Fast forward

Mijn buurman beneden zweert bij Kindernet in de ochtenduren. Vanaf zeven uur zijn er op BRT2 tekenfilms te zien, en voor ouders van vroege kinderen is dat een uitkomst. ‘Veel beter dan Telekids’, zegt mijn buurman. ‘De filmpjes die ze daar laten zien zijn veel te gewelddadig. Op Kindernet zijn de filmpjes zorgvuldig geselecteerd.’ Uren kan hij met zijn dochtertje doorbrengen voor de tv. Zelf vindt hij Kindernet ook leuk. Hij blijft erbij.

Erbij blijven, dat was het advies dat ik een spreker tien jaar geleden hoorde geven aan verontruste ouders. De man, een aardige Belg met een baard, gaf een lezing over de invloed van televisie op kinderen. Geen woord herinner ik mij van zijn verhaal. Wel van de vragen achteraf. Die gingen over de voorbeeldfunctie van tv-figuren, over rolpatronen en clichés. Een verontruste moeder vroeg wat ze aanmoest met al die verfilmde sprookjes met lieflijke prinsessen die ten huwelijk worden gevraagd door stoere prinsen. Dat is toch een vertekening van de werkelijkheid, meende de moeder. Het antwoord van de Belgische specialist had ze tot haar verbazing zelf kunnen bedenken. ‘Stel het kind er na afloop een vraag over’, zei hij. 'Vraag aan het kind of het in werkelijkheid nou altijd zo gaat. Die ene vraag is genoeg om het kind bewust te maken van de verschillen tussen sprookjes en het echte leven.’
Ouders moeten samen met hun kinderen televisie kijken, vond deze meneer. En vragen stellen over wat ze hebben gezien. Dat lijkt eenvoudig, maar om een uur of zes ’s morgens is het dat niet. Als Kindernet begint met een oud Popeye-filmpje waarin Popeye Brutus tot moes slaat voor hij op het idee komt om spinazie te eten, weet ik niet zo gauw die ene vraag te bedenken. Veiligheidshalve houd ik het bij die ene videoband met Tik-tak, Sesamstraat en Pingu. Eindeloos kan mijn zoon van bijna drie daarnaar kijken. Hij zit en ik lig, samen op de televisiebank, onder de televisiedeken, waar mijn zoon alleen z'n beentjes onder stopt en ik vooral mijn hoofd. In de hoop om nog een klein beetje te slapen. Als meneer er genoeg van heeft, moet 'het olifantje’ aan: de Walt-Disneyvideo Dombo. Dat is voor mij weer minder. De eerste tien minuten gaat het goed, als de ooievaars komen aanvliegen met in hun snavels de babydieren, waaronder Dombo. Maar na deze 'geboorte’ van Dombo - ik weet nu waar dat ooievaarverhaal vandaan komt - verdwijnt de circustrein in de nacht. 'Paardje zoeken’, zegt de kleine man. Dat betekent dat ik moet doorspoelen, want er komt een eng stukje, vindt mijn zoon. Om de vijf minuten is er een stukje dat hij graag op fast forward voorbij ziet trekken. De scène bijvoorbeeld waarin Dombo gepest wordt om zijn grote oren en zijn moeder de pestkoppen te lijf gaat, waarop de woedende circusdirecteur haar weghaalt van haar zoon. Dat zal ons nooit gebeuren, vergeet ik mijn zoon te zeggen. Wij blijven altijd bij elkaar, als in een sprookje.
Als mijn hand met de afstandbediening, die onder de televisiedeken uitkomt, niet snel genoeg reageert, gaat de kleine schat op mijn hoofd zitten, poepluier of geen poepluier. Ik probeer vriendelijk te blijven. En geen geweld te gebruiken. Dat heb ik geleerd van Piet Geelhoed, de eindredacteur van Het klokhuis. 'Opvoeding gebeurt in de directe omgeving van het kind. Veel belangrijker dan de televisiebeelden die het kind bekijkt is de sfeer in het gezin. Als thuis geweld een acceptabele manier is om problemen op te lossen, valt het geweld op televisie in dat plaatje. Het valt dus wel mee met die invloed van televisie op kinderen’, zei hij onlangs. 'Of tegen, het is maar hoe je het bekijkt.’