staat. Dat doet hij, en het is mijn taak hem iedere dag weer recht te denken.