Fascisme van het hart

LANG VOORDAT hij zich Fuhrer van alle Duitsers noemde, zag Adolf Hitler in Wenen eens een film over een politieke agitator, gemaakt naar de toekomstroman Der Tunnel (1913) van Bernhard Kellermann. Deze oerervaring vormde de basis van zijn geloof in de macht van het woord.

William H. Gass laat in zijn mega-roman The Tunnel een historicus aan het woord, William Frederick Kohler, hoogleraar aan de universiteit in Wabash, Indiana, die het credo van zijn Duitse leermeester Magus Tabor trouw blijft: ‘Woorden waren de bestaansreden voor Magus Tabor.’
Kohler heeft een dubieuze reputatie. Zijn eerste boek, Nuremberg Notes, was een gewiekst, naar sympathie neigend verslag van de verdedigers in het Neurenberg-proces vlak na de Tweede Wereldoorlog. Hij werd ervan beschuldigd een poging te hebben gedaan de schuldigen niet te veroordelen. Zijn tweede boek heeft hij bijna klaar aan het begin van The Tunnel. Het zal Guilt and Innocence in Hitler’s Germany gaan heten en er ontbreekt alleen nog een voorwoord. Maar zijn introductie ontspoort en loopt uit op een chaotische woordenstroom die een commentaar is op zijn pseudo-objectieve studie, een stream of consciousness die subjectief, chaotisch en angstwekkend eerlijk is. Zijn introductie is niet minder dan een poging 'om de gevangenis die mijn leven is in taal om te zetten’. Kohler wil via zijn fabelachtige woordkunst ontsnappen aan het verlies dat hij in zijn leven heeft geleden. Hij daalt af in de hel van zijn persoonlijkheid en confronteert zichzelf met zijn 'fascisme van het hart’.
De vellen waarop hij zijn voorwoord schrijft, schuift hij stiekem tussen de bladen van zijn manuscript van Guilt and Innocence in Hitler’s Germany. Zijn studie is de buitenkant, een facade, de dagzijde. Zijn ontboezemingen vormen de nachtkant van zijn bestaan, de introductie 'op een werk over de dood door iemand die zijn leven lang in een stoel heeft doorgebracht’ (de stoel van zijn leermeester Magus Tabor).
Zijn vrouw Martha, met wie hij al jaren in onmin leeft, mag niets lezen.
Zijn journaal moet geheim blijven. Kohler gaat ondergronds, en dat dient letterlijk genomen te worden. Hij begint een tunnel te graven onder zijn huis, 'een tunnel graven om aan het kamp te ontsnappen’. Maar het graven is tegelijkertijd een dadenloze daad. 'Wat betekent per slot van rekening een onbruikbaar hol? Eerlijk gezegd heb ik Niets bereikt’, schrijft hij. Zulke 'daden in doughnutvorm hebben de stapel papier hoger gemaakt’, meer niet.
The Tunnel is een gedurfd staaltje van daderkunst in een tijd waarin slachtofferkunst, met name in de Verenigde Staten, zeer politiek correct is. 'Je identificeren met slachtoffers en derhalve verteerd worden door spijtgevoelens. Voordat ik een voorbeeld stelde hebben schrijvers over het Derde Rijk zich nooit de moeite getroost zich te vereenzelvigen met de schurken, zich het onvoorstelbare verbeeld - slachtoffer zijn is gemakkelijk, je hoeft er niets voor te doen, je huilt en bloedt gewoon, maar, ah, de beul, beul zijn is geen rol die je een twee drie beheerst.’
WILLIAM Frederick Kohler, een verduitste Amerikaan die in de jaren dertig in Duitsland studeerde, is de historicus van zijn eigen slechtheid, hoewel slechtheid een term is die niet echt terzake doet in The Tunnel. Kohler is ervan overtuigd dat schuld en onschuld geen ontologische elementen in de geschiedenis vormen. Al schrijvend ontdekt hij dat het innerlijk van de geschiedenis - die maar een thema heeft: de dood - de poezie is. Maar de dichtkunst heeft hij in zijn jeugd afgezworen. Nu komt die kunst terug. Schrijven wordt voor Kohler zich verschuilen voor de geschiedenis.
De gebeurtenissen doen er niet toe, alleen de interpretatie. De taal is altijd eerlijk. Taal liegt niet, alleen de gebruikers ervan. Kohler is ontwapenend eerlijk. Voor hem is de geschiedenis de afgrond van de verdoemden, dat wil zeggen degenen die een pact met de duivel hebben gesloten: Hitler, Faust, Don Juan, Leverkuhn.
Ook Kohler heeft in zijn geheime dagboek een pact gesloten. Hij deinst niet terug voor de verschrikkelijkste conclusies die ook hemzelf betreffen: 'en ik weet dat de mens tot alles in staat is, dat alles wat de mens mogelijk kan ook voor mij mogelijk is. Voor jezelf ben je uiteindelijk niet veilig.’
Hitler is de enige god in wie Kohler gelooft, omdat hij gelooft in de les van de catastrofe die Hitler ons heeft gepresenteeerd. 'Ik geloof dat de Teutonische steun van de waarheid de tand des tijds beter doorstaat dan de joodse renegaat die alleen valsheid en hypocrisie steunt.’
Het is deze, overduidelijk antisemitische toon die The Tunnel beheerst. Maar er is iets merkwaardigs met die toon aan de hand. Hij is niet eenduidig. Gass is zo'n taalvirtuoos, zo'n verleider met woorden, dat je zijn schepping Kohler niet kunt afdoen als een gefrustreerd kankerende, dikke oude man die alle boten in het leven heeft gemist. Er kleeft iets kwetsbaars aan hem. Bovendien is zijn belezenheid in literatuur en geschiedenis zo gigantisch en is zijn doodernstige taalspel zo melodieus, allitererend en grenzeloos dat je als lezer in de ban raakt van zijn - dat wil zeggen Kohlers en Gass’ - macht over het woord. Dat is het schokkende van The Tunnel, de onherroepelijke verleidende kracht van poetische, ritmische en zeer beeldende taal, los van betekenissen.
De kwetsbaarheid van Kohler zit verborgen in de manier waarop hij over zijn jeugd vertelt, de lichtelijk gegeneerde wijze waarop hij verslag doet van zijn aandeel in de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938, toen hij in Duitsland onder professor Magus Tabor studeerde en ook een steen door de ruit van een winkel gooide en zich liet meesleuren door de massahysterie, de maalstroom van de geschiedenis. 'De mens zou niet in staat mogen worden gesteld te kiezen.’
Kohlers moeder was iemand die warmte zocht in de drank en die haar zoon links liet liggen. Zijn vader was een ziekelijke querulant, een ultrarechtse antisemiet die alle kansen heeft verprutst en de schuld van alles bij anderen legt. Maar het mededogen waarmee Kohler zijn vader als leider van weekendtrips met de auto portretteert en vooral de beschrijving van zijn aanbod zijn zoon autorijlessen te geven ondermijnt de eenduidigheid van de haat die Kohler koestert. 'Mijn vader leerde mij een mislukkeling te zijn.’
En de prachtige beschrijving van de jonge Kohler die zichzelf per ongeluk opsluit in een koffer is een verwijzing naar de dood die aan het slot van The Tunnel in een wel heel bijzondere gedaante op de historicus wacht.
De uitputtende gedetailleerdheid waarmee Gass zijn hoofdpersonage de snoepwinkels uit zijn jeugd laat beschrijven verraadt niet alleen een hopeloze liefde voor het accurate woord maar ook het besef voorgoed iets verloren te hebben: warme menselijke gevoelens die een kind worden beloofd. 'Verlies in het leven, daar rouw ik om, daar rouwen we allemaal om, iedereen van ons die is aangeraakt door het fascisme van het hart.’
Hij is teleurgesteld door het leven, door zijn collega’s - van wie er een de geschiedenis van de mens in limericks vastlegt - en door zijn geheugen, dat niet toereikend is om de realiteit van het innerlijk vorm te geven. De helft van de historie bestaat uit wraak, de andere helft is daarvan de provocatie. Het is een woedend cynisme dat Kohler op de been houdt. Zijn zwarte modderstroom van walgelijke woorden is een buffer tegen de dood die hij om zich heen zag en ziet. God is ressentiment.
THE TUNNEL is met recht een soort Mein Kampf te noemen, de strijd van een belezen bullebak van een historicus, een geest die 'als een kanonskogel in beweging is’ en die zijn persoonlijke historie ordent alsof het een 'eindeloze vrachtbrief’ is. Hij vecht een oorlog uit, zijn tunnel is een loopgraaf in een permanente worsteling. 'Wat is oorlog vandaag de dag: de ene mythe die de andere om zeep helpt.’ William Frederick Kohler is niet toevallig de oprichter van een partij voor de teleurgestelden, hoewel hij weet waarom er politieke partijen bestaan: om menselijke zwakten te kanaliseren.
Als een mol graaft Kohler zich in. Hij deinst er zelfs niet voor terug de kat van zijn vrouw te vermoorden en op een zonderlinge plaats te begraven: in een van de ladenkasten van zijn vrouw, die hij volstouwt met de aarde die hij kwijt moet als gevolg van het graven van zijn tunnel.
Het slot van The Tunnel is zeer verrassend. Kohlers vrouw Martha stelt een daad zonder weerga, ze bedelft het schrijfbureau van haar man onder zijn eigen modder met de woorden: 'Ik wil jouw troep niet in mijn ladenkasten, net zo min als jouw ideeen in mijn hoofd.’
The Tunnel is een roman die al twintig jaar geleden werd aangekondigd. Het is een voorbeeldig boek, in die zin dat het een bewijs vormt voor Gass’ opvatting over fictie, die hij in zijn indrukwekkende essaybundels heeft gepropageerd. Voor hem dient fictie geen eenduidige, simpele ideeenwereld te creeren maar nieuwe gebieden van stilte te scheppen voor de lezer. 'Luister naar de stiltes tussen de woorden’, staat er aan het eind van de roman. Dat doet denken aan T. S. Eliots 'stille centrum’, de 'afwezigheid’ van Mallarme, het 'Byzantium’ van Yeats of de 'epifanie’ van Joyce.
'We vechten oorlogen uit om een wereld te verbergen.’ Het is een rake opmerking van de 'foute’ historicus Kohler. The Tunnel openbaart een wereld die de lezer kent. Daarom is het een schokkend, politiek 'incorrect’ boek, omdat iedereen wel eens in gedachten een ander naar de hel heeft verwenst.