Terroristennetwerk Jemaah Islamiyah

Fantoom van terreur

Het netwerk Jemaah Islamiyah is telkens automatisch de hoofdverdachte van de terreuraanslagen in Indonesië. Maar achter die stelligheid gaan veel vraagtekens schuil.

Jakarta – Op donderdag 9 september is de Australische ambassade in Jakarta het doelwit van een terreuraanslag. Een zelfmoordcommando brengt een met explosieven volgestouwd vrachtwagentje op straat voor het ambassadegebouw tot ontploffing. De rookpluimen zijn nog niet opgetrokken of de daders worden al bij naam genoemd: Azahari Husin (47) en Noordin Mohamad Top (34).

Deze twee Maleisiërs zijn de belichaming van het terrorisme in Zuidoost-Azië. Volgens de Indonesische politie maken ze deel uit van het terreurnetwerk Jemaah Islamiyah, dat ook verantwoordelijk wordt gehouden voor de aanslagen op twee nachtclubs in Bali in oktober 2002 en het Marriott-hotel in Jakarta in augustus 2003.

Noordin staat vooral bekend als een genie in het overhalen van mensen om zelfmoordcommando te worden. Volgens verklaringen van gearresteerde handlangers zou hij in het afgelopen jaar zeker tien zelfmoordcommando’s hebben gerekruteerd.

Azahari, in de lokale pers vaak «Demolition Man» genoemd, is een explosievenexpert. Na een ingenieursopleiding in Engeland keerde hij in 1990 terug naar Maleisië om les te geven aan een technische universiteit. Eind jaren negentig verdween hij naar Afghanistan, waar hij gevechtstraining onderging en zich specialiseerde in het maken van bommen. Azahari zou zijn geradicaliseerd na ontmoetingen met de naar Maleisië gevluchte Indonesische moslimextremisten Abdullah Sungkar en Abu Bakar Bashir.

Deze twee laatste namen, Sungkar en Bashir, zijn onlosmakelijk verbonden met de geboorte van Jemaah Islamiyah, letterlijk islamitische gemeenschap, zo blijkt uit het uitgebreide onderzoekswerk van Sidney Jones, die tot voor kort in Jakarta gestationeerd was voor International Crisis Group (ICG).

Begin jaren zeventig stichten Sungkar en Bashir een islamitische kostschool al-Mukhmin, beter bekend als Ngruki, bij de Centraal-Javaanse stad Solo. De school ontwikkelt zich tot een centrum van islamitisch radicalisme waarvoor in het Indonesië van dictator Soeharto geen plaats is. Sungkar en Bashir hebben een droom om de mislukte Darul Islam-rebellie van de jaren vijftig nieuw leven in te blazen. Na de revolutie tegen de Nederlandse koloniale macht brak deze opstand in West-Java, Atjeh en Zuid-Sulawesi uit met als oogmerk de stichting van een shariastaat.

In 1985, na vier jaar gevangschap in Indonesië, vluchten Sungkar en Bashir naar het minder repressieve Maleisië. Op hun vluchtadres in Negeri Sembilan, ten zuiden van de Maleisische hoofdstad Kuala Lumpur, breiden ze hun netwerk uit en stichten ze de kostschool Luqmanul Hakiem. Hun gedachtegoed radicaliseert verder. Was het aanvankelijk hun wens alleen van Indonesië een islamitische staat te maken, nu streven ze een Zuidoost-Aziatisch kalifaat na.

Dat jaar dient de Indonesiër Hambali zich bij hen aan. Hij wordt de protégé van Sungkar. Samen tuigen ze een rekruteringscentrum op om jihad-strijders naar Afghanistan te sturen. Een groeiend aantal gevluchte Indonesische moslimradicalen sluit zich via hen aan bij de moedjahidien in de strijd tegen de sovjetbezetting. In de loop der jaren vestigen de veteranen zich verspreid over de regio. Hun netwerk strekt zich uit over Indonesië, Maleisië, de Filippijnen, Singapore en Thailand.

Na de val van Soeharto in 1998 verandert het klimaat in Indonesië dramatisch. De reformasi is voor veel gevluchte moslimradicalen reden om terug te keren. Sungkar overlijdt kort na aankomst in Indonesië in november 1999. Bashir hervat zijn activiteiten op de kostschool in Ngruki.

Het is kerstavond, december 2000. In elf steden, verspreid over heel Indonesië, zijn 38 kerken en priesters doelwit van bomaanslagen. Negentien mensen komen om, 120 mensen raken gewond. De politie tast in het duister. Verschillende verdachten worden genoemd, onder wie Tommy Soeharto, de voortvluchtige zoon van de gevallen president. Mogelijk is het een poging om de regering van de zeer hervormingsgezinde Wahid te destabiliseren. Meer waarschijnlijk is de aanslag het werk van moslimradicalen, maar van Jemaah Islamiyah is op dat moment nog weinig bekend.

De terreuraanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001 brengen daar verandering in. Plotseling zijn de VS, Singapore en Malei sië ervan overtuigd dat een aan al-Qaeda gelieerd terreurnetwerk actief is in Zuidoost-Azië. In december stuiten Singaporese veiligheidsagenten op plannen om aanslagen te plegen op westerse doelen in de stadstaat. De politie pakt verscheidene verdachten op. De meeste zijn getraind in al-Qaeda-kampen in Afghanistan. Volgens verklaringen van de arrestanten zit Jemaah Islamiyah achter de verijdelde aanslag. Hambali is de kwade genius.

Niet alleen Indonesiërs, maar ook veel Europese diplomaten in Jakarta reageren sceptisch. Amerikaanse waarschuwingen over het acute gevaar in Zuidoost-Azië worden een tikkeltje overspannen gevonden. Voor die houding is wel enige aanleiding, want veel inlichtingen blijken onjuist.

Zo verklaart het hoofd van de Indonesische inlichtingendienst (BIN) in februari 2002 dat in Centraal Java een handleiding voor terroris ten is gevonden. Onder de beoogde doelwitten staat ook de Nederlandse ambassade in Jakarta vermeld. Later blijkt het document vals te zijn.

Hoewel de naam Jemaah Islamiyah in 2002 een begrip wordt, is het zicht op het netwerk allerminst duidelijk. De Amerikaanse onderzoekster Sidney Jones van ICG biedt in augustus 2002 met haar rapport Al-Qaeda in Southeast Asia voor het eerst een schets van de achtergronden en ontstaansgeschiedenis van het netwerk dat uit Ngruki ontsproten is. Het rapport van de gerenommeerde instelling leest als een who’s who van moslimradicalen die aan de gewapende jihad hebben deelgenomen. Maar bewijzen voor een verband tussen Jemaah Islamiyah en al-Qaeda zijn dun, erkent Jones. Bovendien kan niet worden aangetoond dat de leiders van het netwerk ook echt opdracht hebben gegeven tot bomaanslagen.

Desondanks zijn steeds meer westerse landen ervan overtuigd dat Indonesië een broedplaats voor terroristen is geworden. De roep om hard ingrijpen klinkt steeds luider. Maar door Jakarta wordt het bestaan van Jamaah Islamiyah hardnekkig ontkend.

Ook de arrestatie van een zekere Omar al-Faruq maakt op de Indonesiërs weinig indruk. Faruq, van Iraakse afkomst, wordt in juni 2002 in Indonesië opgepakt en in het geheim aan de Verenigde Staten overgeleverd. Door de Amerikaanse autoriteiten wordt hij op een onbekende locatie vastgehouden. Niemand weet van zijn arrestatie totdat het weekblad Time op 23 september 2002 een deel van zijn getuigenissen afdrukt en hem ontmaskert als de liaison tussen Jemaah Islamiyah en al-Qaeda. Het artikel meldt dat Jemaah Islamiyah verantwoordelijk is geweest voor de kerstaanslagen van twee jaar eerder. Bashir wordt genoemd als de geestelijk leider van het terreurnetwerk.

Nog altijd reageert de Indonesische regering ambivalent. De schriftgeleerde Bashir mag zijn dagelijkse activiteiten in Ngruki ongestoord voortzetten. Hij ontvangt steunbetuigingen van islamitische politici, onder wie de vice-president Hamzah Haz. Hoewel extreem radicalen een zeer kleine minderheid uitmaken van de naar schatting 180 miljoen Indonesische moslims lijkt Bashir onaantastbaar.

Generaal Z.A. Maulani, voormalig hoofd van de inlichtingendienst, verdedigt de eigenwijze houding van Indonesië. «Waarom moeten we zo’n verhaal in een Amerikaans weekblad voor zoete koek slikken?» zegt hij tijdens een gesprek: «Waarom krijgen we zelf niet de toegang tot deze getuige?»

Drie weken na de publicatie in Time wordt de wereld op 12 oktober 2002 opgeschrikt door twee bijna simultane aanslagen op de Sari Club en Padi’s Bar in Bali. De Verenigde Naties bestempelen Jemaah Islamiyah formeel als terroristische organisatie. Ook de Indonesische hoofdrechercheur in de zaak-Bali, I Made Pastika, zegt dat de twijfels over het bestaan van het terreurnetwerk nu toch wel uit de wereld moeten zijn.

De Indonesische politie, in nauwe samenwerking met Australische rechercheurs, pakt binnen enkele maanden de hoofdverdachten van de aanslag op. Imam Samudra, Amrozi, Mukhlas, Ali Imron, kortweg de «Bali-bombers», blijken stuk voor stuk deel uit te maken van hetzelfde netwerk van Afghanistan-veteranen en alumni van Bashirs kostscholen. Desondanks weigert de Indonesische regering het bestaan van Jemaah Islamiyah formeel te erkennen en te verbieden. Het Westen reageert verbolgen. Indonesië leeft in ontkenning, klinkt het beschuldigend. Onder zware internationale druk wordt Bashir dan toch gearresteerd.

Al in december 2002 waarschuwt ook ICG dat de autoriteiten zich niet moeten blindstaren op de radicale schriftgeleerde. «Bashir weet ongetwijfeld meer dan wat hij tot nu toe heeft willen prijsgeven, maar hij is waarschijnlijk niet het brein achter de aanslagen», stelt het rapport. Binnen Jemaah Islamiyah zijn twee kampen die van mening verschillen over de strategie, aldus ICG-onderzoekster Jones. Bashir wordt intern niet radicaal genoeg gevonden. Het grootste gevaar komt van Hambali, die de functie van Faruq zou hebben overgenomen en banden onderhoudt met al-Qaeda.

Bij gebrek aan duidelijke commandostructuren is Jemaah Islamiyah moeilijk in woorden te vangen. Jones weet als geen ander het netwerk van onafhankelijke cellen van Darul Islam-overblijfselen en Afghanistan-veteranen in kaart te brengen. Ze wordt internationaal gezien als de autoriteit op dit gebied. In Washington, Brussel en andere hoofdsteden geeft ze presentaties. De buitenlandse pers kopieert bijna blind alles wat zij zegt en schrijft, meent Ken Conboy, auteur van het dit jaar verschenen boek Intel over de Indonesische inlichtingendienst. In Jakarta wordt Jones minder warm onthaald. Zij roept de regering op het beest bij de naam te noemen. Maar bijna geen politicus durft de woorden Jemaah Islamiyah in de mond te nemen, vermoedelijk uit angst ook de gematigde moslims tegen zich in het harnas te jagen.

Jemaah Islamiyah blijft daardoor lijken op een schimmig complotverhaal. Ook omdat onderzoekers, zoals Jones, zich meer dan eens laten misleiden bij de speurtocht naar verbanden, zoals begin 2003 blijkt uit een ernstige fout in een ICG-rapport. Volgens de onderzoekster zouden Sungkar en Bashir op hun beurt in de jaren negentig zijn geradicaliseerd onder invloed van een zekere Abdul Wahid Kadungga, die in het bezit is van een Nederlands paspoort en getrouwd is met de dochter van Kahar Muzakkar, de legendarische leider van de Darul Islam-rebellie in Zuid-Sulawesi.

Kadungga vluchtte begin jaren tachtig uit Indonesië en vroeg asiel aan in Nederland. In 1985 reisde hij, na een tocht via Pakistan en een moedjahidien-kamp net over de grens in Afgha nistan, naar Maleisië, waar hij de zojuist gearriveerde Sungkar en Bashir ontmoette. Volgens het ICG-verslag zou Kadungga nauwe contacten onderhouden met een prominent lid van een Egyptische terreurbrigade en diens gedachten hebben overgebracht op de schriftgeleerden uit Ngruki. Bovendien stelt Jones dat Kadungga directe communicatie moet hebben gehad met al-Qaeda. Kort daarna schrijft de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) in het jaarverslag van 2002 dat «Kadungga is gepresenteerd als de missing link tussen Osama bin Laden en Jemaah Islamiyah».

Al snel blijkt de anonieme bron op wie de passage over Kadungga is gebaseerd onbetrouwbaar. Voor de stelling van Jones ontbreekt elk hard bewijs. In januari 2003 geeft ICG een gerectificeerd rapport uit, maar Kadungga is voor die tijd al opgepakt. De politie kan echter geen bewijzen vinden dat hij betrokken zou zijn bij een terreurnetwerk. Wel betrappen ze hem op een immigratieovertreding. Hij krijgt een reisverbod opgelegd. Tot op de dag van vandaag wacht Kadungga op behandeling van zijn zaak voor de rechter.

jones gelooft nog altijd dat Kadungga een sleutelpositie inneemt binnen Jemaah Islami yah, maar op verzoeken dat te onderbouwen gaat ze niet in. In een interview bevestigt Kadungga voor een shariastaat te ijveren. Hij maakt geen geheim van zijn bewondering voor de Darul Islam-beweging. Een gewapende jihad is wat hem betreft toelaatbaar als moslims met geweld worden onderdrukt. Hij heeft ontzag voor Osama bin Laden en meent dat de Taliban in Afghanistan de ideale islamitische staat hadden gesticht. Maar hij verwerpt de bomaanslagen in Indonesië.

Kadungga vermoedt dat onwetende moslims door intriganten tot acties zijn aangezet om de voorstanders van de sharia in een kwaad daglicht te stellen. Hij vertelt dat hij kort na zijn vrijlating in 2003 is benaderd om voor de veiligheidsdienst te werken. «Maar ik ken hun spel. Ze gebruiken infiltranten om de boel op te stoken en dan vervolgens iedereen op te pakken», zegt de man in gebroken Nederlands.

Het is een bekend geluid in Indonesië. Abu Bakar Bashir heeft een vergelijkbare redenering. «De zelfmoordcommando’s hebben een nobel streven, maar gebruiken de verkeerde methoden. Ze zijn daartoe aangezet door provocateurs», is zijn uitleg tijdens een interview in de gevangenis.

Ook Maulani, oud-chef van de veiligheidsdienst, neemt de complottheorie zeer serieus. «De terroristen bestaan, daarover is geen twijfel», zegt hij: «Maar wie zit erachter? Wie inspireert hen? Er wordt getapt van Sungkars netwerk van militanten die nog altijd dromen van Darul Islam. De meerderheid van de Indonesische moslims is slecht geschoold. Het is gemakkelijk op hun frustraties in te spelen. Ze laten zich voor het karretje spannen zonder dat ze ooit zullen weten dat ze zijn gemanipuleerd.» Maulani noemt elementen binnen de Indonesische en Amerikaanse geheime dienst als schuldige: «Er is een harde kern die naar aanleidingen zoekt of ze desnoods fabriceert om elke nieuwe opleving van het Darul Islam-gedachtegoed uit te roeien.»

Bewijzen voor deze vergezochte complottheorie ontbreken. Desondanks vindt de theorie een gewillig oor bij een groot deel van het volk, van moskeebezoeker tot gezagsdrager. Het zou niet de eerste keer zijn in Indonesië dat islamitische zeloten worden gebruikt om toonaangevende moslimradicalen in de val te lokken. Een goed voorbeeld is de geboorte van Komando Jihad in de jaren zeventig. Onder leiding van het toenmalige hoofd van de veiligheidsdienst Ali Moertopo werden voormalige Darul Islam-strijders door infiltranten opgezweept om zich opnieuw te organiseren. Op het hoogtepunt van de beweging in 1977 werden bijna tweehonderd moslimradicalen opgepakt op verdenking van betrokkenheid bij deze Komando Jihad, een valstrik van Ali Moertopo zelf.

Terug naar 2003. Ondanks alle aanwijzingen verloopt het proces tegen Bashir moeizaam. De zaak rammelt. De politie blijkt geen getuigen te hebben die voor de rechter kunnen verklaren dat hij geestelijk leider is van Jemaah Islamiyah en betrokken is geweest bij het beramen van de aanslagen. De drie ter dood veroordeelde Bali-bombers en 29 andere medeplichtigen weigeren een belastende verklaring af te leggen. Het enige harde bewijs dat de aanklager blijkt te hebben zijn schriftelijke verklaringen van Faruq. Maar de rechter oordeelt dat deze ontoelaatbaar zijn. Een optreden in levenden lijve is uitgesloten. De Amerikanen weigeren Faruq naar Indonesië te brengen. De verklaringen via een videolink van een in Singapore vastgehouden vermeende terrorist maken op de rechter weinig indruk. De openbare aanklager zit verlegen om een stergetuige, iemand als Hambali, op dat moment de meest gezochte Indonesiër ter wereld.

Op 5 augustus 2003 komen twaalf mensen om bij de aanslag op het Marriott-hotel in Jakarta. Ruim 150 mensen raken gewond. Een week later wordt Hambali, het vermeende brein achter de actie, in een dorp ten noorden van de Thaise hoofdstad Bangkok door Amerikaanse en Thaise geheim agenten gevangen genomen. Hambali zou een fatwa van Osama bin Laden om aanslagen te plegen in Zuidoost-Azië aan Jemaah Islamiyah hebben overgebracht. De sleutelfiguur van het terreur netwerk in de regio is met de arrestatie uitgeschakeld. Ook hij wordt afgevoerd naar een onbekende locatie.

De arrestatie komt te laat om het proces tegen Bashir te beïnvloeden. In september 2003 wordt de schriftgeleerde vrijgesproken van terrorisme. Volgens de rechter heeft hij hooguit deelgenomen aan subversieve activiteiten en een immigratieovertreding begaan. Daarvoor krijgt hij vier jaar gevangenisstraf opgelegd. Enkele maanden later wordt die straf in hoger beroep met een jaar verminderd. Bashir blijkt alleen schuldig aan valsheid in geschrifte, aldus het vonnis. Het Indonesische Hooggerechtshof besluit ten slotte tot een halvering van de gevangenisstraf.

De verwachting dat Hambali’s arrestatie meer duidelijkheid zou scheppen over Jemaah Islamiyah loopt uit op een teleurstelling. De vangst wordt gezien als een pijnlijke klap voor het netwerk, maar het plaatje wordt juist steeds diffuser. Net als Faruq weigeren de VS ook Hambali te laten getuigen in Indonesië. Sterker nog, de Amerikanen ontzeggen de Indonesische opsporingsautoriteiten elke toegang tot hem.

Met Bashir, Faruq, Hambali en tal van anderen in het cachot verschuift de aandacht naar Azahari en Noordin, verdacht van betrokkenheid bij vrijwel alle terreuracties sinds de kerstaanslagen van 2000. Telkens ontsnappen ze ternauwernood aan de klopjacht. Ze vluchten op Java en Sumatra van de ene huurwoning naar de andere. Verschillende keren worden explosieven, kunstmest of zelfs klare bommen gevonden. Ook worden mensen opgepakt die hen hebben laten onderduiken. Maar Azahari en Noordin lijken ongrijpbaar. In Indonesië vragen steeds meer mensen zich af of ze wel echt bestaan.

In mei 2004 heeft Bashir zijn tijd uitgezeten, maar direct na vrijlating wordt hij opnieuw gearresteerd. Indonesië heeft inmiddels een strengere antiterreurwet aangenomen en de politie verwacht Bashir nu wél op terrorisme te kunnen pakken. Maar over welke nieuwe informatie beschikken ze?

Het antwoord ligt bij Mohamed Nasir Ab bas, die in april 2003 werd opgepakt en al snel bereid was met de politie samen te werken. Hij verklaarde dat hij in 1999 van Hambali een bericht had ontvangen met de boodschap dat Bashir de nieuwe «emir» van Jemaah Islamiyah was geworden na het overlijden van Sungkar. In 2001 zou Nasir door Bashir zijn ingezworen als hoofd van de afdeling Mantiqi III, die het geografische gebied van Oost-Indonesië, Brunei, Sabah en de Filippijnen omvat.

Maar tijdens een ontmoeting op een geheime locatie eerder dit jaar spreekt Nasir zichzelf verschillende keren tegen. Ook de data wijken af van hetgeen hij volgens de politie had verklaard. Niet veel later blijkt de zaak tegen Bashir opnieuw als los zand uit elkaar te vallen. Nasir verklaart in augustus in een interview met Associated Press dat Bashir een doodgewone schriftgeleerde is. Van enige betrokkenheid bij terreuraanslagen is hem niets bekend. Jemaah Islamiyah is wat hem betreft helemaal geen terroristische organisatie.

Sidney Jones is niet meer welkom in Indonesië. In juni 2004 liep haar Indonesische werkvergunning af. Onder druk van de inlichtingendienst kreeg ze niet de gebruikelijke verlenging. De beslissing lokte internationaal stevige kritiek uit. Het werd gezien als het zoveelste teken dat Indonesië liever niet de feiten onder ogen ziet. Auteur Ken Conboy heeft een andere verklaring. Jones had in een ICG-rapport een geheim agent van BIN die in het netwerk van Jemaah Islamiyah was geïnfiltreerd met naam en toenaam genoemd. Drie maanden later werd de man dood gevonden in de Molukken. Toen de werkvergunning van Jones afliep, zag de inlichtingendienst de kans schoon om zich van haar te ontdoen, denkt Conboy. De onderzoekster werkt nu vanuit Singapore voor ICG.

De nieuwe president van Indonesië, Susilo Bambang Yudhoyono, heeft gezegd Azahari en Noordin binnen honderd dagen te zullen vangen. Jones waarschuwt dat er nog tien andere terroristenleiders actief zijn. Jemaah Islamiyah is nog altijd geen verboden organisatie in Indonesië. In Irak werden begin deze maand twee Indonesische vrouwen ontvoerd. De gijzelnemers eisten vrijlating van Abu Bakar Bashir. De radicale schriftgeleerde verwierp de actie. De twee vrouwen zijn inmiddels vrijgelaten. Het nieuwe proces tegen Bashir is deze week begonnen.

Het einde van Jemaah Islamiyah is niet in zicht.