Fatsoen

Michael Moore heeft zich weer in het debat gemengd. In een bijdrage aan de internetpublicatie Truthout schrijft hij over het uitschakelen van Osama bin Laden. Wat George W. Bush in zeven jaar oorlog niet is gelukt, heeft Barack Obama binnen twee jaar voor elkaar gekregen.

Bush heeft in Irak zeven jaar een vergeefse oorlog gevoerd die door leugens werd gerechtvaardigd, waarin vijfduizend Amerikaanse soldaten zijn gesneuveld, misschien wel enkele honderdduizenden Iraakse burgers het leven hebben verloren en die enkele biljoenen dollars heeft gekost. Onder Obama heeft de geheime dienst de voorbereidingen getroffen waarna een eenheid commando’s het werk heeft afgemaakt. De afronding en de bekendmaking hadden beter gekund, maar toen hij het nieuws hoorde, heeft ook Michael Moore een gat in de lucht gesprongen.
Het is voor het eerst dat ik het einde van Osama bin Laden door een Amerikaan op deze manier in perspectief gezet zie. Michael Moore heeft zich voor mij onvergetelijk gemaakt door zijn boek Dude, Where’s My Country?, uit 2003, en door zijn film Bowling for Columbine, waarin hij het opperhoofd van de National Rifle Association, Charlton Heston, genadeloos te kakken zet. In deze bijdrage aan Truthout gaat hij ook weer nader in op het verval van het publiek fatsoen in Amerika. Daarvan is de oorlog tegen Irak een gigantisch symptoom.
Moore is niet de enige die het op deze manier bekijkt. In 2008 verscheen The Prosecution of George W. Bush for Murder van Vincent Bugliosi. De schrijver, jurist, had al naam gemaakt als openbare aanklager in de rechtszaak tegen Charles Manson (moordenaar van Sharon Tate), waarover hij het boek Helter Skelter schreef. Zijn boek over Bush werd binnen een paar weken een bestseller, maar belangrijke media, onder meer ABC televisie, weigerden advertenties en de kritiek heeft het terughoudend behandeld, om het zacht te zeggen. Ook dat geeft een indruk van de toestand van het fatsoen in Amerika.
De compromisloze oppositie tegen de oorlog in Irak is voornamelijk uit de journalistieke hoek gekomen. We hebben de boeken van Bob Woodward, Seymour Hersh, Peter W. Galbraith; het weekblad The Nation heeft zich consequent aan zijn standpunt gehouden, The New York Times heeft zich genuanceerder opgesteld maar in grote trekken valt dit dagblad niets te verwijten. Dan, in 2008, komt het neoconservatieve tijdschrift The American Interest met een themanummer getiteld Iraq: What if We Win? waarin politiek filosoof Richard Pipes uitlegt dat ‘we al jaren geleden hebben gewonnen’. Hij is bang dat met een nieuwe Amerikaanse regering van 'linkse vredesdemocraten’ alles wat onder Bush bereikt is weer verloren zal gaan. Geen woord over de hecatomben, de enorme verwoestingen, de martelpartijen, Abu Ghraib, Guantánamo, het effect dat dit alles in de Arabische wereld moet hebben. Nee, we hebben gewonnen! Dat is wat ik met het verloren gaan van fatsoen bedoel. En dan, drie jaar later, wordt onder het commando van de nieuwe, van linkse sympathie verdachte president eindelijk staatsvijand nummer één opgespoord en onschadelijk gemaakt. Even is het rancuneus gehuil van rechts verstomd.
Hoe is het intussen met de kleine bondgenoot Nederland? Na veel hangen en wurgen is in 2009 de commissie-Davids ingesteld. Waarom? Omdat er groeiende twijfel was aan de rechtvaardiging van opeenvolgende kabinetten-Balkenende, eerst om de aanval juridisch en politiek te steunen, daarna om daadwerkelijk aan de oorlog mee te doen. Dat duurde dus ook zeven jaar voor het zo ver was. Na een voorbereiding in 2002 lieten we ons het jaar daarop de oorlog tegen Irak in praten, tegen beter weten in. We hadden beter naar Schröder en Chirac moeten luisteren.
In juni 2004 verscheen in NRC Handelsblad een artikel van Joost Oranje, 'Hollandse oorlogslogica’, waarin duidelijk beschreven staat hoe de AIVD en de MIVD hadden getwijfeld aan de Amerikaanse voorstelling van zaken op grond waarvan de oorlog ten slotte is begonnen. Daarbij verdient ook de aandacht dat het besluit tot de aanval tot een tijdelijke verwoesting van het westelijk bondgenootschap heeft geleid. In Den Haag werd over die kleinigheid niet verder gepraat. Onze jongens en meiden zaten intussen in al-Muttanah, waar ze de heilzame Dutch approach beoefenden, maar dat was aan de bushisten niet besteed. Zonder ophef zijn we er weer vertrokken.
In januari 2010 kwam het rapport van de commissie-Davids. Zeer kritisch. De Nederlandse steun ontbeerde een internationale rechtsgrond, het kabinet had het parlement meermalen met een kluitje in het riet gestuurd, als je het beleid aan de normen van het normaal fatsoen toetste, deugde er weinig of niets van. Na de publicatie heeft het even een beetje rumoer veroorzaakt en daarna zijn we weer overgegaan tot de binnenlandse orde van de dag.
Nu is Osama bin Laden uitgeschakeld, op een relatief eenvoudige manier tegen relatief geringe kosten. Je zou denken dat daardoor de hele oorlogsgeschiedenis in een nieuw, onbarmhartig licht komt. Alleen Michael Moore laat iets van zich horen.