Reportage: Verharding treft daklozen en verslaafden

Fatsoen aan de onderkant

De samenleving is verhard. Daklozen en ver slaafden ondervinden dat aan den lijve. «We worden gestraft omdat we niet de burgers zijn die de regering wil dat we zijn.»

«Paul, mag ik even mijn advocaat uitschelden via jouw telefoon?» Om de hoek van de fietswerkplaats van Paul Speet verschijnt het hoofd van een jongeman. Hoe oud zal hij zijn? Zijn gelaat is gegroefd. «Ga je gang», zegt Speet, «maar hou het wel een beetje rustig, hè?» De jongeman verdwijnt in het kantoortje. «Hij heeft een taakstraf», vertelt Speet. «Ik vraag me af wat er van hem terecht moet komen. Hij slaapt onder de brug.»

Hulpverlener Paul Speet zit nu zeker 35 jaar «aan de onderkant», zoals hij het zelf noemt. Tien jaar lang was hij agent, daarna werd hij hulpverlener. Dat is hij nu al weer 25 jaar. Hij bestiert een fietsenproject in Amsterdam-Oud-West. Alcoholisten, (ex-)druggebruikers en daklozen leren er fietsen opknappen. Doel is ze weer wat arbeidsdiscipline bij te brengen in de hoop dat ze niet alleen een baan vinden, maar die ook weten te behouden. Soms lukt het, vertelt Speet. Charlie zit nu op de fietsenvakschool. En één van Speets jongens is inmiddels gecertificeerd slotenmaker. «Hij mag alle sloten in Amsterdam openbreken. Ik kan je vertellen dat-ie vóórdat hij dat certificaatje kreeg al heel veel praktijkervaring had.»

Wie de staat van Nederland wil peilen kan deftige essays en columns schrijven, interviews houden met berekenende politici en vergoelijkende bestuurders, of lij vige rapporten doorworstelen van onderzoeksinstellingen die duur doen met belastinggeld. Je kunt ook het oor te luisteren leggen bij de mensen die nooit wat gevraagd wordt. Hoe gaat Nederland om met zijn hoeren, alcoholisten en junkies? Dáár zit de echte pijn, dáár vallen de hardste klappen.

Negen uur ’s ochtends. «Het maakt geen zak uit of-ie nou tegen een voorwiel gemonteerd wordt of tegen een achterwiel», klinkt het door de werkplaats. Paul Speet behandelt vandaag de dynamo. Negen mannen en twee vrouwen staan om hem heen. Sommigen van hen taakstraffers. Een enkeling met een paars gezicht van de drank. Ze luisteren aandachtig, er worden veel vragen gesteld. Die fiets kan hen een stapje verder brengen. Misschien zelfs «aan de goede kant van het strepie», zoals Speet het uitdrukt in zijn Noord-Hollandse tongval. Paul Speet is een hulpverlener van de oude stempel. Hij houdt van aanpakken. Al die protocollen en procedures zijn aan hem niet besteed. En dat waarderen «zijn jongens». Hulpinstellingen zijn vooral druk bezig zich te profileren, vertelt hij. Ze hebben persvoorlichters in dienst en hebben het over «cliënten». «Zelfs de manier waarop een cliënt begroet moet worden, wel een hand geven, niet een hand geven, is vastgelegd in protocollen», zegt hij met een vies gezicht. «Als ik drie jaar bezig kan zijn met een drankverslaafde psychiatrische patiënt krijg ik hem weer op de been. Maar die tijd is ons niet meer gegeven. Europese subsidies voor hulpprojecten duren maar twee jaar. En dan moet er weer iets nieuws komen, want de instelling wil een goede pers halen. En dat doe je met vernieuwing, toch?»

«We leven in een sterk geïndividualiseerde samenleving. Mensen helpen elkaar niet meer. De mensen die hier komen redden het niet zonder anderen. Ze zijn in een constant gevecht met de instanties waarvan ze afhankelijk zijn», zegt Speet. «Ergens trek je een streep als samenleving van wat nog sociaal aanvaardbaar is. Je zou denken dat die streep getrokken is bij het hebben van voldoende eten om in leven te blijven. Dat we mensen hier niet laten verhongeren. Maar ik maak hier jongens mee die om half vijf naar de Ten Kate-markt gaan op zoek naar restjes groenten, fruit of wat ook maar eetbaar is.» Hij is zijn vechtlust nog niet verloren, maar het idealisme is hij inmiddels wel kwijt: «Het is de laatste jaren zo veel harder geworden in de hulpverlening. Soms zie ik die jongens met de instanties worstelen, proberen hun uitkering op tijd te krijgen, proberen weer een huis te vinden. Dan denk ik: nee, het leven is niet leuk. Vijfentwintig jaar geleden streed ik voor een rechtvaardiger samenleving. Maar het is ons niet gelukt. Daar word ik elke dag weer op gewezen. We zijn steeds asocialer geworden. Ik heb mijn idealen bijgesteld. Mijn generatie heeft het geprobeerd. Nu hoop ik op een nieuwe generatie van mensen die het óók nodig vinden hun medemens te helpen.»

Er zijn verhalen die hem bijna cynisch maken. Hij kent het geval van een jonge vrouw die overal tussenin valt. Ze heeft een dochtertje en wil dat goed opvoeden, dus leeft ze in een huis dat te duur is om van een uitkering te betalen. Haar geld verdient ze als prostituee in een club. Ze wil uit dat leven stappen wegens haar opgroeiende dochter. Paul Speet: «Dus gaat ze naar de sociale dienst, om te vragen of ze een uitkering kan krijgen en wellicht een cursus waarmee ze uiteindelijk een nette baan kan bemachtigen. Maar de sociale dienst vraagt haar hoe ze aan het geld komt om haar huis te betalen en haar dochter te onderhouden. U heeft ons helemaal niet nodig, is de boodschap. Als ze vertelt dat ze in een club werkt, wordt dat doorgegeven aan de fiscus. Die zal haar zo’n waanzinnige aanslag opleggen voor gederfde belastinginkomsten dat ze haar huis zal moeten opgeven en met haar dochtertje op straat terechtkomt. Soms denk ik: had ze maar een verslavingsprobleem. Dan kon ze tenminste geholpen worden. Nu halen de instanties hun schouders op. Maar ja, je kunt je afvragen wat je eigenlijk hebt aan dat hele circus. Na maanden aanmelden kom je in de ‹beslisboom›. Dan bepaalt men dat je geschikt bent voor een ‹vijf-gesprekken-model›. Die gesprekken zijn zo voorbij en duren veel korter dan de aanmelding. Dit soort gekkigheid maak ik steeds vaker mee.»

Soms kan hij écht helpen. Frans bijvoorbeeld, een lange dakloze gozer die erg houdt van «bruine boterhammen», zoals pijpjes pils in straatjargon worden genoemd, was als een kind zo blij toen Speet hem een simpele oplossing bood voor zijn probleem. Frans ontvangt nu eindelijk maandelijks zijn uitkering. Die moet hij steeds in één keer opnemen. Maar hij is een goeierd, dus leent hij geld aan al zijn makkers. En die betalen het hem niet terug. Wat hij overhoudt zuipt hij op. «Daar zat hij echt mee. ‹Nou Frans›, zei ik, ‹het is heel simpel: wij bewaren jouw geld hier in de kluis. We zetten even op papier hoeveel je in bewaring geeft en als je er wat van nodig hebt, haal ik het voor je te voorschijn.› Hij wist niet wat hij hóórde. Dat de oplossing zo simpel kon zijn, dat je daar niet allerlei instanties voor moest aflopen, dat was voor hem een wonder.»

Het verhaal van Leo (45) is exemplarisch. Leo is een kleine, brede vent met armen vol tatoeages, zijn haar in een staart en om zijn nek een groot cyrillisch kruis en een kogel aan een kettinkje. Gekregen van Roemeense vrienden, die kogel. Leo kreeg op zijn twintigste een motorongeluk, waardoor hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt werd verklaard. Hij is van beroep lasser/bankwerker, maar hij mocht geen zwaar werk meer doen. Dus ging hij op de grote vaart, waar ze niet zo moeilijk doen. Toen hij dat zat was werd hij portier en glazenwasser op de Amsterdamse Wallen. «Ik verdiende grof geld, werkte soms veertien uur per dag. Maar mijn vrouw maakte alles op en toen ben ik gegaan. Maar ja, niet over nagedacht, dus ik stond op straat.» Uiteindelijk kon hij via een uitzendbureau terecht bij een lasbedrijfje, een onderaannemer van Corus. Daar werd hij weggestuurd omdat hij niet in de groep paste. «Ik zie er onaangepast uit, maar ik ben heus de kwaadste niet», zegt hij. Toen hij bijna zijn huis uit werd gezet vond hij weer een baantje, dit keer op de vrachtafdeling van Schiphol. Hij maakte veel overuren, verdiende redelijk. Maar ook die baan verloor hij: hij werd slachtoffer van de flexwet. Hij werd niet in dienst genomen door Schiphol en het uitzendbureau mocht hem niet meer detacheren. Toen ging het mis. Hij vroeg een uitkering aan, maar kreeg te horen dat hij het voorlopig maar moest doen met de centen die hij gespaard had van het overwerk. Maar Leo had niets gespaard. En de uitkering liet op zich wachten. Toen hij een paar maanden huurachterstand had werd hij op straat gezet. Zijn inboedel, die hij nog had kunnen laten opslaan, verloor hij ook omdat hij de opslag niet meer kon betalen. Twee jaar lang was hij dakloos, woonde soms op straat, soms op een dope-boot in de Amsterdamse grachten. Hij greep naar de fles. Hij probeerde uit alle macht weer aan het werk te komen, maar hij mocht niet. «Mijn rug, altijd weer dat gezeik. Ik werk graag hard. Als ik niets te doen heb word ik helemaal gek. En ja, dan drink ik wel eens een paar pilsjes te veel. Maar dat is nu ver leden tijd.» Toen hij bij het fietsproject van Speets terecht kwam, dreigde het GAK roet in het eten te gooien. «Die vonden dat ik maar beter loempia’s kon gaan vouwen en frikadellen tellen. Maar ik ben een techneut. Ik wil sleutelen.» En dat heeft hij ze haarfijn uitgelegd – op zijn geheel eigen wijze: zonder geweld, maar «met hier en daar een krachtterm». De beveiliging smeet hem de deur van de instelling uit. Vervolgens stopte zijn uitkering: hij kwam opeens niet meer in de computer voor. Dit keer hield hij zich in. Het probleem werd opgelost, maar weer zat hij een tijdlang zonder geld. Kom dus bij Leo niet aan met een verhaal over fatsoen en burgerzin: «Ga daarmee maar naar de instanties. Díe zijn onfatsoenlijk.»

«Over het algemeen zijn het werkelijk prima lui, mijn jongens», zegt Speet. «Ze worden vaak behandeld als uitschot, maar ze hebben wel degelijk burgerzin in hun donder. Jeroen, een zwerver met een drankprobleem, helpt wél spontaan een meisje met het opzetten van een marktkraam. Op weg naar mijn fietsenwerkplaats zag hij haar stuntelen. Dat wordt niks, dacht-ie. Hij heeft gewerkt als een paard. Hij zag er niet uit toen-ie hier aankwam.»

Maar uitschot is uitschot, redeneert de samenleving. Frans, de lange zwerver met geld, en zijn maat Ed hebben hun vaste plekje in het Vondelpark. Ze doen geen vlieg kwaad en ruimen netjes hun rommel op. Ze hebben een televisietoestelletje bij de vuilnis gevonden en een stopcontact aan de buitenkant van het pand waar ze tegenaan slapen. Frans ver kneukelde zich al de hele dag: lekker tv kijken met Ed! Vanaf het pad zijn ze vrijwel niet te zien. Maar de Amsterdamse dienders kennen hun plekje inmiddels wel. Als Frans en Ed zich net voor de buis hebben genesteld, komen drie agenten hen vertellen dat ze binnen enkele minuten weg moeten zijn. Even later voegen zich nog drie agenten bij hen. Het gaat hen niet snel genoeg, dus wordt er geduwd en getrokken. Zes bewapende overheidsdienaren die de samenleving een hoop geld kosten verstoren bars het beetje burgermansgeluk van twee zwervers.

Carolien (37) heeft nu weer een dak boven haar hoofd. Een tijdje geleden werd ze op straat gezet. Nu woont ze bij iemand in. Ze rookt crack. We lopen over de Wallen, op weg naar de plek waar ze enkele schilderijen heeft hangen. Jaren geleden, toen haar druggebruik nog minder hevig was, deed ze de avondopleiding van de Rietveld Academie in Amsterdam. «Burgerzin is dat je je bijdrage levert aan de samenleving. Dat je niet asociaal bent. Dit is een afspiegeling van de grote wereld. Dat troost me. Als ik een klotedag heb en geript wordt van vijftig euro, dan denk ik: in de grote wereld worden mensen in één klap beroofd van hun hele levenswerk.» Carolien is prosti tuee, maar ze tippelt niet. «Je hebt ook burgerzin in mijn werk. Er zijn mannen die willen dat je ze pijpt in een steegje, waar mensen wonen. Dat doe ik niet. Straks ziet een kindje het! ‹En dat moet jij ook niet willen›, vertel ik zo’n vent dan. Ik wil die mannen niet zien als viezeriken die ik moet afwerken. Ik wil een beetje versierd worden. Natuurlijk komt er wel geld bij kijken, want het product heeft zijn kosten.»

Druggebruikers worden opgejaagd door de politie. Ze kunnen om allerlei redenen boetes en straatverboden krijgen. Uiteindelijk komen ze daarvoor in de bak terecht. Job Joris Arnold was vijf jaar lang directeur van MDHG, de belangenvereniging voor druggebruikers. Sinds september werkt hij als coördinator bij Bonjo, de belangenorganisatie voor het justi tieel gebonden vrijwilligerswerk in het gevangeniswezen. «Hangouderen» noemt hij druggebruikers op de Amsterdamse Wallen: de meesten zijn de middelbare leeftijd gepasseerd. «Een vrouw die op een bankje zat kreeg te horen dat ze doelloos rondhing. Toen ze opstond en wegliep heette het dat ze tippelde. Druggebruikers zijn vogelvrij. De politie kan met ze doen wat ze wil. Iedereen heeft wel wat staan, dijkverboden, onbetaalde boetes. Als er weer een koninklijk huwelijk of een eurotop is, kunnen ze de boel schoonvegen en de meesten een paar weken opbergen.»

Vanaf 1 januari heerst de legitimatieplicht. Veel gebruikers dragen geen documenten bij zich. Die zijn zoekgeraakt of worden bewaard door hulpverleners. Sommigen hebben hun legitimatie verpatst. «Ze kunnen enorme boetes krijgen die ze niet kunnen betalen», zegt Arnold. «Leuk nieuw middel voor de politie om ze van straat te halen.»

Op een van de bruggen wordt hij aangesproken door een scherp geklede hangoudere. Het is de Burgemeester, een van de oudste druggebruikers op de Wallen. «Ik heb het geprobeerd», zegt de Burgemeester. Toen het politiebureau in de Beursstraat werd geopend mocht hij ook een woordje doen. Hij was snel klaar. «Jullie moeten ophouden met ons op te jagen», zei hij tegen de verzamelde agenten. Hij kreeg applaus. «Ze groeten me nu wel altijd vriendelijk», zegt de Burgemeester, «maar ze laten ons nog steeds niet met rust.»

Arnold zag hoe de sfeer verslechterde: «We hebben echt kunnen merken dat de samenleving is verhard. Het is afgelopen met het gedogen. Als de buren maar vaak genoeg klagen word je je huis uit gezet.» Hij zag een merkwaardige verschuiving in Nederland, het land dat zo hoog opgeeft van fatsoen en barmhartigheid. Er ging steeds minder geld naar de opvang van druggebruikers en daklozen. «Maar er komen nu wel zevenduizend extra plaatsen bij in het gevangeniswezen. Die zullen per toerbeurt bezet worden door mensen die buiten de gevangenis geen opvang meer kunnen krijgen. Die justitiële draaideur is inmiddels hun levensvoorwaarde. In de gevangenis hebben ze een bed en krijgen ze te eten. Van het geld dat die zevenduizend cellen kosten kun je veel meer bedden zonder tralies creëren. In de repressieve sfeer kan de weelde niet op, want veiligheid is het motto, maar voor maatschappelijke opvang hebben we geen geld meer over.»

«Burger zijn van Nederland doet me pijn», zegt Fred (36). Hij gebruikt cocaïne en heroïne. «Kijk naar die Balkenende, wat-ie met ons doet. Mijn maten worden uit huis gezet omdat de regering zo nodig harder wil optreden. Maar daarmee help je niemand. We worden gestraft omdat we niet de burgers zijn die de regering wil dat we zijn.»

De namen van sommige personen zijn veranderd in verband met hun privacy