Fatsoen

Dat ik het woord ‘fatsoen’ amper in mijn mond durf te nemen komt door mijn opvoeding. In ben in de jaren vijftig geboren, een periode waarin dit verschijnsel hoogtij vierde. Vrij snel werden mij de codes van beschaafd gedrag ingepeperd. Zo leerde ik bijvoorbeeld dat je nooit iemand met een slappe linkerhand moet begroeten. Eveneens taboe was het plots onderbreken van de lunch of het avondmaal om een inopportune toilet-stop in te lassen. Het laatste woord willen hebben was ook verboden en te allen tijde voor je gesprekpartners gereserveerd. Deze wet schenden kwam je op een uitbarsting van fatsoenlijk geweld te staan, maar geen nood, want een verdiende klap mocht je wel kei- en keihard met je linkerwang beantwoorden. Met één oog altijd gericht op mijn moeders karwats met negen leren riemen die klaar voor gebruik op het buffet lag, had ik mijn fatsoensopleiding bijna voltooid toen ineens alles anders moest. Zo betrad ik met veel meer pret de jaren zestig en zeventig waar onfatsoen juist een grote deugd werd. Ik leerde stenen naar de oproerpolitie gooien, leraren brutaal te onderbreken, te staken in het wild, schone muren van subversieve laagjes verf te voorzien en iedere vorm van autoriteit te betwisten. Alles tezamen genomen hebben beide perioden een grote indruk op mij gemaakt, maar mijn voorkeur gaat naar de tweede.

Niet verwonderlijk dus dat ik me weinig aangesproken voel door de laatste oproep van de Amsterdamse burgervader Patijn tijdens de nieuwjaarsreceptie van de gemeente. De burgemeester verlangt van de hoofdstedelijke burgers een netter gedrag: minder harteloosheid en hardhandigheid tegen medeburgers. Op zich heb ik daar niets tegen. Problematischer wordt het wanneer Patijn concreter wordt. Hij eist meer respect in het bijzonder voor politieagenten en ambtenaren. Hij verlangt dus genormaliseerd gedrag van mensen zonder autoriteit ten aanzien van hen die officieel gezag uitstralen. Ik weet dat Nederland een obsessionele relatie onderhoudt met concepten die over normen en waarden gaan. Maar in de mond van bestuurders zijn normen al te vaak synoniem voor orde, en waarden voor gezag. Bovendien kan ik me al jaren niet aan de indruk onttrekken dat er op dit punt weinig aan Nederland mankeert. Het land is netjes, fatsoenlijk en af. Er worden weliswaar in openbare ruimten nogal wat boeren en winden door de autochtonen gelaten, maar volgens de waarneming van buitenlandse reizigers die in de loop der eeuwen Nederland hebben bezocht is dit een stevig verankerde component van de nationale identiteit. Niet aan dit kostbare erfgoed zitten dus. Op het gebied van fatsoen is alleen Zwitserland verder gekomen dan Nederland. Maar als dit het voorbeeld is dat Patijn voor ogen heeft, dan moet hij zelf maar beginnen met het opruimen van de softdrugs- en prostitutiesector om op de vrijgekomen locaties reuzekoekoekfabrieken neer te zetten. Nederland is door en door beschaafd. Hier heeft Wim Kok geen nicotineseks nodig om beter te presteren, maar hooguit een eitje op zondagochtend. Het land wordt niet om de dag door stakingen lamgelegd en de pedofielen zullen nooit op de Dutroux-tour gaan: ze hebben dominee Visser als woordvoerder en kerken als vergaderruimten. Nederland is het fatsoen zelve. Hier worden asielzoekers niet in hun pensions levend geroosterd, maar wordt hun toekomstige onderkomen door rijke burgers netjes opgekocht. De enige onbeschaafde elementen zijn in de minderheid en meestal te vinden bij de gezagsdragers. In het bijzonder bij de politie die zich de laatste jaren gespecialiseerd heeft in het illegaal importeren van stuff en coke. In Rotterdam heeft de hoofdcommissaris maandenlang zijn superieur met modder en drek bedekt. Hij werd zo onfatsoenlijk dat hij de deur uitgeschopt moest worden. In Amsterdam blijkt de bekendste diender van de stad, Nordholt, een geldwolf die iedere minuut van zijn tijd benut om nieuwe bijbaantjes te verzinnen, zodat hij het belastinggeld van de burgers via duur betaalde adviseurschappen voor gemeentelijke instellingen in zijn zak kan steken. En wat zegt Patijn over dit onfatsoenlijke gedrag? ‘Dat mag hij doen als het maar in zijn vrije tijd is.’ Onbeschaafdheid, gebrek aan respect voor je medeburgers en egoïsme worden dus toch wel - heel Nederlands - gedoogd. Maar alleen buiten werktijd.