Obama ontdekt de klassenstrijd

Fat Cats

De Republikeinen slaagden er altijd in om hun verhaal van lagere belastingen voor de rijken en minder overheid te slijten aan kiezers die daar alleen maar slechter van worden. Maar nu niet meer. Barack Obama heeft zijn verhaal gevonden.

NIET BELASTINGEN, niet tekorten, maar banen en vooral inkomensongelijkheid gaan de Amerikaanse verkiezingen van 2012 beslissen. Terwijl Republikeinse kandidaten oreren over flat tax, 9-9-9 of lagere belastingen, praat president Barack Obama steeds vaker over de fat cats, over graaiende bankiers, over de absurd hoge inkomens van een kleine topgroep. Obama zal de sterk gegroeide inkomensongelijkheid koppelen aan de ondermijning van de Amerikaanse droom, die van sociaal-economische mobiliteit.
‘Klassenstrijd’, roepen de Republikeinen, erop rekenend dat Amerikanen schrikken en onmiddellijk inbinden als het gaat over de vergelijking van inkomens. Die afschrikkingstactiek lijkt niet meer te werken en dat is niet verwonderlijk, want hoe je het ook wendt of keert, de inkomensverschillen zijn de afgelopen dertig jaar enorm gegroeid. Het gerenommeerde Congressional Budget Office stelde in oktober dat tussen 1980 en 2010 het inkomen van de meest verdienende één procent met 275 procent was gegroeid. Tot 1990 daalden de inkomens van de laagste twintig procent en daarna stegen ze met ongeveer achttien procent, net zo veel als de belangrijke middengroepen over de hele periode. De veelbezongen Amerikaanse middenklasse had het CBO niet nodig om te weten dat hun inkomens al jaren stagneren.
Veel belangrijker nog is economische mobiliteit, de heilige graal van het Amerikaanse credo. Als je maar hard werkt en je best doet, dan kom je vooruit in de samenleving. In de clichématige visie was het verhaal 'van krantenjongen tot miljonair’ een hoeksteen van Amerikaans optimisme. De cijfers laten zien dat het met die mobiliteit treurig gesteld is. De kans dat iemand één quintiel (inkomensgroepen worden per twintig procent bekeken, in vijf groepen dus) opschuift is uiterst gering, in de orde van één procent per quintiel en nooit verder dan één groep omhoog. Voor de overgrote meerderheid van de Amerikanen loopt de mythe van mobiliteit stuk op de dagelijkse werkelijkheid.
Academici schrijven er al jaren over, New York Times-columnist en Nobelprijswinnaar Paul Krugman was tien jaar geleden al klassenstrijd aan het voeren, als dat de term is. Onderzoek laat al langer zien dat sinds 1980 de inkomensongelijkheid sterk is gegroeid. Uiteenlopende Democratische politici als Michael Dukakis, Al Gore en John Kerry probeerden er al munt uit te slaan door hun campagnes een populistische draai te geven ('us versus them’ zei Gore ietwat ongeloofwaardig als vice-president), maar het sloeg nooit aan bij de kiezers.
Integendeel, Republikeinen konden inkomensafgunst altijd neerzetten als bij uitstek on-Amerikaans en appelleerden aan het eeuwige gevoel van Amerikanen dat ze ooit zelf veel gaan verdienen, waardoor ze het niet erg vinden als anderen dat al doen. Ze tamboereerden op social issues en lagere belastingen voor iedereen. In What’s the Matter with Kansas beschreef de politieke journalist Thomas Frank hoe Republikeinen via onderwerpen als abortus en homohuwelijk kiezers overhaalden om tegen hun eigen economische belang te stemmen.

WAT IS ER VERANDERD en waarom? De grootste verandering is de crisis van 2008. De greep in de publieke kas door zelfzuchtige bankiers, gevolgd door een herstel van de orde met onveranderd hoge bonussen en onverminderde arrogantie, was een trigger. De stagnerende economie waarin grote ondernemingen nog steeds dikke winsten maken maar geen banen scheppen met het vele geld dat ze in kas hebben, doet de rest. De economische crisis, de Great Recession, heeft vrijwel geen gewone Amerikaan ongemoeid gelaten.
Wie de afgelopen tien jaar een huis had gekocht of de overwaarde ervan had verhypothekeerd zit nu 'onder water’: zijn schuld is groter dan de waarde van het onderpand. Veel mensen zitten vast aan een hypotheek die hogere rentes verlangt dan de markt nu zou vragen, en herziening van de voorwaarden door diezelfde banken die de crisis veroorzaakten is duur of onmogelijk. Bezit van een eigen huis, cruciaal deel van de Amerikaanse droom, is afgenomen van 69,4 procent in 2004 tot 66,1 procent in 2010. Volgens analisten van Morgan Stanley zou het percentage dalen tot rond de zestig als je de bewoners met serieuze betalingsachterstanden eruit filtert, mensen die weten dat ze binnenkort uit hun huis worden gezet. In 2009 en 2010 werden twee miljoen huizen onteigend, dit jaar volgen nog eens één miljoen huizen.
De Great Recession heeft mensen bewust gemaakt van de kwetsbaarheid van hun economisch bestaan. De grote brede middenklasse, het fundament van de Amerikaanse samenleving, realiseert zich dat ze achteruit gaat en dat hun kinderen een gerede kans hebben het slechter te doen dan zijzelf. Dat is een nieuw gevoel in Amerika. Dat leidde in eerste instantie en ietwat asynchroon tot een opstand van rechts, de Tea Party met haar antibelasting- en anti-overheidretoriek. De basis daarvoor lag vooral in haat tegen president Obama en diens vermeende socialistische beleid, uitgebuit door sluwe geldschieters en Republikeinse operators. Ze hadden niet kunnen denken dat er, misschien juist daardoor, ook een beweging van de andere kant op gang kon komen. De Occupy Wall Street-beweging mag incoherent en ongefocust zijn, zij is het topje van een ijsberg van ongenoegen en angst van gewone Amerikanen en nu blijkbaar sterk genoeg om hen te mobiliseren.

WAAR KOMT die relatief nieuwe inkomensongelijkheid vandaan? Want er ís iets fundamenteel veranderd. Ook in de Verenigde Staten waren de jaren vijftig en zestig een tijdperk van kleinere verschillen, zeker vergeleken met eind negentiende eeuw of de jaren twintig. De nostalgie van de oorlogsgeneratie naar deze jaren is geheel verklaarbaar. De Amerikaanse middenklasse had het waarschijnlijk nooit beter en vooruitgang leek verzekerd. De topinkomens waren hoog, maar niet zo hoog dat het vragen of protesten opriep. Het werd juist gezien als een van de kwaliteiten van de Amerikaanse samenleving: wie succes had, genoot ervan en liet het zien. De rest van de Amerikanen klaagde niet maar droomde ervan dat zelf ooit te kunnen doen.
Vanaf medio jaren zeventig veranderde dat. De oliecrisis en inflatie van dat decennium sloegen de eerste deuken in het economisch optimisme. Maar daarna ging de economische groei vrolijk door. Sinds de recessie van 1980-1982 heeft Amerika twee grote groeispurten doorgemaakt die leidden tot jaloers stemmende economische groei. Het gezamenlijk inkomen van alle Amerikanen steeg enorm, alleen ging van de stijging tussen 1980 en 2005 nu meer dan tachtig procent naar de top één procent. De rest had het nakijken. Waarom dat zo uitpakte, daarover zijn de meningen verdeeld. Er is in elk geval niet één alles omvattende reden voor, eerder gaat het om een aantal factoren die elk een deel van het verhaal vertellen.
De favoriete verklaring van liberals, van progressieve Democraten, is de verlaging van de hoogste schijf in de inkomstenbelasting van rond de zeventig procent in 1980 tot ruim dertig procent nu - inclusief de extra verlaging van president Bush in 2001. Als verklaring voldoet deze verlaging niet, zeggen de analisten. Het heeft zeker de inkomsten van de overheid verlaagd (met ongeveer drieduizend miljard in de afgelopen tien jaar) en bijgedragen aan de enorme tekorten, maar verklaart niet de inkomensgelijkheid als zodanig. De Republikeinen controleerden gedurende twintig van de afgelopen dertig jaar het Witte Huis. Ongetwijfeld is de gebrekkige groei aan de onderkant mede daardoor veroorzaakt - zo is het minimumloon jarenlang extreem laag gehouden - maar het verklaart nog niet de enorme groei aan de bovenkant.
De topgroep verdient nu een gemiddeld jaarinkomen van zeven miljoen dollar. Een groot aantal van deze mensen werkt in de financiële sector, het deel van de economie dat zijn aandeel in de winsten zag stijgen van tien procent in 1970 tot meer dan veertig procent rond 2005. De rest werkt waarschijnlijk voor een grote onderneming of in de amusementssector, een paar zijn advocaat of zakelijk adviseur. Volgens schrijvers over dit onderwerp heeft de groei van Wall Street alles te maken met de deregulering van de economie en met name van de financiële sector. Daar wordt de klassenstrijd ietwat rommelig, althans politiek gezien, want de invloedrijke politici die Wall Street hielpen en beschermden, zijn ook en vooral Democraten uit New York.
De verdiensten van bestuurders van ondernemingen escaleerden in de jaren negentig, misschien in directe relatie met de modieuze ideeën over share holders value waarbij besluiten meer werden gedreven door aandelenprijzen dan door inherente zakelijke overwegingen. De vraag is niet of de top van bedrijven invloed heeft op de resultaten, maar wel of hun verdiensten daar op de juiste manier aan gekoppeld zijn. De vraagtekens bij de bonusstructuur die kortetermijnwinst beloont, worden al heel lang gezet, waarbij we niet moeten vergeten dat vrijwel iedereen dit in de jaren zeventig en tachtig een goed idee vond. Volgens onderzoekers verklaart deze ontwikkeling ongeveer dertig procent van de gegroeide inkomensongelijkheid, stelde Timothy Noah vast in het online magazine Slate.

ER MOET MEER ZIJN. Een recent boek, Winner-Take-All Politics van Jacob Hacker en Paul Pierson, verklaart de inkomensverschillen uit veranderingen in de manier waarop politiek wordt bedreven, zowel door Democraten als door Republikeinen. Volgens hen zijn de verschillen het gevolg van politieke keuzes die beïnvloed werden door een leger van lobbyisten. In de jaren zestig was dat een beperkt aantal, tegenwoordig is een hele wijk in Washington gevuld met lobbykantoren en wordt elke ex-politicus lobbyist. Er zijn politieke actiecomités, er is de hyperactieve American Chamber of Commerce (een van de grote opponenten van Obama), een enorme bedrijfslobby. Tegelijkertijd nam de invloed van vakbonden dramatisch af. Het Supreme Court heeft onlangs bepaald dat bijdragen aan politieke campagnes vallen onder vrijheid van meningsuiting en geen beperkingen kennen.
Hacker en Pierson stellen dat de ongelijkheid niet een vanzelfsprekend gevolg is van de marktwerking, maar dat het juist beleid is dat de effecten van economische verandering heeft geconcentreerd en versterkt, en dat exclusief ten voordele van de rijken. Juist ja, klassenstrijd.
Sommige veranderingen werden ingezet door Republikeinen, zoals Ronald Reagan, andere door Democraten, zoals Jimmy Carter met zijn grootscheepse deregulering. Zelfs Bill Clinton deed mee, met de opheffing van de Glass-Steagall Act, waarbij de scheiding van traditioneel bankieren en investeren voor eigen rekening en winst voor financiële instellingen werd opgeheven, het handwerk van toenmalig minister Larry Summers. Deze opheffing, plus de lakse regulering en minimale handhaving van regels onder George W. Bush, vormden de inleiding tot de crisis van 2008. Mede dankzij die publieke structuur ten bate van de grote belangen sprongen de bankiers daar beter uit dan de mensen met een hypotheek.
En dan is er nog de globalisering. De meningen over de invloed van het verdwijnen van productiebanen uit de VS verschillen, maar dat ze zijn verdwenen is een feit. Had dat directe invloed op inkomensongelijkheid? Daarover is men het niet eens. De vaststelling dat er, afgezien van de dienstensector, de mythische hamburger flipper, vrijwel geen werk is voor laag geschoolde arbeiders in Amerika leidt tot een andere vraag: waarom zijn er zoveel mensen slecht opgeleid?

HET BEGIN van de groei van ongelijkheid valt ongeveer samen met het teruglopen van het niveau van opleiding in de VS. Zoals Harvard-onderzoeker Lawrence Katz het zegt: 'We hebben de best opgeleide 55-jarigen in de wereld, maar we zitten ergens in het midden als het gaat om 25-jarigen.’ Niet dat het topniveau van het onderwijs in de VS slechter is geworden, het zijn vooral de lagere en middelbare scholen die tekortschieten. Die lijden onder teruglopende inkomens omdat ze lokaal worden gefinancierd, terwijl de kosten van universitair onderwijs geweldig zijn gestegen. Het gevolg is dat degene die dat onderwijs nog wel weet af te ronden een premie kan bedingen. Daarbij past wel de kanttekening dat ook binnen de groep met een hoge opleiding de onderlinge verschillen groeien: het hangt ervan af waar je met die opleiding terechtkomt.
Is dit beeld nog wat diffuus, aan de onderkant is één ding glashelder: mensen zonder of met een gebrekkige opleiding, maximaal high school, hebben weinig kans op inkomensgroei en steeds minder kans op een baan die gekoppeld is aan hun individuele kwaliteiten. Voor hen resteren de banen aan de kassa of in het restaurant, ongeschoolde dienstverlening: uitwisselbaar werk zonder zekerheden want niemand is daar onmisbaar. Volgens de onderzoekers zou gebrekkig onderwijs ook zo'n dertig procent van de groei van de ongelijkheid verklaren.
Aan de onderkant van dit uit het lood hangende inkomensgebouw zit de echte pijn. De mediaan voor gemiddeld inkomen van een Amerikaanse fulltime werkende man, het punt waarop evenveel gezinnen erboven liggen als eronder, was in 2010 47.715 dollar, grofweg onveranderd sinds 1973 toen het ruim 49.000 dollar was (in gecorrigeerde cijfers) en teruggelopen sinds 2000. Katz noemt het een verloren decennium: 'We denken aan Amerika als een plek waar iedere generatie het beter doet, maar we kijken nu naar een periode waarin het mediaangezin er slechter voor staat dan aan het einde van jaren negentig.’ De mediaan daalde in alle categorieën, maar het scherpst in die van werkende Amerikanen tussen 15 en 24 jaar, met maar liefst negen procent.
Ook de armoedecijfers verslechterden. Het percentage Amerikanen onder de armoedegrens was met 15,1 het hoogste sinds 1993 (in 2010 was die grens 22.314 dollar voor een gezin van vier personen, iets meer dan 12.000 dollar voor een alleenstaande). Dit percentage zal in deze Grote Recessie alleen maar toenemen, want de grootste schuldige is gebrek aan banen en dat probleem is voorlopig niet verdwenen, terwijl de meeste uitkeringen, verlengd in de stimuluspakketten, nu zijn afgelopen.
Voeg al deze factoren bij elkaar en je krijgt een beeld van de oorzaken van de scherp toegenomen inkomensongelijkheid. De gemiddelde Amerikaan zal het een zorg zijn wat de redenen zijn, hij constateert simpelweg dat zijn inkomen stagneert of achteruit gaat terwijl een kleine groep miljoenen binnensleept.
Sommige schrijvers, zoals Mickey Kaus in zijn baanbrekende The End of Equality uit 1992, betoogden dat je je om inkomensongelijkheid niet druk moest maken. Je moest proberen sociale gelijkheid te bevorderen door te zorgen dat publieke voorzieningen, zoals scholen, parken en andere voorzieningen voor alle inkomens, beter werden. Met de afbraak van de publieke structuur valt die houding moeilijk meer te verdedigen: de private rijkdom van een kleine groep explodeert terwijl de publieke armoede toeneemt. Ongenoegen met ongelijkheid valt niet meer weg te redeneren.
Het grote raadsel was altijd hoe de Republikeinse Partij er steeds maar weer in slaagde om haar verhaal van lagere belastingen voor de rijken en minder voorzieningen voor iedereen te slijten aan kiezers die daar overduidelijk alleen maar slechter van werden. Wie de debatten van de Republikeinen heeft gevolgd, hoorde dat verhaal eindeloos in varianten die weinig van elkaar verschillen. Of het nu de flat tax was van Rick Perry of het 9-9-9-plan van Herman Cain - beiden in de running om namens de Republikeinen president te worden - de hoogste inkomens profiteerden. Je vroeg je af wanneer kiezers nu werkelijk gingen nadenken.
Misschien is dat punt nu gekomen. Alle gepraat over inkomensverschillen mag weinig doen voor een werkloze of iemand die zijn huis dreigt kwijt te raken, het geeft wel een aantrekkelijke verklaring voor zijn problemen. Dat Democraten tot nog toe met dit soort verhalen altijd een zeperd haalden, heeft een eenvoudige reden: het ging niet slecht genoeg met Amerika. De eeuwige optimist had tenminste nog het genoegen dat hij vrolijk tegen het leven aan keek, ook al werd hij aan alle kanten uitgekleed. Na drie jaar recessie is optimisme lastiger.
Barack Obama lijkt nu zijn verhaal te hebben gevonden. De 'fat cats’ zijn het doelwit en hij hamert op meer belasting voor de rijken. Alsof de wereld op z'n kop staat, is dat ineens een door een breed publiek geaccepteerde eis geworden. Konden de Republikeinen Bush’s belastingverlagingen voor de rijken vorig jaar nog verdedigen als passend in hun algemene antibelasting- en anti-overheidriedel, nu zoeken ze dekking. Speaker John Boehner zal spijt krijgen van zijn weigering om de grote deal te maken die Obama hem een half jaar geleden voorstelde. Toen was Obama bereid om vier triljard aan bezuinigingen te accepteren als er ook anderhalf triljard aan nieuwe belastingen en belastinghervormingen werden doorgevoerd. Boehner en de Republikeinen weigerden categorisch om over hogere belastingen te praten. Obama liep daarbij imagoschade op, maar het zou de Republikeinen nog eens lelijk kunnen opbreken. Hun principiële weigering om belastingen te verhogen is uit. De aanvankelijke kwalificatie van Occupy Wall Street als een mob (een straatbende) of pot rokende hippies en maffe anarchisten werd razendsnel ingeruild voor een begripsvolle benadering, zelfs door scherpslijpers in het Congres. De Republikeinen realiseerden zich dat ze op de verkeerde golf zitten.
Obama daarentegen heeft, laat, maar misschien nog niet te laat, zijn verhaal gevonden. Het is een intens politiek verhaal en het betekent de facto dat hij de hoop moet opgeven om bruggen te bouwen, om de tegenstellingen in Washington weg te nemen. Maar dat is niet het probleem. Het probleem was dat Obama nog steeds dacht dat een deal mogelijk was. De chantagecrisis van het schuldenplafond lijkt hem eindelijk van die illusie te hebben beroofd. Hij zal het geen klassenstrijd noemen, maar dat is het wel.