In Portugal verwelkt de Anjerrevolutie

«Fátima, Fado e Futebol»

Om deze drie-eenheid draaide het in het Portugal onder dictator Salazar, en ook na de Anjerrevolutie is zij intact gebleven. Maar hier en daar treedt slijtage op. Zo lijkt Benfica de belichaming van de fado te zijn geworden.

«Fátima, Fado e Futebol», dat waren in de woorden van Antonio Oliveira de Salazar de pijlers van de Portugese samenleving tijdens de zogeheten Estado Novo, het ruim vier decennia beslaande dictatorschap op fascistische grondslag, waarmee Portugal zich nog altijd Europees recordhouder mag noemen.

Ook na de glorieuze revolutie der anjers op 25 april 1974 hebben de «drie F’s van Salazar» hun magie behouden, al is er in het geval van Fátima na de recente onthulling van het zogeheten derde geheim duidelijk iets van stagnatie opgetreden. Het bedevaartsoord kampt deze zomer met een acute terugloop van het aantal bezoekers. De kerkleiding laat tot het Ware Geloof bekeerde Oost-Timorezen en masse overvliegen om hun dankbaarheid aan het Portugese staatsorakel te betuigen, maar ook dat leidde vooralsnog niet tot de benodigde reanimatie van de Fátima-mystiek.

Wellicht heeft het ermee maken dat de Portugese kerk zich de laatste tijd van een behoorlijk grimmige kant laat zien. De jubilerende hoofdpater (cónego) van Braga, Eduardo Melo, al vijftig jaar actief in de vrome hoofdstad van de Minho in het noorden van het land, riep in de Jornal de Notícias van 14 juli jongstleden op tot een kruistocht tegen het bewind van de socialistische premier António Guterres, wiens regering zich in permanente staat van crisis bevindt. De geestelijke pleitte voor een terugkeer van de oude waarden van de Estado Novo. «Dit land heeft een sterke man nodig, zoals Salazar», aldus Melo in het geruchtmakende interview.

Melo geldt als een van de grote restaurateurs van het extreem-rechtse Portugal. In de «hete zomer» van 1975, toen de Anjerrevolutie feitelijk werd beslecht — met als grote verliezers de extreem-linkse legerofficieren die de revolutie van 1974 hadden geëntameerd — was hij een van de aanvoerders van de MDLP, een beweging die met alle middelen streed tegen het veronderstelde voornemen van de Portugese Communistische Partij (PCP) om van het land een socialistische volksrepubliek te maken. Melo werd toen wel de «padre-bombista» genoemd, vanwege verdenkingen dat hij betrokken was bij aanslagen op het leven van links ingestelde geestelijken. Dat laatste ontkent Melo, maar hij zegt wel dat in zijn ogen alles was geoorloofd in de heilige oorlog tegen de PCP, «de vijand van het vaderland».

De grote ruk naar rechts die de kerkvader van Braga bepleitte, wordt wel in meer kringen bepleit. Het populaire neoconservatieve weekblad Expresso, van de machtige mediamagnaat Balsemão Pinto, signaleerde veel mogelijk heden voor een nieuw op te richten, rechtse partij. De huidige politieke markt van Portugal is overwegend linksdraaiend (zelfs de rechtse PSD van oud-premier Cavaco Silva noemt zich sociaal-democratisch), en de renaissance van rechts bleef tot op heden beperkt tot het wapengekletter van de Partido Popular (PP), die onder leiding staat van de behendige demagoog Paulo Portas, wiens broer Miguel weer aanvoerder is van het Bloc Esquerda, zeg maar het GroenLinks van Portugal.

De PP is voortdurend in de weer het leven van premier Guterres en president Jorge Sampaio zo zuur mogelijk te maken. Deze zomer ontbreekt het Portas niet aan materiaal. De net ingevoerde wet om het bezit wegens eigen gebruik van softdrugs voortaan niet langer strafbaar te stellen, wordt door Portas gepresenteerd als het begin van het einde: «Portugal wordt het nieuwe Amsterdam.» Voor het gemak gaat de PP-leider eraan voorbij dat het strenge drugsbeleid van de afgelopen decennia heeft geleid tot een ware epidemie van heroïneverslaving onder de Portugezen. Eerder dreigde de gouverneur van Madeira, de liederlijke PSD-peetvader Alberto Jardim, op grond van de socialistische drugswetten al met een staatsrechtelijke scheiding van het eiland van het continent.

Zelfs de literatuur wordt betrokken bij de ontluikende ouderwetse strijd tussen links en rechts. Het vage voornemen van de minister van Onderwijs om het zestiende-eeuwse epos Os Lusíadas van dichter des vaderlands Ca mões niet meer verplicht te stellen op de mid delbare school wordt door het rechtse kamp als hoogverraad gepresenteerd. «Die linksen hebben zich altijd geschaamd voor het kolo niale verleden van ons land en daarom willen ze van Camões af», aldus Portas. Zo lijkt de roep van Fátima, het epicentrum van de oude Portugese waarden, nog altijd niet verstomd.

Ook de fado, de tweede F van Salazar, is nog altijd een factor van belang. Twee jaar na haar dood is Amália Rodrigues, de keizerin van het Portugese levenslied, uitgegroeid tot Portugals oppergodin. Haar huis aan de Rua São Bento in Lissabon is nu een museum en hard op weg Fátima als bedevaartsoord te overtreffen. Casa Amália, dat de zangeres in 1955 betrok na bemiddeling van haar beschermvader (en, naar werd gefluisterd, minnaar), de bankier Ricardo Espirito Santo, is ondergebracht bij een stichting die Amália in haar testament oprichtte met als doel de armen van Lissabon en arme kunstenaars financieel bij te staan.

De residentie van de koningin van de fado is een waar paleisje, nog daterend uit de tijd van vóór Pombal. Het vier verdiepingen tellende pand is slechts gedeeltelijk opengesteld voor publiek, maar de Amália-liefhebber wordt zeker niet teleurgesteld. Naast de indrukwekkende verzamelingen schoenen en jurken van de «Maria Callas van de fado» biedt de rondleiding onder meer een grote collectie erekruizen (waarbij het grootkruis van de katholieke koningin Isabella van Castilië «vanwege verdiensten voor het Spaanse lied») en ridderorden die de zangeres tijdens haar meer dan vijftig jaar beslaande carrière kreeg uitgereikt in uiteenlopende plaatsen als Rio de Janeiro, Tel Aviv, Parijs en Boekarest.

Amália leefde in vorstelijke stijl, vertelt de vrouwelijke gids. Ze stapte niet voor één uur ’s middags haar bed uit. Getrouwd met een Braziliaanse ingenieur (na een kort en ongelukkig huwelijk met haar eerste man, de gitarist Fernando Cruz) leidde ze het leven van de bohémien. In de jaren zestig werden in haar huis bijna dagelijks grote feesten gegeven waarbij het puikje van de Portugese poëzie en muziek aanwezig was. De diva presenteerde zich graag als een van de straat geplukt zangeresje dat nauwelijks scholing had genoten, maar de collectie in Casa Amália verraadt dat ze in elk geval grote belangstelling had voor de literatuur. Een fraai oud exemplaar van de Lusíadas van Camões (de dichter die volgens Amália «meer voor de fado heeft gedaan dan wie dan ook») staat pontificaal opgesteld in de ontspanningskamer, naast een bundel verzen die Amália zelf schreef (zoals Estranha forma da vida, een van haar beroemdste fado’s).

Toen Amália medio jaren zestig op aandringen van de jonge Franse componist Alain Oulman gedichten van Camões begon te zingen op fadomelodieën leidde dat tot een nationale rel. De Camões-bewerkingen van Oulman — zoals het wonderschone Erros meus, «mijn vergissingen» — waren zonder meer een artistiek hoogtepunt van Amália’s rijke loopbaan. Maar een deel van haar oude aanhang vond dat Amália literaire blasfemie pleegde. «Camões zelf zou het misschien afwijzen», meende Amália, «maar ik zing zijn gedichten omdat ik ze mooi vind. Gedichten zijn er niet om in de boekenkast te staan; gedichten zijn er om gezongen te worden. Dichters horen bij het volk en ik ben van het volk.»

Amália beoogde met de openstelling van haar huis voor het publiek het Portugese volk duidelijk te maken wie zij precies was en hoe ze leefde. «Zo kunnen ze in elk geval zien dat mijn huis geen geheime gangen had waar ik ontmoetingen had met Salazar», zou ze hebben gezegd.

Amália werd na de Anjerrevolutie beschuldigd van banden met de PIDE, de gevreesde geheime dienst die Salazar oprichtte naar het model van de Gestapo. In haar biografie Amália (1987), geschreven door de populaire journalist Vitor Pavão dos Santos, legde Amália uit hoezeer ze onder die beschuldigingen had geleden. «Ik had vele jaren in een land geleefd waar de mensen voor me klapten, waar ze naar me lachten, deuren opendeden die voor anderen gesloten bleven. Het land zat vol mensen die van me hielden. Van de ene dag op de andere dag veranderde dat, vanwege een vuige roddel die iedereen slikte.»

Volgens de beweringen zou Amália in de nacht van 25 april 1974 in paniek haar huis uit zijn gevlucht in haar nachthemd toen de tanks van de muitende kapiteins Lissabon waren binnengereden. Ze zou zich hebben schuilgehouden op een politiebureau. Ze zou subsidies van Salazar hebben ontvangen. In werkelijkheid had Amália de dictator slechts twee keer kortstondig ontmoet. Ze bekende hem charmant te hebben gevonden, maar bezwoer dat er «niemand minder fascistisch is dan ik».

Opvallend was wel dat Amália twee dagen voor de Anjerrevolutie, op 23 april 1974, nog een tv-optreden had gedaan waarin ze een lied zong op een tekst van Manuel Alegre, een verboden dichter uit Coimbra, de latere peetvader van de Portugese socialistische partij. Ook zong ze voor de Anjerrevolutie al een fado als Abando (verlaten), geschreven door de dichter David Mourão-Ferreira, dat op het eerste oog een liefdeslied is, maar in werkelijkheid een klaagzang van een gedetineerde in de gevreesde PIDE-gevangenis van Peniche. Ook Alain Oulman, de in Lissabon geboren Fransman op wiens gezag Amália de grote Portugese dichters was gaan zingen, was voor 25 april gearresteerd door de PIDE op verdenking van staatsvijandige sympathieën.

Amália was dus geschokt door de beschuldigingen dat ze een handlanger van het fascis me was. «Het was een stomme en gemene streek en ik heb het nooit kunnen begrijpen. Ze zeggen dat het de communisten waren die me beschuldigden. Maar waarom dan? Wat heb ik hen misdaan? De enige communist die ik ken is Brito, mijn kapper, en die is nooit veranderd. Zoals hij nu spreekt, sprak hij vroeger ook. En ik weet zeker dat hij niets tegen mij heeft, want ik ken hem al heel lang.»

Ten aanzien van de Anjerrevolutie heeft Amália dan ook nooit erg enthousiast kunnen worden. «Het woord ‹justitie› kreeg voor mij na 25 april een vreemde klank», bekende ze. «Ik vind het vreemd dat mensen die in naam van het goede een revolutie beginnen, ten aanzien van mij zoveel kwaad begaan. En dat zonder redenen. Maar het ergste was niet wat men zei. Het ergst waren de mensen die het toelieten, zonder het voor me op te nemen. Niemand nam het voor me op. Mensen die al heel lang bij mij over de vloer kwamen, al die intellectuelen, al die dichters die verzen voor me schreven, mensen die me goed kenden en van wie sommigen later zelfs in de regering zouden komen — iedereen hield zijn mond, iedereen liet het gebeuren. Het was de agressie aan de ene kant en de stilte aan de andere kant die me toen zeer bedroefden.»

Amália’s levensverhaal is nu het onderwerp van de populairste Portugese musical aller tijden. Reeds 400.000 mensen trok de fadomusical Amália, van de hand van de bekende tekstschrijver Filipe La Féria, die al twee jaar op de planken wordt gebracht van het vermaarde Politeama-theater in Lissabon. La Féria baseerde zijn spektakelstuk op de biografie van Vitor Pavão dos Santos. De inktzwarte beschuldigingen uit de tijd van de Anjerrevolutie keren ook in de voorstelling terug, maar worden op adequate wijze weerlegd, hetgeen door het publiek met een ruimhartig applaus wordt beloond.

De Amália-musical is een soort hoogmis van de fado geworden en de ongekende kassakraker zal binnenkort beginnen aan een mondiale tournee langs alle landen waar Portugees wordt gesproken — van Brazilië tot aan de Verenigde Staten en wellicht ook Afrika. Het publiek gaat totaal uit zijn dak, vooral door toedoen van de diva Alexandra, die een zeer natuurgetrouwe kopie van Amália neerzet, inclusief een imponerende stem die dicht bij het origineel komt. De enige wanklank is de invasie van kortgebroekte toeristen in het theater, vaak met rugzak en al, die met hun boerse gedrag een danige bedreiging van het bijna religieuze gehalte van de voorstelling vormen. Boven alles blijkt dat Amália eens en voor altijd in de harten van de Portugezen is gesloten.

Dat werd ook al duidelijk toen Amália op last van de regering eerder deze zomer werd herbegraven in het Nationale Panthéon van Lissabon. De herbegrafenis veroorzaakte felle polemieken. Velen vonden het niet gepast om Amália weg te halen van de laatste rustplaats die ze zelf had gekozen. President Sampaio had er eerder voor gepleit Amália te begraven in de kerk van het Mosteiro dos Jeronimos in Lissabon, waar ook Fernando Pessoa en Camões liggen begraven. Maar uiteindelijk werd het het Nationale Panthéon, het nationale heiligdom dat in de jaren zestig op last van Salazar werd gebouwd.

Daar ligt Amália nu onder meer samen met generaal Humberto Delgado, de aartsvijand van Salazar die in 1965 op last van de dictator in Spanje werd geliquideerd door een team moordenaars onder leiding van PIDE-agent en Salazars hoffotograaf Rosa Casaco, die onlangs tot veler ontzetting van het Portugese gerechtshof te horen kreeg dat hij zonder gevaar voor arrestatie mag terugkeren van zijn ballingsoord in Spanje.

Vooral in de eerste maanden van Amália’s verblijf in het Nationale Panthéon deden zich hysterische taferelen voor rond haar tombe. Het maakte duidelijk dat ook de fado — die enige tijd populairder was in het buitenland dan in Portugal zelf — nu ook in het moederland weer op zijn gerechtvaardigde voetstuk staat.

Ook Futebol, de derde F-pijler van de salazaristische Estado Novo, is anno 2001 nog een uiterst gewichtige factor in het Portugese leven. Alles draait hier om voetbal. Dagelijks verschijnen er drie geheel aan voetbal gewijde kranten, A Bola, O Record en O Jogo — en het zijn met stip de best verkochte kranten van het land.

Iedere verkeerde stap op het trainingsveld leidt tot grote koppen op de voorpagina, de publicitaire pressie op bestuur, trainers en spelers is bijna ondraaglijk te noemen. In het centrum van de aandacht staat als vanouds Benfica, het vlaggenschip van het Portugese voetbal, dat nu al jaren in permanente staat van crisis verkeert. Benfica was ooit de trots van Salazar. Sterspeler Eusébio, de «zwarte parel» uit Angola, die de club in de jaren zestig wereldfaam bezorgde, werd door Salazar tot «nationaal bezit» verklaard, hetgeen hem belette te kunnen ingaan op de aanlokkelijke aanbiedingen die hem werden gedaan vanuit Italië en Spanje.

Samen met Amália Rodrigues, met wie hij een innige vriendschap kende, was Eusébio een nationaal symbool, ondanks de leer van dezelfde Salazar dat het zwarte volksdeel van het Portugese rijk als «inferieur» diende te worden beschouwd en in de koloniën als lastdier werd behandeld. Het kon niet verhinderen dat de grootste spelers van Benfica — naast Eusebio de legendarische vliegende middenvelder en aanvoerder Mario Coluna uit Mozambique — zwarte spelers waren.

De eerste buitenlandse speler kwam op 29 augustus 1979 in de figuur van de Braziliaan José Gomes. Schrijver Jose Cardoso Pires was toen fel tegen: «Ik ben al dertig jaar Benfiquista en dat zal ik nooit opgeven, maar ik denk wel dat het Portugese voetbal een grote fout begaat. Benfica onderscheidde zich lange tijd omdat het geen buitenlandse spelers had en nu stellen we ons voetbal open voor kolonisering vanuit Brazilië.» Maar de grote trainers van Benfica werden al uit het buitenland betrokken, zoals de Brit Ted Smith in de jaren vijftig, de Braziliaan Otto Gloria in de jaren zestig en de Zweed Sven Eriksson in de jaren tachtig.

Het gold als een grote nationale trots dat Benfica geen buitenlandse spelers aantrok. Angola en Mozambique telden als binnenland en daar mochten dus wél spelers vandaan komen. Het buitenlanderverbod in het stadion Da Luz in Lissabon hield stand tot 1979. Toen was het vanwege de dekolonisatie onmogelijk om Afrikaanse spelers als Eusébio als Portugees te beschouwen. Op 1 juli 1978 stemde de algemene vergadering van de vereniging Benfica met 472 stemmen voor en 62 stemmen tegen vóór het voorstel om vanaf dat moment ook buitenlandse spelers binnen de lijnen te brengen.

Vóór de Anjerrevolutie was Benfica zo goed als onoverwinnelijk. Met ijzeren regelmaat werden de prijzenkasten in het overladen museum van het stadion Da Luz bijgevuld. Als de club eens dreigde te verliezen — zoals in de finale om de nationale beker van 1969 tegen de studentenamateurs van Académica de Coimbra — werd dat niet door de televisie uitgezonden en dreigde de president tegen de gewoonte in niet te komen opdraven om de beker uit te reiken. Een historische goal van Eusébio besliste de wedstrijd echter alsnog in het voordeel van Benfica, maar de slag van het tegen het regime gekante studentenelftal van Coimbra geldt nog altijd als een historische slag tegen het salazarisme.

Het geheim van Benfica was ijzeren discipline. De spelers liepen na de ochtend- en de middagtraining kotsend van het veld. Na de Anjerrevolutie kwam de klad in de onoverwinnelijkheid van Benfica. De gehate concurrent Porto uit het noorden nam de regie over, met als ultieme vernedering vijf kampioenschappen op rij in de jaren negentig.

Met Benfica ging het ondertussen bergafwaarts. Het dieptepunt werd bereikt onder leiding van de vorige voorzitter, de advocaat João Vale e Azevedo, die inmiddels in preventieve detentie verkeert op vijftien beschuldigingen inzake fraude, het witwassen van zwart kapitaal en verduistering.

Vale e Azevedo, die medio jaren negentig werd binnengehaald als de grote verlosser, wordt er onder meer van beschuldigd de opbrengsten van de transfer van de Russische keeper Ovchinikov naar concurrent Porto via diverse belastingparadijzen op eigen geheime rekeningen te hebben laten storten ter financiering van zijn zeewaardige jacht, toepasselijk Lucky Me geheten.

Door toedoen van Vale e Azevedo dreigde Benfica verleden jaar ten onder te gaan. Topspeler en publiekslieveling João Pinto werd onder fel protest van hemzelf en zijn aanhang verkocht aan de grote vijand uit Lissabon Sporting, en de door Vale e Azevedo aangetrokken nieuwe sterren — zoals de Nederlander Pierre van Hooijdonk — moesten constateren dat de beloofde topsalarissen nooit op hun bankrekening arriveerden.

De crisis had grote consequenties. «Benfica is een nationaal instituut en haar crisis heeft betrekking op alle Portugezen», schreef Expresso. «Als een pilaar als Benfica bezwijkt, wordt alles onzeker, precair, veranderlijk. Wat zal het volgende instituut worden dat op zijn grondvesten trilt?»

Op de nationale dag der Benfiquistas is echter niet veel van die crisis te merken. De aanhang is in groten getale overgekomen naar het stadion Da Luz. Een felliniaanse optocht van kinderrijke gezinnen, boeren uit de Alentejo en hooggehakte travestieten uit Alfama verkent de legendarische grasmat. De fans inspecteren de badhokjes van de spelers en sissen een hartgrondig «filha da puta» wanneer ze in het Benfica-museum het portret van Vale e Azevedo passeren.

In het perscentrum legt Eusébio uit dat de dag van de hergeboorte van Benfica aanstaande is. Hij is sinds zijn afscheid van het voetballerbestaan in 1977 wat pondjes aangekomen, en de benen zijn stram. Maar hij is nog steeds de grote held. Ook de nieuwe sterke man van de club, Luis Vieira, legt uit «dat de tijd voorbij is dat men met Benfica kon spotten».

Dat lijkt te worden bewezen tijdens de twee daaropvolgende oefenwedstrijden tegen respectievelijk Fiorentina en Feyenoord, die Benfica makkelijk wint. De Angolese spits Pedro Mantorras, negentien jaar, maakt een paar aardige schijnbewegingen en wordt door het lyrische publiek meteen uitgeroepen tot de «nieuwe Eusébio». In de Benfica-pers wordt hij later al beter dan Eusébio genoemd, een staaltje van godslastering dat onmiddellijk wordt bestraft in de eerste competitiewedstrijd tegen het nietige Povoa de Varzim: een eerloze 2-2.

Geheel in overeenstemming met de traditie geeft de Benfica-leiding woedend de schuld aan de arbitrage. Ook Eusébio moet weer opdraven, ditmaal om zijn protegé Mantorras in bescherming te nemen. «De tegenstander laat hem niet spelen, men trapt hem telkens neer», aldus de held. «Zo is ook Marco van Basten voor het voetbal verloren gegaan… De tegenstander hoeft natuurlijk geen rode loper uit te rollen voor Mantorras, maar laat hem alstublieft wel spelen.» Dankbaar kijkt het jeugdige talent zijn leermeester aan. Maar in de ogen van Eusébio zit iets van verslagenheid, iets van fado. Gelooft hij zelf dan al niet meer in de magische wederopstanding van «O Glorioso»?