De voormalige DDR blijft achter

Fantoompijn in het Oosten

‘Maar wat ik vandaag de dag nog steeds zeker weet over Oost-Duitsland, is dat ik daar een leven had. Een ander leven. En soms verlang ik daar op pijnlijke wijze naar terug.’

Penkun, een stadje in voormalig Oost-Duitsland, is nu een van de armste plekken van het land © Hermann Bredehorst / Polaris Images

Wat is je probleem?’ placht mijn man, een West-Duitser, mij vroeger altijd te vragen als we ruzie maakten over Oost-Duitsland. We bekvechtten dan over de vraag waarom Duitsland nog steeds verdeeld was – in economisch, sociaal en cultureel opzicht. ‘Wil je dan de ddr weer terug hebben?’ vroeg hij me. Dan schudde ik steevast mijn hoofd, en zweeg beledigd. Dat met het Oosten, dat kon je aan een westerling gewoon niet goed uitleggen. Te tegenstrijdig, te ingewikkeld, te veel gevoelens.

Vandaag de dag vraagt hij me dat niet meer. In de loop van onze jarenlange relatie hebben we zó vaak en zó hevig geruzied over Oost-Duitsland, dat we er nu klaar mee zijn. En om eerlijk te zijn weet ik, na die lange tijd die is verstreken sinds de val van de Berlijnse Muur, na bijna drie decennia, soms zelf niet eens meer wat er nog waar is van mijn herinneringen, en wat niet. Herinneringen verschrompelen in de loop van een leven, ze worden vaag en vaak zelfingenomen. Maar wat ik vandaag de dag nog steeds zeker weet over Oost-Duitsland, is dat ik daar een leven had. Een ander leven. En soms verlang ik daar op pijnlijke wijze naar terug.

Het is een fantoompijn: tientallen jaren geleden, bij de Duitse hereniging, werd er iets van mij geamputeerd, iets etterends, iets dat me niet goed deed. Maar zelfs vandaag de dag doet het litteken soms nog pijn. Ik zou eigenlijk blij moeten zijn dat de ziekte voorbij is; zonder die operatie had ik me immers nooit kunnen ontwikkelen tot de persoon die ik nu ben. Toch mis ik iets, maar wat?

Afhankelijk van wie ik over mijn afkomst vertel – West- of Oost-Duitsers – moet ik mijzelf verantwoorden of hoef ik bijna niets uit te leggen. Als het gesprek over mijn afkomst gaat, verwachten West-Duitsers een zekere dankbaarheid. En dat terwijl niet zij, maar de Oost-Duitsers de politieke gebeurtenissen van de herfst van 1989 mogelijk hebben gemaakt. ‘Ben je blij dat de muur is gevallen?’ is de klassieke vraag. Of men gaat ervan uit dat er sprake is van overeenstemming over de evaluatie van het verleden. ‘Waarom zijn jullie niet gewoon tevreden en houden jullie niet op met klagen?’ Zoiets. Ik weet niet wat me meer stoort.

Eén ding is duidelijk: het feit dat je uit Oost-Duitsland komt, is in Duitsland nog steeds een biografische tekortkoming. Het ontbreekt ons – de voormalige ‘kinderen van het socialisme’ – aan iets wat we niet zo goed kunnen opeisen. Laten we het respect noemen, of interesse. En voor nog steeds veel te veel Oost-Duitsers: economische en sociale participatie.

In de Duitse media en in het wetenschappelijk onderzoek is zojuist een verhit debat losgebarsten over de vraag of de Oost-Duitsers nu voldoende betrokken zijn bij de macht. En of er geen quotum voor Oost-Duitsers moet komen – zoals dat ook bestaat voor vrouwen of migranten. Die vraag is urgent omdat er komend najaar in drie Oost-Duitse deelstaten verkiezingen zullen plaatsvinden. In Saksen, Thüringen en Brandenburg heeft een zorgwekkend aantal burgers de neiging om dertig jaar na het einde van de ddr, die zichzelf als een socialistische staat beschouwde, op extreem-rechts te stemmen.

Het xenofobe Alternative für Deutschland (AfD) gaat in alle drie die deelstaten bijna gelijk op met de oude volkspartijen, die tot nu toe vanzelfsprekend de regeringen konden vormen. Vooral de conservatieve Christen-Democratische Unie (cdu) en de Sociaal-Democratische Partij van Duitsland (spd) verliezen hun vaste kiezers aan de vijanden van de democratie. Een van de redenen – een van de vele mogelijke redenen – is het gebrek aan vertegenwoordiging van de Oost-Duitsers in de sociale en politieke machtsposities.

Op het eerste gezicht lijkt dit quotadebat absurd. Vergeleken met de Oost-Europese landen was de overgang van het postsovjettijdperk naar de sociale markteconomie voor de Oost-Duitsers heel makkelijk. Wie vandaag door Saksen of Mecklenburg reist, ziet gerestaureerde straten en mooie plekjes. De Duitse staat functioneert relatief soepel en laat zijn burgers grotendeels met rust. En toch zijn er grote verschillen tussen Oost en West – op het gebied van de machtsposities en van het vermogen.

Hoewel ongeveer zeventien procent van de Duitse burgers uit Oost-Duitsland komt, is volgens een recent onderzoek slechts 1,7 procent van de Oost-Duitsers vertegenwoordigd in de topfuncties van politiek, bestuur, economie, wetenschap en cultuur. Geen enkele Duitse universiteit heeft een rector van Oost-Duitse afkomst. Geen enkel aan de Duitse dax-beurs genoteerd bedrijf betaalt belasting in Oost-Duitsland. Bij de federale overheid met haar goedbetaalde banen bedraagt het aandeel van de Oost-Duitsers onder de afdelingshoofden slechts drie procent. Bijna dertig jaar na de Duitse hereniging komt slechts dertien procent van de rechters bij de Oost-Duitse rechtbanken uit het Oosten. Zelfs in de besturen van de Oost-Duitse gemeenten is slechts een kwart van de hoge ambtenaren ‘van hier’.

Het maakt echter wel verschil of er vonnis wordt gesproken door een rechter die bekend is met de levensomstandigheden van de mensen over wie hij oordeelt. Of dat een hoge ambtenaar in het stadsbestuur de gemeente en haar geschiedenis al lang kent, en dus weet wat hij moet doen en hoe hij zijn beslissingen moet communiceren. De nog steeds ononderbroken suprematie van West-Duitsers in de machtsposities van de democratie wekt bij veel Oost-Duitsers het diffuse gevoel dat ze niet betrokken zijn, en niet gezien worden met hun ervaringen en waarden. Velen voelen zich nu nutteloos.

Het gebrek aan vertegenwoordiging van Oost-Duitsers kan zo veel jaren na de hereniging niet meer worden verklaard door een gebrek aan bekwaamheid. Het is eerder zo dat de netwerken van de West-Duitse ambtenaren nog steeds perfect functioneren. En dat het vooroordeel dat West-Duitsers geschikter zijn voor leidinggevende functies nog steeds springlevend is. Het principe dat West-Duitsers West-Duitsers bevoordelen is hetzelfde als bijvoorbeeld bij vrouwenquota.

De rechts-populisten breien aan de mythe van het slachtofferschap van de Oost-Duitsers

Bovendien hebben zeer weinig grote bedrijven zich in Oost-Duitsland gevestigd, evenmin als onderzoeksinstellingen of federale bestuursafdelingen die door de regering worden gefinancierd. Van de 217 federale instellingen hebben er 194 hun hoofdvestiging in het westen en 23 in het oosten. Dat is slechts 10,6 procent. Een wet die in 1992 door de eerste gezamenlijke Duitse Bondsdag werd aangenomen, volgens welke dergelijke goedbetaalde en gekwalificeerde banen eerlijk tussen Oost en West moeten worden verdeeld, wordt gewoonweg niet nageleefd.

Arbeidsbureau in Guben, voormalig Oost-Duitsland © Ulrich Baumgarten / Getty Images

Aan de andere kant is het verschil ook nog steeds duidelijk als het om geld gaat. In een recent onderzoek van de Hans Böckler Stichting, die dicht bij de vakbonden staat, werden armoede en rijkdom in Duitsland geanalyseerd. Als je de kaart bekijkt, lijkt het alsof de ddr nog steeds bestaat, binnen de grenzen van 1990. Hoewel er ook enkele West-Duitse districten in het Saarland, het Ruhrgebied en Nedersaksen zijn waar de mensen nog geen 20.000 euro per persoon per jaar verdienen, is zo’n laag inkomen in heel Oost-Duitsland de norm. Het inkomen per hoofd van de bevolking is daar in slechts zes van de 77 districten hoger dan 20.000 euro.

Toch gaan de ontwikkelingen in de goede richting, namelijk in de richting van gelijke levensomstandigheden. Wij Oost-Duitsers liggen tenslotte nog maar vijftien procent achterop ten opzichte van onze West-Duitse broeders en zusters. Maar de generatie die in 1989 alles riskeerde, die door de ineenstorting van de ddr alles verloor en in sommige gevallen nooit meer werk heeft gevonden – die mensen zullen niet meer profiteren van deze ontwikkeling.

Vooral nu de deelstaatparlementen worden gekozen, is ons geduld voorbij. De rechts-populisten van Alternative für Deutschland, die zelf niet aan de hendels van de macht zitten, breien dat het een lieve lust is aan de mythe van het slachtofferschap van de Oost-Duitsers. En in feite hebben ze helaas nog gelijk ook. Het gebrek aan vertegenwoordiging van de Oost-Duitsers is zo duidelijk en zo onmiskenbaar dat de democratische partijen – zij het aarzelend – hun ontkenningen hebben laten varen, zodat ze elkaar nu kort voor de deelstaatverkiezingen overtreffen met beloften en blijken van waardering voor de Oost-Duitse kiezers.

Wat decennialang is afgedaan als kleinzerigheid en gezeur, wordt plotseling een ‘biografische breuk’ genoemd. De deïndustrialisatie van hele regio’s en de structurele benadeling als gevolg van een gebrek aan financiële reserves en erfenissen wordt nu bestempeld als een ‘sociale transformatie’. En plotseling vallen alle partijen, die onze stemmen nu nodig hebben, over elkaar heen met hun waardering voor onze ‘levensproductie’.

Decennialang hebben de politici de problemen van Oost-Duitsland dapper geloochend. Nu de rechts-populisten ongeveer twintig procent van de stemmen in de wacht dreigen te slepen, is de democratie in gevaar. En nu zijn ze er opeens allemaal, schudden ze bezorgd hun hoofd en vragen ze waar ze kunnen helpen. Maar het is vaak te laat om nog te helpen. In het Oosten, tussen Maagdenburg en Dresden, tussen Rostock en Suhl, zijn er nogal wat verliezers van de ‘Wende’. Het is de generatie van de zestig- tot zeventigjarigen, die 1989 enerzijds associëren met een gevoel van grote hoop en anderzijds met een diepe teleurstelling en voortdurende minachting door het Westen. De jongere, goed opgeleide mensen, vooral de vrouwen, zijn na de hereniging al lang naar het Westen of naar het buitenland gegaan, waar goed betaald werk is. Velen die daar niet in geslaagd zijn, wonen nog in het Oosten. En in het besef van hun minderwaardigheid nemen zij nu wraak bij de stembus.

Ik ben een van hen. Maar ik neem geen wraak. Waarom zou ik ook? Het leven heeft het goed met mij voor gehad, beter dan met veel andere voormalige ddr-burgers. Ik ben ook helemaal niet iemand die eeuwig klaagt. Toen de muur viel, was ik 24 jaar oud, en woonde ik precies op het grensvlak tussen Oost- en West-Berlijn. Ik ben getrouwd met een man uit het Westen, heb twee kinderen opgevoed en kan van mijn karige salaris rondkomen. Geld is voor mij geen doorslaggevende factor voor tevredenheid – zolang er genoeg van is, ben ik blij dat ik mezelf kan verwezenlijken. Dat kan voor een deel ook het gevolg zijn van mijn Oost-Duitse opvoeding. Als ik echt arm zou zijn, en afhankelijk van staatssteun en de welwillendheid van de politiek, zou ik het waarschijnlijk heel anders zien.

Mijn ouders waren in 1989 even oud als ik nu. Zij werden onmiddellijk werkloos en hebben nooit meer werk gevonden. Tot op de dag van vandaag weigeren ze echter de ‘Jammer-Ossi’ uit te hangen. Ze zijn nu allebei de tachtig gepasseerd, lezen drie kranten per dag en verbreken op voor mij verrassende wijze iedere vriendschap of relatie met mensen die alleen maar willen zeuren. Van hen heb ik geleerd het Oost-Duits-zijn te begrijpen als een waardevolle ervaring, als een biografisch extraatje ten opzichte van de West-Duitsers, wier leven sinds de val van de muur nauwelijks is veranderd.

Eigenlijk praat ik graag over mijn Oost-Duitse afkomst. De tijd rond 1989 te hebben meegemaakt, met zijn grote euforie, grote politieke onzekerheid en wankelmoedigheid, is een biografisch voorrecht. Ik mag zeggen dat ik erbij ben geweest. De jaren negentig, die de cultuurgeschiedenis van vandaag de dag zich herinnert als de wilde jaren in Oost-Berlijn of de techno-underground van Leipzig, waren echt verwoestend voor de gewone mensen in het Oosten. Het bestaan ging op de schop, eeuwenoude industriële sectoren en de bijbehorende vaardigheden werden door de West-Duitse concurrentie opgekocht en vervolgens afgestoten. Hele regio’s verkommerden.

Het Westen reageerde genereus. De milieuzonden van de ddr werden genezen, wegen werden aangelegd. De werklozen kregen geld om thuis te blijven of een sollicitatietraining te ondergaan. Maar de banen waarop ze wilden solliciteren bestonden gewoonweg niet meer. Vervanging voor de gesloten bedrijven, de landbouwcoöperaties, de handwerkateliers en de belangrijkste industrieën is er nooit gekomen. Hele regio’s raakten ontvolkt. Scholen en kleuterscholen gingen dicht, en daarna ook het warenhuis. Op een gegeven moment ging de laatste dokter met pensioen en werd de busverbinding geschrapt. De staat trok zich terug – en is tot op de dag van vandaag niet meer teruggekomen.

Veel Oost-Duitsers vragen zich af: wat heeft die vrijheid van het individu mij eigenlijk opgeleverd?

Het Oosten werd het Wilde Oosten, waar gokkers en geluksridders ontelbare mensen aan het oplichten waren. Veel dingen worden tot op heden niet besproken. De Oost-Duitsers zouden dan over hun eigen nederlagen moeten praten. Ze hadden hun hoop op het Westen gevestigd, sommigen hadden zelfs grote persoonlijke risico’s genomen om de politieke wending te kunnen bewerkstelligen. En toen het eenmaal zo ver was, bleken ze de vreemde maatschappelijke regels niet te kennen. De fraudeurs hadden vrij spel, en veel Oost-Duitsers namen de verkeerde beslissingen om deel te kunnen nemen aan het nieuwe land met al zijn beloften. Zij sloten verzekeringen, krediet- en koopovereenkomsten af, in de zekere verwachting dat het nieuwe land goed voor hen zou zijn. Van meet af aan dachten ze op gelijke voet te staan met hun West-Duitse landgenoten. Maar de bittere clou is, dat dat nooit het geval is geweest. En het zal ook nog lang zo blijven.

Aan het begin van de jaren negentig kregen investeerders van de Treuhandanstalt, de door de federale regering van de Bondsrepubliek opgerichte autoriteit die was belast met de ontbinding van de ddr-economie, vrijwel gratis en voor niets complete bedrijven aangeboden. Een fabriek met machines, mensen en al hun persoonlijke lotgevallen werd door de Treuhand ‘verkocht’ voor ‘een symbolische D-Mark’. De plaatselijke kranten berichtten over de ceremoniële overdracht en de bloemrijke beloften van de nieuwe eigenaar. En iets later schreven dezelfde journalisten dan lange verhalen over hoe hele families hun bestaan verloren hadden. Het kapitalisme, de ‘sociale markteconomie’ met haar ‘bloeiende landschappen’ die Helmut Kohl had beloofd en waar talloze Oost-Duitsers zo lang naar hadden verlangd, na tientallen jaren van planeconomie, bleek voor veel Oost-Duitsers koud en meedogenloos.

Toen de Bondsregering van spd en de Groenen tijdens de economische crisis eind jaren negentig ook nog eens besloot om de sociale bijstand en de werkloosheidsuitkeringen te beëindigen, en die te vervangen door een zeer krap bemeten ‘basisuitkering’, werd armoede wet. In het Westen had dit gevolgen voor het Ruhrgebied en het Saarland, met zijn stervende kolen- en staalindustrie, en in het Oosten voor vrijwel iedereen. Tot op de dag van vandaag proberen veel Oost-Duitsers aansluiting te vinden bij het tempo van het Westen, maar het lukt ze niet. De lonen en salarissen zijn nog steeds twintig procent lager dan die ten westen van de Elbe. De vermogens in geld en onroerend goed liggen vijftig procent lager dan die van West-Duitsers. Ondanks erfenissen zal de ongelijkheid de komende generaties blijven bestaan.

Gaarkeuken in Berlijn. De armoede in de voormalige DDR is vele malen groter dan in de rest van Duitsland © Sean Gallup

Er is ook een gebrek aan kosmopolitisme en burgerschap. En het ontbreekt ons aan een maatschappelijk geaccepteerd verhaal, waarvan de codes ons herkenbaar zouden maken als gelijken onder gelijken. Vakanties in Italië, cdu of spd, VW of Ford – het zijn allemaal exclusief West-Duitse levenservaringen uit de jaren zeventig en tachtig. Met de beste wil van de wereld kunnen we die achterstand niet meer inhalen. In plaats daarvan vallen we vooral op vanwege onze vreemde dialecten. Tot op de dag van vandaag wijzen callcenters sollicitanten met een Saksisch of Berlijns accent af – hun dialect klinkt gewoon niet betrouwbaar genoeg in de oren van de klanten.

Aan de andere kant zijn wij Oost-Duitsers veel beter af dan de andere minderheden in dit land. Dankzij het eenwordingsverdrag zijn wij medeburgers, met alle privileges die de grondwet toekent. Op luchthavens en in hotels checken we in met het meest waardevolle paspoort ter wereld. In het buitenland brengen we vreemden aan het huilen als we hun vertellen over de val van de Berlijnse Muur. We mogen stemmen, hoeven niet langer in de rij te staan en worden niet langer gecontroleerd. Toch zijn we daar niet dankbaar voor. Maar aan wie zouden we ook dank verschuldigd zijn? Aan onszelf? In plaats daarvan maken wij middelbare Oost-Duitsers trammelant. Wij jammeren en liften met Pegida mee. We zijn ruw tot op de pijngrens. We relativeren de dictatuur uit ons verleden steeds schaamtelozer en verschansen ons thuis in onze xenofobie. Kortom, we zijn een teleurstelling.

Houdt het dan nooit op? Nee. Want we missen iets dat niet meer bestaat. Iets waar de laat-kapitalistische samenleving niet in kan voorzien. En waarvan het ook maar beter is dat het niet meer tot het aanbod behoort. Hoe bitter het ook is, veel mensen – onder wie ikzelf – missen soms de paternalistische staat. De ddr-burger in mij verlangt af en toe naar een bepaalde vorm van gezien worden. Naar het gevoel dat het je wel iets kan schelen. Dat je je in de groep opgenomen voelt. Het gaat om niets meer of minder dan om een ander vrijheidsbegrip tussen Oost- en West-Duitsland.

De schrijfster Daniela Krien, in 1975 in Thüringen geboren, heeft iets verstandigs over dit verschil gezegd. ‘Vrijheid op zich is niet voor iedere vrouw of man het hoogste goed. Sommigen geven de voorkeur aan stabiele sociale verhoudingen, veiligheid en een minimum aan welvaart, boven grenzeloze vrijheid. De vrijheid van de ddr-burger was op vele manieren beperkt, maar dit feit had niet altijd invloed op zijn of haar individuele geluksgevoel.’ Daar zijn volgens de auteur van de feministische bestseller Die Liebe im Ernstfall, begin dit jaar verschenen bij Diogenes Verlag, ‘sterke, onafhankelijke en kritische persoonlijkheden uit voortgekomen, die de voordelen van het kapitalisme en liberalisme op waarde weten te schatten, maar de nadelen ervan niet over het hoofd zien.’

Veel Oost-Duitsers vragen zich af: wat heeft die vrijheid van het individu mij eigenlijk opgeleverd? De vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van denken en de vrijheid van reizen zijn inderdaad een groot goed, waarvoor de Oost-Duitsers in 1989 de straat zijn opgegaan, en die ze met een volledig bloedeloze en zeer nonchalante revolutie bewerkstelligd hebben. En toch is de geschiedenis van het Oosten er achteraf gezien een van politieke inspanningen, maar uiteindelijk ook van falen. Vrijheid, het recht om zich te ontwikkelen, creativiteit en ondernemerschap komen uitsluitend diegenen ten goede die de economische vrijheid genieten om er gebruik van te maken.

Oost-Duitsland is nog steeds een ontwikkelingsland, afhankelijk van de wil van het Westen. Dat hoor je duidelijk als zelfs de staatssecretaris voor de ‘Heimat’ over Oost-Duitsland spreekt als de ‘nieuwe deelstaten’. Voor deze Markus Kerber, in 1963 in Ulm geboren en thuis in de hele wereld, mag het Oosten terra incognita zijn. Toch doet het praten over ‘nieuwe deelstaten’ kolonialistisch aan.

Een ander geval is de zogenaamde ‘federale regeringscommissaris voor de nieuwe deelstaten’. Brandenburg, Mecklenburg-Voor-Pommeren, Saksen-Anhalt, Saksen en Thüringen zijn voor de bekleder van dit ambt, dat als een hete aardappel in de respectievelijke Bondsregeringen de ronde heeft gedaan, ook nu nog de ‘nieuwe deelstaten’. Het is misschien vriendelijk bedoeld dat er iemand bij het ministerie van Economie werkt die de belangen van het Oosten behartigt. Maar de politieke top beschikt blijkbaar niet over voldoende fingerspitzengefühl om die titel na dertig jaar in ieder geval één keer te veranderen.

Jaar na jaar legt de ‘commissaris voor Oost-Duitsland’ het parlement een ‘verslag van de staat van de Duitse eenheid’ voor. De belangstelling is maar matig, en de analyse in principe altijd dezelfde: nog niet alles is perfect, maar het wordt steeds beter en beter. De mensen in het Oosten zijn zich uiteraard bewust van deze routinematige manier van omgaan met hun ongelijke kansen. De commissaris voor Oost-Duitsland komt op velen over als een grootvizier van de koningin, die een getuigenis uitreikt aan de armere kinderen van het land. Je kunt er vergif op innemen dat die niet al te gunstig zal zijn. Vervolgens brengt hij die getuigenis naar de kanselarij. En daar zit een Oost-Duitse die al vele jaren weigert om als Oost-Duitse te worden afgeschilderd.

Angela Merkel, in 1954 geboren in Hamburg en opgegroeid in Templin in Brandenburg, hecht er veel belang aan de kanselier van alle burgers te zijn. Dat is begrijpelijk. Maar bij de Oost-Duitsers heeft ze het verbruid. Van ‘onze vrouw in de kanselarij’ heeft zij zich in de loop der jaren voor velen ontwikkeld tot een haatfiguur. Waarschijnlijk was het goed geweest als Merkel af en toe haar biografische band met Oost-Duitsland had benadrukt. Dan was ze een van die mensen uit de voormalige ddrgeweest op wie we trots kunnen zijn. Maar zoals u weet zal dit snel voorbij zijn. Merkel zal zich terugtrekken als bondskanselier van alle Duitsers. Dat iemand uit het Oosten haar snel zal opvolgen lijkt bij voorbaat onmogelijk.


Anja Maier is parlementair verslaggever van Die Tageszeitungin Berlijn. Ze schreef dit stuk speciaal voor De Groene. Vertaling: Menno Grootveld