Fascinerende rijkdom

Helmut Tervooren
Van der Masen tot op den Rijn: Ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprachlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas
Erich Schmidt Verlag,
449 blz., € 59,80

In het vroege voorjaar van 1450 ging Johan I, hertog van Kleef, op pad voor een pelgrimsreis naar het Heilige Land die een jaar zou duren. Vanuit Kleve reisde hij eerst naar Groesbeek, krap vijftien kilometer verderop, waar zijn zwager zich bij hem aansloot. Van daar ging het via Brussel – waar hertog filips de Goede verbleef – over land naar Venetië. Nog weer andere edelen, de heren van Horn en Batenborch, voegden zich nu bij het gezelschap dat per schip naar Jaffa overstak. Daar aangekomen was Jeruzalem de eindbestemming. Daar werd Johan van Kleef tot ridder van het Heilig Graf geslagen en verleende hij op zijn beurt enkele reisgenoten de ridderslag.
De pelgrimstocht die de heren van Kleef, Hoorn en Batenborch in het Jubeljaar 1450 ondernamen, wordt bezongen in een liedje dat bewaard is gebleven in het Antwerps Liedboek van 1544: «Met luste willen wi singhen Schoon lief al bider hant Van drie lantsheeren dingen Geboren uut nederlant. Cleve, Hoorne ende Batenborch Haer namen zijn wel becant.» De tekst behoort tot de Nederlandse literatuur, ook al slaat het «nederlant» uit dit liedje op het Nederrijngebied, dat wil zeggen de streek van Kleve en Duisburg. Maar er bestaat een veel uitgebreider verslag van de pelgrimstocht, dat te vinden is in de Clevische Chronik die Gert van der Schuren schreef in opdracht van hertog Johan I. En deze kroniek rekenen we tot de Duitse literatuur, ook al doet de taal ervan sterk aan het Nederlands denken.

Kleve en Groesbeek liggen op een steenworp van elkaar, en toen de hertog in 1450 naar zijn zwager reisde, passeerde hij geen enkele grens. Ze spraken dezelfde taal, ze waren elkaars buren. De latere geschiedenis heeft een grens getrokken tussen beide plaatsen, en heeft ervoor gezorgd dat de kroniek en het liedje tot twee verschillende literaturen zijn gaan behoren. Vanuit ons perspectief doen we de werkelijkheid van het verleden geweld aan: we scheiden wat bij elkaar hoort, we voegen samen wat ver uiteen lag. Vaals en Aken, Roermond en Mönchengladbach, Kleve en Groesbeek: ze hebben, althans in de Middeleeuwen, meer gemeen dan Groningen en Middelburg. Toch laten we onze blik op het verleden vaak bepalen door de grenzen van vandaag. In de literatuur en cultuur van de Middeleeuwen zoeken we – geholpen door canoncommissies – de oorsprong van onze identiteit. En zo moet een inwoner van Nijmegen zijn identiteit ontlenen aan verhalen over dijkenbouwers in Holland (of zelfs langs de Vlaamse kust). Maar Nijmegen (en steden als Venlo en Heerlen in gelijke mate) was lange tijd veel sterker georiënteerd op wat we nu het Duitse Hinterland noemen en maakte deel uit van de nideren lande, het land van der Masen tot op den Rijn. Over de literatuur in dat gebied heeft Helmut Tervooren, emeritus hoogleraar uit Duisburg, een fascinerend boek geschreven.

«Das Land zwischen Maas und Rhein war lange Zeit ein Raum, dem man eine Mittlerfunktion zwischen der Romania und der Germania zuschrieb. Aus dieser kulturpolitische Funktion ergab sich seine Einheit und erwuchs seine Lebensart und seine Kultur.» De bijzondere positie van het gebied, dat niet precies valt af te bakenen maar ruwweg begrensd wordt door Arnhem, Nijmegen, Maastricht en Keulen is in de voorbije decennia meer dan eens benadrukt. Hartmut Beckers, Frank Willaert en wel in de eerst plaats Helmut Tervooren hebben in diverse publicaties de literatuur uit dit gebied centraal geplaatst. Ze hebben daarbij overtuigend laten zien dat het bij uitstek een gebied is geweest dat invloeden van elders heeft ontvangen en doorgegeven. De vroegste fragmenten van de Zuid-Franse troubadourslyriek zijn afkomstig van de Nederrijn, terwijl in de veertiende eeuw de uitstraling van de Nederrijnse lyriek zo groot is dat de Oostenrijkse dichter Heinrich der Teichner in een van zijn liederen verzucht: «Dw welt dw ist an allen orten Reinisch».

De bijzondere positie van het Maas-Rijngebied is zo langzamerhand genoegzaam bekend. Maar omdat literatuurgeschiedschrijving meestal plaatsvindt vanuit concepten die bepaald worden door hedendaagse taal- en staatsgrenzen ligt het gebied van der Masen tot op den Rijn meestal in de periferie. In Stemmen op schrift, de eerder dit jaar verschenen geschiedenis van de Middelnederlandse literatuur, besteedt Frits van Oostrom vanzelfsprekend veel aandacht aan de literatuur uit het Maas- en Rijnland. Heinric van Veldeke, een van de stamvaders van de Nederlandse én Duitse hoofse literatuur, is uit deze contreien afkomstig. En vrijwel alle vroege epische teksten in het Nederlands – Aiol, Tristan, floyris und Blancheflor en de Reis van sint Brandaan – vinden hier hun oorsprong (al werden later in Brabant of Vlaanderen nieuwe vertalingen gemaakt die soms veel bekender zijn geworden). Daarbij blijft voor Van Oostrom de literatuur uit de nideren lande vooral een fenomenale opmaat: «Dit hoofdstuk laat dus weliswaar een doorbraak zien, maar schetst in zekere zin toch ook nog een prelude.» En: «De eerste literatuurprovincie is literair gesproken een eilandenrijk. Pas in de eeuw na Veldeke, en in een andere regio, zou de definitieve stap worden gezet naar Middelnederlandse letterkunde in de volle zin des woords, met alle onderling verkeer van dien. In vergelijking daarmee biedt het twaalfde-eeuwse Maas-Rijngebied niet zozeer een bakermat, als wel een begin.» Doordat Van Oostrom het perspectief verschuift naar het gebied dat ook nu nog Nederlandstalig is, ontstaat onwillekeurig de indruk dat onze literatuur in een van de buitengewesten is ontstaan, maar uiteindelijk naar het centrum is verschoven.

Tervooren heeft consequent voor een ander perspectief gekozen. De verandering van paradigma, die niet huidige grenzen maar toenmalige regio’s als uitgangspunt neemt, heeft concreet gestalte gekregen in een literatuurgeschiedenis waarin, net als bij Van Oostrom, de tijd en omgeving van Veldeke het echte begin vormt. Maar bij Tervooren verschuift het perspectief niet naar andere gewesten. Dat leidt ertoe dat hij na de grote bloei in de twaalfde eeuw een periode beschrijft die op het terrein van de wereldlijke literatuur minder opvallend schijnt. Maar uiteindelijk, wanneer alle kaarten op tafel liggen – en dat is wat Tervooren in sterke mate doet: aandragen van bouwstenen die om heel wat vervolgonderzoek vragen – rijst het beeld op van een levendige literaire cultuur die zeker op het gebied van de geestelijke letterkunde en het lied een heel bijzondere en eigen positie inneemt.

Helmut Tervooren heeft niet, als Frits van Oostrom, een meeslepend verhaal willen schrijven. Het is ook geen solo-onderneming: waar Tervooren zijn deskundigheid te gering achtte, heeft hij specialisten paragrafen en hoofdstukken laten schrijven over bijvoorbeeld rechtsboeken, medische traktaten in de volkstaal en ridderlijke lofredes. Hij heeft, zoals de ondertitel dat ook belooft, een handboek willen maken dat een breed overzicht biedt en de literaire cultuur uit een nog veel te weinig bestudeerd gebied centraal plaatst. Daarbij prikkelt hij tot verder onderzoek. Het lezen heeft mij uitzonderlijk veel tijd gekost omdat vrijwel iedere paragraaf aanleiding gaf tot het raadplegen van soms eeuwenoude uitgaven of het grasduinen in bibliotheekcatalogi. En bij dat zoeken en lezen blijkt pas echt de rijkdom van die literatuur.

De samenhang in taal en cultuur in het gebied van Maas en Rijn wordt tegen het einde van de zestiende eeuw geringer. Door de opkomst van de boekdrukkunst gaan het Nederlands en het Hoogduits domineren. Vele taalschakeringen in het gebied tussen drukkersmetropolen als Antwerpen, Keulen en Frankfurt verdwijnen uit de literatuur. Het land zonder grenzen uit de tijd van hertog Johan I raakt binnen de invloedssfeer van opkomende nationale staten. In de negentiende eeuw raakt het gebied definitief verdeeld over Nederland, België en Duitsland. De boedelscheiding die daarmee gepaard gaat, heeft de literaire erfenis bijna onzichtbaar gemaakt en ook in fysiek opzicht verdeeld tussen bibliotheken van Berlijn, Den Haag en Brussel.

Regionale geschiedschrijving steekt overal in Europa de kop op, en vaak met een ideologische bijbedoeling. De literatuurgeschiedenis van Schotland, Catalonië of Bretagne dient ertoe om separatistische aanspraken te rechtvaardigen. Bij Tervooren is een dergelijke (verborgen) agenda geheel afwezig. Hij toont wat er geweest is en laat veel aan de lezer over. Zijn literatuurgeschiedenis vertelt geen afgerond verhaal, maar is op het terrein van de literatuurgeschiedschrijving, misschien wel juist door die openheid, het fascinerendste wat ik in jaren gelezen heb. * Johan Oosterman is hoogleraar oudere Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen