Fata morgana

Matthias Weischers korte bewegingen en dikke verf creëren een fantasie waarin kleuren en vormen een metamorfose ondergaan.

Medium mw17002 untitled  primavera
Matthias Weischer, Untitled (Primavera), 2017.Olie op canvas, 49 x 49 cm © Courtesy of the artist and GRIMM, Amsterdam/New York.

Ongeveer midden op het kleine schilderij van Matthias Weischer staat, om te beginnen en toch iets naar links geleund, een boom. Hij staat op een grond van geelbruine aarde geplant. De stam, met een stevige kronkel, is daar donkerbruin en staat geplaatst op een plek zandkleurige aarde die daar rondom geelgrijs is. In plaats van uit dat geel te groeien, lijkt de boomstam een vorm die scherp uitgesneden is en als decorstuk toen teruggeplaatst. Toen ik dit zag, werd mij duidelijk dat dit schilderij niet een waarneming is van bijvoorbeeld, bij Van Gogh, een landschap maar veeleer een constructie – van een kijkdoos met verschillende dingen erin. Maar laat ik niet vooruit lopen op wat er nog te zien zal zijn.

Langs de onderrand van het schilderij zien we een smalle passage vlokkig geschilderd donkerbruin. De verf is daar dikker en heeft zich kartelig vastgezet over de rand heen. Dat bruin lijkt op rommelige schaduw. Daar begint, achter de boom, de gele vloer van de beeldruimte. Het geel begint eerst wat donker. Dan wordt het lichter en gaat lijken op rul zand in schitterend zonlicht. Het is daar geschilderd met licht pasteuze, horizontale verfstreken. Bij tijd en wijle glinsteren die ook. Er straalt daarom een gloed in het geel. Tegen dat lichtere geel tekent zich nu ook de stam stevig af. De omvang daarvan is met langzame precisie getekend. Het volume is buigzaam. Halverwege is er een korte, spitse vertakking. Daar wordt, achter de boom, ook het geel langzaam nog lichter. De boom, vlak in beeld, buigt naar links terwijl ook de vertakking slanker wordt. Als in een ontknoping begint, in verhouding tot het silhouet van de boom, de horizontaal gestreken achtergrond van gele verf te wijken en de diepte in te glijden. Ergens daar, omtrent het midden van het schilderij, in de ruimte tussen boom en gele achtergrond, begint dat geel heel licht en doorzichtig te worden en bijna wit. Het licht in de beeldruimte is daar heel intens en bijna kleurloos. Op datzelfde moment (waar in een landschap een horizon zou verschijnen) begint het witte licht daar een heel ijl lichtblauw te worden – witblauw dat dan langzaam blauwer wordt, helder als een uitspansel.

De boom is in de war geraakt. Het schilderij is daardoor langzaam op drift geraakt

Ergens daar begint dit schilderij dat zich nu zo geheimzinnig begint te vertonen als een fata morgana toch te veranderen. Want boven de verder onvatbare deling tussen dat lichte geel gevolgd door dat witte blauw zien we ook de boom veranderen van gestalte. Tegen het geel dat zwaarder oogt dan het bleke blauw daarboven zag de stam van de boom er navenant compact uit. Maarr boven die diffuse deling zien we de boom zich druk en vrijmoedig vertakken. Wat als een stevige stam begon, wordt in de transparantie van het witte blauw een boeket van takken. Nog luchtiger lijkt dat uitwaaierende heen en weer van takken omdat ze zijn volgehangen met kleine groene blaadjes, witte en roze bloesems en wie weet nog andere frutsels.

De boom is dus door een metamorfose in de war geraakt. Het schilderij is daardoor langzaam op drift geraakt. Want rechts en links van de boomstam bevinden zich, op het zandgrijze geel van de bodem van de beeldruimte, nog andere vormen en figuren die er, zoals zoveel in dit schilderij, ineens zo maar zijn. Er is de sierlijk bewegende gestalte, een figuur gehuld in wit zo fijn als tule. Dan is er nog een grijze steen en daarachter staat een vogel te hurken. Het is een raadsel hoe deze verzinsels van Matthias Weischer uit zijn verbeelding in dit tafereel terechtkwamen. Ik laat dat zo. Het schilderij is een Phantasie. In een dergelijk stuk schilderkunst kan van alles gebeuren, ook en bij voorkeur het onwaarschijnlijke. Kijken we daarom nog eens naar hoe het oppervlak dat wij zien feitelijk gemaakt is. Het is met korte bewegingen geschilderd. De verf hier en daar vrij dik. Vaak is het oppervlak met kleur getoucheerd, met een stugge kwast. Langs de randen zijn flarden verf blijven hangen en daar kartelig opgedroogd. Weischer gebruikt veel verf. Hij doet dat om het schilderen langzamer te maken en nadenkender. In de rechterbovenhoek is als het ware wat teveel aan lichtblauw weggerold. Daar komt het grijze geel te voorschijn dat onder dat blauw zou kunnen zitten. Een fata morgana laat misschien zien wat er eigenlijk niet is: een fantasie dus.


PS. Eerder deze zomer zijn schilderijen van Matthias Weischer te zien geweest bij GRIMM Gallery in Amsterdam. Wie meer over de schilder wil weten, kan zeker daar terecht