Fantoompijn een onontkoombare behoefte aan versmelting

Charlotte Mutsaers, Rachels rokje. Uitgeverij Meulenhoff, 311 blz., f39,90
Hoe komt het dat ik na lezing van de nieuwe roman van Charlotte Mutsaers ontdaan ben, terwijl het verhaal dat zij vertelt zo'n vederlichte indruk maakt, monter zelfs, vol grillige wendingen, boordevol mooie zinnen? De speelsheid waarmee een reeks van beelden en woorden caramboleren, deed mij denken aan de op het oog zo vrolijke boeken van Raymond Queneau.

Vlak nadat ik de roman uit had, componeerde ik al mijn recensie, waarin ik het accent zou leggen op het niet te onderschatten vermogen van de schrijfster over tederheid en affectie te schrijven zonder in de valkuilen te stappen van weemakende sentimentaliteit aan de ene en cynische ironie aan de andere kant. De zorgvuldige stijl manoeuvreert zich - inderdaad vederlicht - tussen die valkuilen door.
Een andere kwaliteit van de roman is dat sprookjes uit de kindertijd, kinderboeken en liedjes in de roman worden aangehaald op zo'n manier dat je ze als met de ogen van een kind kunt herlezen. Ze worden niet met de blik van de volwassene geinterpreteerd, maar met het oor van het kind dat zeer gevoelig is voor de hints die erin schuilgaan, voor het miniemste geluid dat de onzichtbare (maar zeer nabije) aanwezigheid van gevaar en geluk verraadt. De schrijfster blijkt daar een begenadigd lezer die door zorgvuldige maar onnadrukkelijke lectuur een zwerm van vermoedens rond (kinder-)boeken hoort zoemen waar mijn oor doof voor was. Zij vertelt het verhaal van een meisje van nog geen dertien bij wie de bliksem inslaat als zij haar taaldocent voor het eerst ziet: ‘Daar, in de deuropening, vermomd als taalleraar, haar zwarte evenknie! Ben je dan eindelijk gekomen?’
Rachel’s rokje vertelt van deze coup de foudre, die het meisje onder stroom zet en waarvan de uitwerking dertig jaar later pas zichtbaar wordt, als zij haar leraar op een vluchtheuvel in de stad tegen het lijf loopt. Dan krijgt ze ineens de kans hem te laten weten wat ze als kind nog niet kon duidelijk maken. Op die vluchtheuvel, in een snerpende kou, slaat de bliksem voor de tweede keer in. En weer verwarmt zij, kind dat zo lang in de kou heeft gestaan, zich aan hem. Eindelijk lijkt er iets te kunnen worden goedgemaakt van wat zo hopeloos fout was gelopen.
Mijn sympathie ging uit naar het standpunt dat ik in de roman las: het standpunt dat opkomt voor de droom, het onstuimige verlangen dat zich niet door een verstandig oordeel, door het realisme van degene die alles al heeft meegemaakt, laat beknotten. Sommige gevoelens zijn absoluut, daar helpt geen leerboek uit het leven iets aan. En ook al kan over die absoluutheid niet worden gesproken, dan hoeft men er nog niet over te zwijgen.
Knap, zo dacht ik bij het eerste ontwerp van mijn recensie, dat een schrijfster zonder volwassen dedain over zo'n blikseminslag weet te schrijven, zonder het vocabulaire dat de meesten gereed hebben liggen wanneer een schoolmeisje wordt gegrepen door haar leraar: dweepziek, overspannen puberale fantasie, kalverliefde, gaat wel weer over. Die woorden worden in de roman uitbesteed aan de moeder van het kind.
Die moeder komt er in het boek niet best af: zij is de heks uit het sprookje. Een loeder, dat het kind op alle manieren weet te krenken, misschien (de reden wordt niet uitgesproken) omdat het zich niet als haar troeteldier wil laten gebruiken. De passages waarin de moeder optreedt, maken dat je als lezer (althans zo verging het mij) al lezend de indruk krijgt dat het hele verhaal over de coup de foudre, die twee keer toeslaat over een periode van dertig jaar, een andere lading dekt: het verhaal van een motherless child. Het hele verhaal van die onontkoombare behoefte aan versmelting komt voort uit een pijnlijk gemis.
Zo las ik het boek in eerste instantie: de hele geschiedenis van de verliefdheid van het meisje op de leraar (maar de term 'verliefdheid’ dekt hier allerminst de lading) is niet veel meer dan een dekmantel, een herkenbare camouflage. Het hele boek zou je kunnen lezen als een poging dit gemis te compenseren.
Nu nog denk ik dat dat het geval is, maar op een heel andere manier dan ik na eerste lezing bedacht. Toen viel mijn oog vooral op de compositie van de roman en op de ontelbare rijmen van alle details die een ondoorzichtig netwerk van betrekkingen aangaan. Toen al wist ik dat de roman niet valt samen te vatten en zeker niet zoals ik het hier heb gedaan: dat het boek gaat over een coup de foudre die twee keer inslaat.
In de eerste plaats valt het niet samen te vatten omdat bij zo'n samenvatting de allerbelangrijkste details worden overgeslagen of weggepoetst. In de tweede plaats kan dat niet omdat er in de roman niet over iets wordt geschreven, omdat er hooguit iets wordt getoond dat zich niet laat beschrijven. Hoe zou ik het dan kunnen benoemen, laat staan samenvatten?
In de roman worden zevenendertig plooien van Rachel S. Stottermaus afgevlooid, zevenendertig hoofdstukjes vertellen over ervaringen in het ouderlijk huis, over de eerste blikseminslag op dertienjarige leeftijd en over de tweede, dertig jaar later, wanneer haar vroegere leraar Douglas Distelvink haar voor een aanstormende autobus wegrukt.
In de roman wordt hij toepasselijk Rokriem genoemd, want hij houdt al die plooien in het rokje van Rachel, al die plooien van herinneringen, fantasieen en muizenissen, bijeen. Hij biedt dit wervelende rokje houvast. Onder zijn ceintuur ontdekt Rachel de wet van de passie: hondetrouw. Na deze plooien van een ruisende textuur, volgen tweeentwintig sessies waar de schrijfster zich voor de rechters verantwoordt en alle plooien nog eens op ongerechtigheden worden onderzocht.
Tussen de plooien en de sessies krijgt de lezer nog een intermezzo te lezen, maar in een boek waar je vooral tussen de regels door moet lezen, is dat allerminst een tussendoortje. Skatsjok heet dat intermezzo, een term waarmee een overgang in de Russische volksmuziek wordt aangeduid, de plek waar majeur plotseling verandert in mineur. Daar moet Rachel een derde blikseminslag verwerken: Distelvink is als door de bliksem getroffen en op slag dood. Skatsjok. Charlotte Mutsaers heeft de term eerder gebruikt, in De markiezin, als aanduiding voor zo'n onverwacht moment waarop een bepaald woord plotseling ontreddering teweeg kan brengen. In De markiezin geeft ze een ander voorbeeld. Het kan zich bij de haard voordoen: 'Er valt iets haperend door de schoorsteen naar beneden. Doordat het meteen in het vuur van de kachel terechtkomt, zal ze nooit weten wat het is geweest: een vleermuis, een klomp roet of iets anders.’ Let in dit citaat op het woordje 'haperend’. Het geluid heeft het oor geraakt omdat er iets niet in de haak was, maar de paraatheid van het zintuig komt te laat om het nog door te geven aan het oog. Die incongruentie (wel gehoord, niet gezien) wordt de voedingsbodem van vermoedens.
In het intermezzo van Rachels rokje schiet de verbeelding te hulp om de kortsluiting tussen de zintuigen ongedaan te maken. Ook daar moet de verbeelding een incongruentie verhelpen: de gewaarwording van iets wat er ooit was bij geruchte (een deel van het gevoel) maar dat in het vuur is gevallen (zonder dat het is gezien).
Nu, ruim drie weken later, is het lont dat in de roman ligt te smeulen afgegaan en moet ik het eerste ontwerp van mijn recensie herzien. Nee, niet zozeer herzien, maar er iets aan toevoegen. Drie weken lang heb ik het boek in mij rond gedragen, er bij tijd en wijle over nadenkend, omdat ik sommige passages niet kon plaatsen. Raadselachtig waren voor mij de plooien twee en dertien. In plooi twee wordt verteld hoe Rachel als tienjarig kind in afwachting is van de auto die haar geliefde meter gewoontegetrouw bij hun huis zal afzetten. Popelend wacht ze op de kerstcadeaus die haar tante zal meebrengen. Ook ditmaal komt de kerstauto vol verwachting, maar hij brengt iemand anders mee. En die persoon zorgt voor iets dat Rachels wereld aan flarden zal scheuren. Haar vader wordt van haar weggerukt. 'Je foute achternaam zal je achtervolgen als een zwarte vlerk’, bijt het mens haar nog toe wanneer het onheil al is geschied. Het voorval wordt zo ingehouden verteld, dat ik er als lezer niet bij kon komen.
In plooi dertien wordt een voorval uit de geschiedenis beschreven dat met de rest van de roman lijkt te dissoneren. Daar wordt een beschrijving gegeven van een bezoek dat de kinderen van Bormann afleggen bij de maîtresse van Himmler. Die laat hen een kijkje nemen in een gruwelkamer. Ontredderd nemen ze afscheid. Dan staat er te lezen: 'Bijna dertig jaar later worden de beide benen van Martin Bormann bij een verkeersongeluk verwoest.
Gelukkig heette hij niet Marlene Dietrich, maar toch.’ Zo'n laconieke wending tekent de stijl van Charlotte Mutsaers. Dan volgt een tweede zin. Bijna veertig jaar later is Bormann totaal vergrijsd. Voor het eerst in zijn leven durft hij in het openbaar te zeggen dat hij van zijn vader heeft gehouden. De reactie luidt: 'Ofwel U heeft geen gevoel. Ofwel U kunt er niet bijkomen.’
In de roman wordt heel subtiel de wereld van verschil die de woorden 'houzee’ en 'hoezee’ oproepen uit de doeken gedaan en men zou eens moeten beluisteren hoeveel tonen de woorden zwart en wit in het boek hebben. Zoals in alles moet men in deze roman het tegenschrift lezen. Zoals de naam van Rachel S. Stottermaus een anagram is van de naam van de schrijfster, zo bergt elk woord een reeks anderen onder zich. Maar mij gaat het hier om de geamputeerde benen van de zoon van Bormann en het gevoel.
Om nu uit te leggen waarom de roman in tweede instantie zo'n explosieve nawerking op mij had, moet ik een omweg maken. Stel dat het gevoel een gezicht had, ik bedoel dat je het zou kunnen kammen, borstelen of het 'sochtends onder de kraan houden, dan zou het gevoel tenminste tastbaar zijn. En zichtbaar. Kaalhoofdig gevoel. Emoties met borstelige wenkbrauwen, de sentimenten van haarwimpers. Je hebt mooie gezichten, lelijke, maar je kunt er mee voor de dag komen. Geen gevoel, dat is geen gezicht. Maar stel dat er een granaat in je gezicht is ontploft en de artsen met kunst en vliegwerk het overblijvende deel wat opkalefateren? Denk eens aan dat mismaakte gezicht, waarin alleen de ontsteltenis nog zijn uitdrukking heeft, maar dat niet meer kan lachen, eten, niet meer kan zeggen 'ik hou van jou’. Van dat mismaakte gevoel (wat nog iets anders is dan een gevoel van mismaaktheid) laat de roman een glimp zien. Je kijkt even in een wond waar het vel overheen is getrokken. De roman laat iets zien, tussen de regels door, van het definitief ontbrekende deel van het gevoel; iets wat niet meer kan worden gecompenseerd, hooguit gecamoufleerd.
In een vroegere bundel met 'stukjes’, Kersebloed, heeft Charlotte Mutsaers een foto opgenomen van een soldaat wiens neus en mond zijn weggeschoten. 'Toen ik die foto voor het eerst zag’, merkt ze daar op, 'bracht ik meteen mijn hand naar mijn neus. Pas toen viel het me op dat het weggeschoten stuk de vorm heeft van een neus. Ik duizelde. Het ongelooflijke fenomeen dat iets dat er niet is een vorm heeft en dat die leegte van die vorm dan ook nog omgekeerd en uitvergroot datgene oproept waarvan hij de plaats had ingenomen.’
Dat vond ik het onthutsende aan deze roman: dat ze mij weken na eerste lezing iets liet zien van een gevoel waarvan ooit een deel werd weggeschoten, en waarvan de fantoompijn wordt bestreden met het verhaal van een onmogelijke coup de foudre. Als je onder een sublieme ervaring de gewaarwording verstaat van een niet te vatten, laat staan te beschrijven ontsteltenis, dan is dit een subliem boek. Het is zo'n boek waarvan ik zeker weet dat ik het nog ettelijke malen zal herlezen omdat het iets zeer belangwekkends op het spoor is.