Fantapolitica

Forza Italia is een applausmachine, een propaganda-apparaat, een reservoir van apparatsjiks, een computergestuurde vereniging en nog veel meer. Maar een politieke partij, nee. Het is een werkelijkheid geworden gerucht. Zuivere ‘fantapolitica’.

ROME - Voor ambitieuze en niet al te besmette Italiaanse politici leek 1993 een jaar om van te watertanden. Want wanneer in je politieke leven maak je het mee dat plotseling miljoenen mensen voor je partij beschikbaar komen? Wanneer gebeurt het dat je de deuren van je partijgebouw maar open hoeft te zetten of de nieuwe leden stromen naar binnen? De oude partijen liepen immers leeg, stukgemaakt door hun eigen leiders, die boeven waren gebleken. De legioenen die jaren lang hosanna roepend achter hen hadden aangelopen, zwierven nu doelloos rond, schreeuwend om een nieuwe leider.
Achille Occhetto watertandde inderdaad. Als leider was hij weliswaar niet nieuw, maar als chef van de grootste oppositiepartij was hij er zeker van dat het gros van de verweesde legioenen in zijn kamp terecht zou komen. In een democratie worden regeringspartijen die er een puinhoop van hebben gemaakt, toch vervangen door de oppositie?
Begin dit jaar zette Occhetto zijn ‘vrolijke oorlogsmachine’ in werking. Zo noemde hij de campagne van de Progressieven, het breedste centrum-linkse front dat ooit in Italie was gevormd, van sociaal voelende liberalen tot de oud-linkse partij Communistische Herstichting. Occhetto’s eigen ex-communistische Democratische Partij van Links was de motor van de machine. Occhetto gedroeg zich al als de premier van de regering die na de verkiezingen van maart aan de macht zou komen. Wie kon zijn opmars nog tegenhouden?
Wie had nog maar een jaar geleden kunnen vermoeden dat een van de grootste ondernemers van Italie de buit zou binnenhalen? Wie had toen kunnen voorzien dat het oude systeem zo verziekt zou blijken en de politieke leegte zo groot, dat een van de rijkste mannen van de wereld, die groot was geworden in het oude systeem en daarvan ten volle had geprofiteerd, zich met succes kon aandienen als de grote vernieuwer?
Toen in de zomer van 1993 de eerste geruchten begonnen te circuleren dat Silvio Berlusconi, schepper, ziel, eigenaar en alleenheerser van het megaconcern Fininvest, politieke ambities had, nam niemand die serieus. De eigenaar van Italies commerciele televisie en van Europa’s grootste multimediale bedrijf kon toch met goed fatsoen niet de leider worden van een grote westerse democratie? Als in het mekka van het kapitalisme de zakenman Ross Perot was ingemaakt, hoe zou Silvio Berlusconi dan ooit kunnen slagen? En waar zou hij in vredesnaam zijn partij vandaan moeten halen? Nee, ze waren onzinnig, die geruchten. Zuivere fantapolitica.
Maar juist omdat het oude systeem uiteen was gevallen, kon een buitenstaander als Berlusconi de verkiezingen winnen.
En juist daarom is de vrolijke oorlogsmachine stukgelopen, want ze werd bestuurd door een partij die werd gezien als een overlevende van het oude bestel. Occhetto en de zijnen konden niet anders redeneren dan als produkten van de oude politiek. Ze konden zich niet voorstellen dat het diskrediet van de oude regeringspartijen zich ook zou uitstrekken tot de oude oppositie, die immers volop had meegedraaid in het systeem dat ze op papier had bestreden.
Volgens een geijkt derde-wereldschema grijpen de militairen de macht als de politieke partijen er niet meer in slagen bepaalde belangen te verdedigen: de openbare orde, de waardevastheid van de munt, de grenzen, de nationale eer, de macht van een sociale kaste, de belangen van de economische machthebbers. In Italie was het nog een graadje erger: daar heeft een door justitie teweeggebrachte - en nog altijd doorrommelende - aardbeving de oude politieke leiders weggevaagd en hun partijen vernietigd of gedecimeerd. Er zijn staatsgrepen gepleegd om aanzienlijk minder.
Maar behalve in de fantasie van Donatella Di Rosa, de Mata Hari van Udine, behoorde een Apennijnse coup niet tot de mogelijkheden, al was het alleen maar omdat de legertop zelf bestond uit vertrouwelingen van het oude christen-democratische en socialistische regime. Het politieke vacuum in Italie is niet gevuld door het leger, maar door een minstens even hierarchische organisatie: Fininvest.
De leider van een van Italies grootste bedrijven besloot het roer over te nemen toen de leegte die zijn oude politieke vrienden hadden achtergelaten, gevuld dreigde te worden door links. In dat geval zou hij waarschijnlijk een groot deel van zijn tv-imperium kwijtraken, dat hij had opgebouwd dank zij speciaal voor hem gemaakte decreten van wetten. En de bedrijven, dacht hij, zouden onder de plak komen van de overheid. Berlusconi’s oplossing voor die problemen was simpel: zelf de regering overnemen.
De Progressieven hebben tijdens hun campagne honderd fouten gemaakt. Het fenomeen Berlusconi hebben ze pas begrepen toen het te laat was. Ze hebben het effect van de door Berlusconi ontketende anticommunistische hetze onderschat. Ze zijn het antwoord schuldig gebleven op Berlusconi’s beschuldigingen van 'consociativisme’, de samenwerking tussen regering en oppositie tijdens het oude regime.
En ze hebben vooral niet begrepen dat, hoe diep geworteld de linkse traditie in Italie ook mag zijn, de aanhang van rechts groter is. De Operatie Schone Handen mocht dan vooral in de oude regeringspartijen slachtingen hebben aangericht en links slechts zijdelings hebben geraakt, dat betekende niet dat de aanhang van rechts was geslonken. Het betekende dat de rechtse Italianen naar een nieuw politiek huis moesten omzien. En dat vonden ze niet bij de Progressieven - die kregen in de verkiezingen evenveel stemmen als ze vroeger als afzonderlijke partijen gezamenlijk hadden gehaald - maar bij de neofascisten, die zich op tijd in het nette jasje van de Nationale Alliantie staken, en vooral bij Berlusconi’s creatie Forza Italia.
FORZA ITALIA: Zet ’m op, Italie. Het idee van de naam is van Berlusconi zelf. Zijn oude vriend Marcello Dell'Utri, diecteur-generaal van het Fininvest-reclamebedrijf Publitalia '80, die tot taak kreeg de partij uit de grond te stampen, vond het geen goed idee, maar als Berlusconi zich iets in zijn hoofd heeft gezet, krijgt niemand het er meer uit. Forza Italia, zo'n voetbalterm spreekt toch iedereen direct aan? Is voetbal niet het enige wat de Italianen als natie bindt? En wie kende beter de wervende kracht van het voetbal dan de eigenaar en voorzitter van de beste voetbalclub van de wereld, AC Milan?
Terwijl Dell'Utri aan het werk ging, schakelde Gianni Pilo, voormalig chef van de divisie marketing van Fininvest, directeur van Berlusconi’s eigen enquetebureau Diakron, de telefonistes van Fininvest in. Hij liet ze bij de kijkers niet alleen informeren naar de waardering van de tv-programma’s, maar ook naar de populariteit van de baas. Daaruit bleek hoe geliefd hij was. Maar officieel hield hij de boot nog af.
In november vorig jaar, na de eerste ronde van de burgemeestersverkiezingen, betuigde Berlusconi zijn steun aan de kandidatuur in Rome van de partijleider van de neofascistische MSI, Gianfranco Fini. Nog maar een jaar tevoren had deze zelfde Fini aan het hoofd van vijftigduizend neofascisten Mussolini’s mars op Rome herdacht. Onder diens fameuze balkon op de Piazza Venezia werd de fascistengroet gebracht en 'Duce, Duce’ geroepen. En nu drukte Berlusconi de 'post-fascist’ Fini aan de borst en kwalificeerde hij hem als een authentieke liberaal-democraat. Daarmee werd de kiem gelegd van de nieuwe regeringscoalitie, waarbij zich later tegen wil en dank ook de leider van de Liga Noord zou voegen, Umberto Bossi.
De 'magier’ Pilo - deze maand geroyeerd als lid van de Europese vereniging van opiniepeilers - kwam er achter dat 43 procent van de Italianen Berlusconi graag de politiek in zag gaan. Daarop volgde de linkse overwinningen, bij gebrek aan geloofwaardige rechtse tegenstanders, in de tweede ronde van de burgemeestersverkiezingen op 5 december. En toen stond Berlusconi’s besluit vast.
Het is wel vaker gebeurd dat politieke partijen werden gesticht terwille van persoonlijke ambities. In Argentinie was de Justicialistische (= peronistische) Partij een creatie voor en door Juan Domingo Peron. Het gaullisme in Frankrijk dankt zijn naam en zijn bestaansgrond aan Charles de Gaulle. Maar hoort het berlusconisme - de term is in Italie al bijna ingeburgerd - op dit lijstje? Nee natuurlijk. Want het peronisme was tegelijk een ideologie waarin sociale rechtvaardigheid, economische onafhankelijkheid en politieke soevereiniteit centraal stonden, en De Gaulle had 'une certaine idee de la France’, dat hij fier tot uitdrukking bracht in militair, politiek en cultureel nationalisme ter ere van de Franse grandeur. En Berlusconi? Die moet op het eerste idee dat naar een visie zweemt nog betrapt worden. Tenzij de beloften van het paradijs op aarde een visie is.
PUBLITALIA, EUROPA’S grootste reclamebureau, is de sleutel van Berlusconi’s succes als zakenman en als politicus. Het werft immers de reclame voor zijn commerciele tv- kanalen, zijn kranten en tijdschriften, en het heeft het kader en de know-how geleverd voor Forza Italia. Het zal wel vaker zijn gebeurd dat bedrijven door politieke partijen zijn ingeschakeld. Maar het is nog nooit eerder gebeurd dat een bedrijf een partij heeft opgericht en georganiseerd. Fininvest veranderde in een stemmenmachine van Forza Italia. Berlusconi’s media belastten zich gratis met de campagne. Zijn activisten betrok hij uit zijn eigen bedrijf: tv-persoonlijkheden, producenten, advocaten, managers, reclamemensen, verkopers, woordvoerders, secretaresses, boekhouders. Fininvest viel steeds meer samen met Forza Italia. Italie moet een Fininvest in het groot worden. Het bedrijf werd een partij. En de partij werd een bedrijf.
Nee, Forza Italia is geen partij. Het is een applausmachine, een propaganda-apparaat, een reservoir van apparatsjiks, een carriere-instrument en waarschijnlijk nog veel meer, maar een partij, nee. Het is een kopie van de bestuursstructuur van Fininvest, met een almachtige president, Berlusconi. Die is aan niemand verantwoording schuldig, want hij komt niet voort uit Forza Italia, maar Forza Italia uit hem. Interne democratie bestaat niet. Clubbestuurders die om inspraak vroegen en protesteerden tegen de dictatuur van Publitalia, zijn geroyeerd. En een partijcongres is nooit gehouden. Berlusconi’s ideologie valt immers samen met die van zijn bedrijf, dat per definitie geen democratie is.
DE OPRICHTING VAN Forza Italia was een uitstekend geplande marketing-operatie. Italie werd onderverdeeld in een aantal zones. Iedere zone werd toegewezen aan een chef van Publitalia, die zoveel mogelijk clubs uit de grond moest stampen. Geld speelde geen rol, en de relaties met de bedrijven die tegelijk Berlusconi’s grote adverteerders zijn, deden wonderen.
Hier werden nieuwe clubs gesticht, daar bestaande organisaties overgenomen. Elders werden supporterclubs van AC Milan omgebouwd tot Forza Italia-clubs. In de praktijk kwam dat erop neer dat de zondagse leus 'Zet ’m op, Milan’ in de rest van de week werd uitgebreid tot 'Zet ’m op, Italie’, beide tot meerdere eer en glorie van dezelfde leider. De clubvoorzitters werden klaargestoomd voor tv-optredens en kregen instructies hoe ze moeilijke vragen moesten beantwoorden en lastige journalisten te woord staan.
Binnen de kortste keren waren er veertienduizend Forza Italia-clubs. Ze worden per computer in de gaten gehouden vanuit een kolossaal oud pand in Rome, dat na een snelle restauratie het hoofdkantoor van de beweging werd. Het ligt in een straatje dat is opgedragen aan een zeldzame deugd: de Via dell'Umilta (Nederigheidsweg). Twee van Berlusconi’s drie landelijke tv-kanalen veranderden in spreekbuizen van hun baas - en zijn dat na de verkiezingen gebleven. In de opiniepeilingen schoot Berlusconi omhoog. In veel kiesdistricten leerden de mensen alleen de kandidaten van Forza Italia kennen, dank zij de door de clubs belegde bijeenkomsten.
Forza Italia, dat wil zeggen Berlusconi, won de verkiezingen. De fantapolitica was werkelijkheid geworden. Een deel van het bedrijfsleven had de politieke macht veroverd. De tv- koning werd premier. En zijn Fininvest-ondergeschikten - managers, advocaten, showmasters, journalisten - kregen sleutelposities in het kabinet, de fractie, de parlementaire commissies en later ook in de publieke omroep en op tal van andere sleutelposten.
Geen enkel van de argumenten die de Progressieven en de centrumpartijen tegen Berlusconi hadden aangevoerd, was aangeslagen. Berlusconi was de politiek ingegaan, hadden ze gezegd, om zijn in hoge nood verkerende concern te redden, of om het zinkende schip van Fininvest op tijd te verlaten. De kiezers, hadden ze beweerd, zouden een man die zijn fortuin te danken had aan zijn uitstekende relaties met de oude politici, wel mores leren. Ze zouden niets moeten hebben van iemand zonder politieke ervaring, en nog minder van een autoritaire figuur die kritiek slecht verdroeg. Na alle corruptievuil dat naar boven was gekomen, zouden ze de eigenaar van een bedrijf dat verwikkeld was in allerlei schandalen een toontje lager laten zingen.
En wie zou er stemmen op een ondernemer die zijn politieke functie zou misbruiken voor zijn zakelijke belangen? Op iemand die niet tevreden zou zijn voor hij alle media onder controle of getemd zou hebben? Op een tv-tycoon voor wie het imago belangrijker is dan de werkelijkheid? Op een arrogante figuur die de democratie dreigde te veranderen in een telecratie? Op iemand wiens inspirerende voorbeeld Big Brother is?
ALLE CONFLICTEN waarvoor destijds is gewaarschuwd, zijn intussen uitgebroken. Berlusconi’s corruptieproblemen met justitie. Zijn belangenconflicten. Zijn overval op de publieke omroep. Zijn intolerantie tegenover de oppositie. Zijn afkeer van controle. Zijn omstreden bondgenootschap met de neofascisten. De permanente twisten tussen de coalitiepartners. De aanslag op de smalle beurs. Het groeiende democratisch tekort.
En toch gelden voor veel mensen nog steeds dezelfde argumenten die Berlusconi de verkiezingszege hebben opgeleverd. Het land is volgens hen tot nader order in veilige handen bij iemand die zijn geniale gaven uitvoerig heeft bewezen, die een wereldconcern vanuit het niets heeft opgebouwd en van AC Milan een kampioensclub heeft gemaakt. Italie, zeggen ze, kan alleen maar wel varen bij een geboren winnaar die zoveel optimisme uitstraalt en zo'n knap gezicht en zo'n mooie vrouw heeft. Uit sommige dromen is het lastig ontwaken. Forza Italia is de verkapte voortzetting geworden van de oude coalitie.
De nieuwe regeringspartijen hebben de gewoonte overgenomen om de prestigefauteuils in de overheidsinstanties toe te wijzen aan partijleden. Daarbij geldt net als vroeger een partijpolitieke verdeelsleutel, met het verschil dat nu de oppositie buiten de prijzen valt, want dat geldt als verfoeid consociativisme. Alles wat naar deelname van de oppositie zweemt, zelfs een simpele dialoog, wordt met de vloek 'Consociativisme!’ in de kiem gesmoord.
Maar er is een nieuw consociativisme ontstaan, zei de rebelse parlementsvoorzitter Irene Pivetti afgelopen zondag in een interview dat ze daarna moest tegenspreken. 'Tot gisteren hadden we een consociativisme tussen zakenmensen.’ Ze bedoelde de parlementariers en regeerders die zich nog steeds gedragen als ondernemers en het algemeen belang ondergeschikt maken aan hun particuliere belangen. Dat sloeg op de fininvestisering van de Italiaanse politiek. Als bedrijfspartij heeft Forza Italia geen enkele democratische cultuur. In Fininvest besliste Berlusconi alles zelf. Verzet was ondenkbaar.
Forza Italia heeft ook geen politieke cultuur. Daarvan profiteren vooral de post-, ex- of neofascisten van de Nationale Alliantie met hun hechte partijstructuur en duidelijke ideeen. Die zijn zich systematisch aan het meester maken van zoveel mogelijk machtsposities. Hun ideoloog Marcello Veneziani vindt dat Berlusconi de ideologie heeft van een omhooggevallen handelsreiziger. Een plan om Forza Italia en de Nationale Alliantie met elkaar te laten versmelten, zou neerkomen op een ideologische overvleugeling door de neofascisten.
Gianfranco Fini, die nu als rechtse leider populairder is dan Berlusconi, wordt de bedoeling toegeschreven Forza Italia over te nemen als Berlusconi zou worden uitgeschakeld door een dagvaarding, een motie van wantrouwen of door wat ook. Twintig parlementariers van Forza Italia hebben al laten weten dat ze naar Fini willen overstappen, maar die vindt de tijd voor een doorbraak nog niet rijp.
Als one man-show staat of valt Forza Italia met de figuur van Berlusconi. Die heeft nu opdracht gegeven zijn partij te reorganiseren. De nieuwe coordinator is zijn huisadvocaat en minister van Defensie Cesare Previti, de tweede man is zijn woordvoerder Antonio Tajani. Forza Italia moet een 'lichte partij’ worden, waarmee Berlusconi alle kanten op kan. Tot nader order volgen de legioenen gewillig. Om van te watertanden.