Fatale mannen

MARTIN KOOMEN
DANDY’S EN DECADENTEN: ENGELSE SCHRIJVERS VAN BYRON TOT AMIS
Bas Lubberhuizen, 262 blz., € 22,50

GEORGE WALDEN
WHO’S A DANDY (MET JULES BARBEY D’AUREVILLY’S ESSAY ‘ON DANDYISM AND GEORGE BRYAN BRUMMELL’)
Gibson Square, 180 blz., € 13,-

Het is een verleidelijk misverstand om de dandy en de Engelse gentleman met zijn stijve bovenlip als tegenpolen te zien. Wie de kenmerken van een dandy op een rijtje zet, zal echter zien dat het hier eerder gaat om een uitvergroting van de gentleman. Hij is flegmatiek, origineel, onaangedaan, onafhankelijk van geest, a-intellectueel, welgemanierd en niet sexy. Daarnaast houdt hij van verkleden en toneelspelen. De oervader van het dandydom is Beau Brummell, ten tijde van de Regency-periode de ster in de high society. Dagelijks maakten de kranten er gewag van welk feest of welke salon de bleke, knappe Beau in de avonduren met een bezoek zou vereren, net zoals de Londense kranten tegenwoordig elke dag berichten in welke club Kate Moss of Sienna Miller de avond ervoor heeft doorgebracht.
Een betaalde betrekking had George Bryan Brummell, zoon van een hoge ambtenaar, niet. Zijn beroep was dandy, mede gefinancierd door kroonprins George IV, zijn beschermheer die bekend stond als de koninklijke dandy. Werken had ook niet gekund, want het aantrekken van zijn kleren – gestreken in de schone lucht van het platteland – kostte hem meer tijd dan de gemiddelde prinses in een boek van Tolstoi. Zijn belangrijkste karaktereigenschap was onverschilligheid, met een vleugje arrogantie. Dat kwam fraai tot uiting in de opmerking ‘Alvanley, who’s your fat friend?’ toen een vriend van hem met de kroonprins, bij wie Beau inmiddels in ongenade was gevallen, voorbij wandelde.
Brummell komt uiteraard ter sprake in het boek Dandy’s en decadenten: Engelse schrijvers van Byron tot Amis van Martin Koomen. Om een sprong te maken van deze dandy naar de literaire wereld doet Koomen een beroep op de Fransen. Zij dienden dit Engelse fenomeen namelijk een intellectuele injectie toe. Charles Baudelaire noemde het dandyisme bijvoorbeeld een laatste opleving van het heroïsche bestaan in het avondland. Het schiep een mogelijkheid om tegelijkertijd conservatief én rebel te zijn. Koomen ziet het dandyisme in de afgelopen twee eeuwen terugkomen bij Byron, Shelley, Keats, Wilde, Wodehouse, Waugh, Thomas, Auden, Larkin, Amis… Ja, eigenlijk bij elke belangwekkende Engelse schrijver, op Dickens na. Een omissie is trouwens Noel Coward.
In het fraai uitgegeven boek – het geel is een wenk naar The Yellow Book, het negentiende-eeuwse huisorgaan van de decadenten – bespreekt Koomen ze stuk voor stuk, van Byron met zijn ingewikkelde liefdesleven tot de misantroop Larkin als bibliothecaris in het miserabele Hull. Al snel blijkt dat het accent vooral ligt op de decadenten en minder op de dandy’s. Immers, een typische Engelse dandy zal zich niet snel bezighouden met een intellectuele nevenactiviteit als schrijven. Hij ziet het leven als een lange catwalk, een verblijf in een herenclub, als een kunstwerk in wording, doorgaans gevolgd door een tragische slotakte. De gedachten gaan onwillekeurig uit naar Sebastian Flyte in Brideshead Revisited en Oscar Wilde’s Dorian Gray.
Echte dandy’s zijn een uitstervend ras. Het democratische equivalent van Brummell in de moderne tijd is de androgyne en onverschillige Andy Warhol, maar die valt als Amerikaans kunstenaar buiten het bereik van dit boek, wat ook geldt voor de Engelse popartiest Jarvis Cocker. Om toch met een dandy te komen, noemt Koomen het personage Paul Trotter uit Jonathan Coe’s The Closed Circle. Koomen komt tot deze interessante conclusie omdat Trotter dure kleren draagt. Maar dat maakt hem nog geen dandy. Het gaat er niet om hoe duur de kleren zijn, maar wat voor kleren het zijn en hoe ze worden gedragen. Met zijn ambitie en zijn humorloze en hopeloze optreden bij Have I Got News For You is de New Labour-politicus Trotter eerder het tegengestelde.
Een ander bezwaar is het aantal anglicismen. Een huiskamer is een ‘salon’, een diner een ‘eetpartij’, geld verdienen ‘geld maken’, buurten zijn ‘kwartieren’, ontzag is ‘reverentie’ en een serieuze studie ‘een ernstige studie’. Bovendien weet ik niet of The Tatler de benaming ‘roddelblaadje’ verdient. Toch geeft Koomen een geanimeerde rondleiding door de Engelse literaire geschiedenis, al had de titel ‘Dandyistisch en decadent’ de lading beter gedekt. Voor wie meer wil weten over de dandy’s is het pas weer in het Engels vertaalde essay On Dandyism and George Bryan Brummell van Jules Barbey d’Aurevilly (waar ook Koomen naar verwijst) een aanbeveling.
Deze Franse edelman was een jonge vriend van Brummell in het Franse provinciestadje Caen, waar de dandy, z’n vaderland ontvlucht wegens gokschulden, zijn laatste jaren in toenemende armoede en waanzin zou doorbrengen. Hij was daar een tijdje de Britse consul, maar zelfs dat luizenbaantje was hem teveel. De romantische reactionair legt haarfijn uit waarom Brummell zo goed kon gedijen in de door welvaart en verveling gekenmerkte Age of Elegance. Barbey’s beschouwing wordt voorafgegaan door een essay van de vertaler, de schrijver, sinofiel en het voormalig Conservatief Kamerlid George Walden. Hij concludeert dat dandyism dan wel een Engels verschijnsel mag zijn, maar dat er, net als bij de Verlichting, een Fransman aan te pas moet komen om het te verklaren.