Media

Fatsoen

‘Multicultiknuffelaar’. Wilders had vrijdag weinig tijd nodig om Cohen als beoogd lijsttrekker van de PvdA een eerste verbale kopstoot toe te dienen. Of deze strategie hem in dit geval zal helpen valt nog te bezien, feit is dat de hoogblonde leider een zeker talent niet valt te ontzeggen wanneer het erom gaat opponenten of bepaalde toestanden in beeldende taal neer te zetten. En hij is de enige niet. Zo bestempelde zijn partijgenoot Dion een collega-Kamerlid als 'een beginnend lijder aan Alzheimer’, terwijl 'gepensioneerd worstendraaiert Marijnissen’ (GeenStijl) minister Koenders vorig jaar vanuit zijn Kamerbankje toeriep dat hij een 'flapdrol’ was.
In Den Haag wordt al een jaar of wat geklaagd over wat gezien wordt als een 'verruwing’ van de politiek, met name in het taalgebruik, als uitdrukking van een groeiend gebrek aan fatsoen. Echo’s daarvan klinken door in de media. Journalisten neigen er sterk toe zulke geluiden als evidente feiten te behandelen, terwijl ze dat toch allerminst zijn. Wie spreekt over verruwing of een groeiend gebrek aan politiek fatsoen veronderstelt immers dat het vroeger anders, beter, was. En dat is zeer twijfelachtig - sterker nog: tot ver na de Tweede Wereldoorlog ging het er in Nederland, zowel in het politieke debat als in de media, vaak veel ruiger aan toe dan nu.
Om dat aan te tonen hoeven we nog niet eens terug te gaan naar het einde van de negentiende eeuw, toen de aanhangers van verschillende politieke stromingen herhaaldelijk met elkaar op de vuist gingen, zoals oud-journalist Piet Hagen pas nog eens heeft laten zien in zijn mooie biografie van Pieter Jelles Troelstra, Politicus uit hartstocht. Niet alleen werden Troelstra en zijn familie herhaaldelijk bedreigd en aangevallen door oranjegezinde en antisocialistische demonstranten, ook binnen de eigen beweging kon het er heftig aan toe gaan. Zo bestreden verschillende fracties elkaar rond de eeuwwisseling niet alleen verbaal, maar ook fysiek, op straat, colporterend met hun eigen bladen, bij betogingen en stakingen of tijdens vergaderingen. Roemruchte Amsterdamse gelegenheden als Amicitia, café Voorwaarts en verenigingsgebouw Constantia zagen zich meer dan eens genoodzaakt het meubilair te vervangen, wanneer een socialistische bijeenkomst weer eens was uitgelopen op een veldslag tussen de revolutionaire aanhangers van Domela Nieuwenhuis en meer gematigde sociaal-democraten.
De stabilisering van de politieke verhoudingen in Nederland na de Eerste Wereldoorlog betekende niet dat de toon in het politieke debat veel gematigder werd. De periode van verzuiling wordt doorgaans geassocieerd met slaapverwekkende politiek, maar dat laat zich niet direct afleiden uit de taal die politici en media bezigden, integendeel. Zo putten de landelijke dagbladen - in de jaren tussen de wereldoorlogen nauw verbonden met de politieke partijen, met uitzondering van De Telegraaf - zich dagelijks uit in spijkerharde tirades tegen politieke tegenstanders.
In commentaren en hoofdartikelen, dikwijls door politici geschreven, wemelde het van krachttermen als 'misleidend’, 'leugenachtig’, 'dictatoriaal’, 'walgelijk’, 'duivels’, 'slap’, 'beschamend’, 'dwaas’. Het socialistische dagblad Het Volk beschuldigde de katholieke pers ervan 'op de ondergrondse wateren der riolering hare veldslagen te leveren’, terwijl de liberale NRC werd gekwalificeerd als 'het hooghartig-waanzinnige orgaan van onze bourgeoisie’. De Standaard, het dagblad van de antirevolutionaire politicus Colijn, bediende zich van vergelijkbare adjectieven, niet alleen in verband met voor de hand liggende tegenstanders als socialisten of communisten, maar ook tegen de 'zuiver revolutionaire’ SGP en haar 'blinde volgelingen’, misleid door het 'demagogisch drijven’ van dominee Kersten.
Hoezo verruwing en demonisering?
De huidige bezorgdheid over het veronderstelde verval van de politieke mores laat zich vanuit dit perspectief op verschillende manieren begrijpen. Ten eerste stelt de huidige maatschappij blijkbaar striktere grenzen aan het gedrag in de publieke ruimte - zoals tienjarige jongetjes tegenwoordig voor een brandje in een vuilnisbak naar HALT worden gestuurd, terwijl ze vroeger voor hetzelfde kattenkwaad een draai om hun oren kregen.
Tegelijk onderstrepen de klachten een pijnlijk gebrek aan historisch besef, zowel bij politici als journalisten. Dat tekort wreekt zich ook in andere discussies, bijvoorbeeld over de islam, die wat vrouw-onvriendelijkheid, homohaat en intolerantie jegens ongelovigen betreft weinig onderdoet voor wat tot twee generaties geleden vanaf de katholieke kansels werd gepredikt.
Ten slotte toont de huidige discussie over politieke en journalistieke omgangsvormen aan dat het thema inmiddels zélf een zuiver politiek issue is geworden. Dat is begonnen met Fortuyn, die de term 'demoniseren’ strategisch inzette om zijn tegenstanders verdacht te maken, om te eindigen bij Pechtold en Cohen, die het veronderstelde gebrek aan fatsoen als politiek argument tegen Wilders en consorten in stelling brengen. Terwijl we toch zoveel netter discussiëren dan vroeger.