Isaiah Berlin, Flourishing: Letters 1928-1946

Fatsoen boven alles

Isaiah Berlin

Flourishing: Letters 1928-1946

Chatto & Windus, 756 blz., € 48,72

In april 1933 schreef de 24-jarige Isaiah Berlin, die enkele maanden eerder was uitverkoren als prize fellow van het prestigieuze All Souls College in Oxford, aan een vriendin een enthou siaste brief over een recent bezoek aan Nederland. Als fervent muziekliefhebber had hij genoten van «het beminnelijke, nogal goedkope spul dat naar ik me voorstel in 1912 werd gespeeld». De mensen «waren allemaal saai, gelukkig en aangenaam; alles was ouderwets, comfortabel, provinciaal, gastvrij, traag en ontroerend kinderachtig». Hij had zich uitstekend vermaakt, en «hield van de Nederlanders omdat ze zo bourgeois en aardig en netjes waren», om zich vervolgens rot te schrikken, «omdat ik plotseling ontdekte dat ze waren waarvoor ik zo lang bang geweest was dat ik het zelf zou zijn. Opeens bevond ik me in een vooroorlogs, gematigd liberaal universum, waarin alle geweld was toegedekt en er geen enkele beweging was.»

Ondanks de onmiskenbaar ironische toon, die kenmerkend was voor de hyper intelligente en veelbelovende filosoof die op het punt stond een carrière te beginnen in het academische walhalla van Engeland, meende Berlin hier wat hij schreef. Terwijl veel van zijn leeftijdgenoten droomden van een groots en meeslepend leven en in Oxford en Cambridge de revolutieromantiek menig rijkeluiszoontje in haar greep had, kwam Berlin tot de conclusie dat hij in wezen een uiterst burgerlijke figuur was. Een liberaal klimaat, een goed georganiseerde samen leving en beschaafde omgangsvormen — dat trok hem vele malen meer aan dan de chaos en verwarring waarmee revoluties gepaard gaan.

Bovendien had hij, en dat was een groot verschil met zijn studievrienden, al een revolutie meegemaakt. Isaiah Berlin was als zoon van een rijke joodse houthandelaar in 1909 geboren in Riga, de hoofdstad van het toen tot het Russische rijk behorende Letland. Tijdens de revolutie van 1917 was hij in Sint-Petersburg getuige van een lynchpartij, wat hem een levenslange, fysieke afkeer van geweld bezorgde. De familie Berlin, die niet alleen als rijke burgers maar ook als joden groot gevaar liepen, vluchtte eind 1920 naar het Westen en vestigde zich in Engeland. Daar assimileerde de jonge Isaiah zo hevig dat hij na zijn overlijden in 1997 door menige obituarist werd herdacht als The Last Englishman.

Op het eind van zijn leven zou hij in een interview verklaren: «Al mijn ideeën heb ik te danken aan Groot-Brittannië. Het idee van tolerantie, het je inzetten voor een fatsoenlijke samenleving, het besef dat menselijke wezens niet perfect zijn, het diepe vertrouwen in empirische methodes, de overtuiging dat de enige bron van kennis over de wereld voortkomt uit ervaring en waarneming, dat komt allemaal uit Engeland.» Het was in de jaren dertig, toen de wereld volgens velen geen andere keuze had dan die tussen communisme of nationaal-socialisme, dat Berlin zich realiseerde hoe essentieel die Britse waarden waren als men niet wilde bezwijken voor de totalitaire verleiding. Vandaar ook dat hij zo positief over Nederland schreef. Dat was immers ook een «fatsoenlijke samenleving». «Fatsoenlijk» zou een centraal begrip worden in het denken van Berlin, maar hij zou daar altijd aan toevoegen: «Vraag me niet wat ik met fatsoenlijk bedoel. Met fatsoenlijk bedoel ik fatsoenlijk — we weten allemaal wat dat is.»

Zijn afkeer van exaltatie, aanstellerij en heftige verlangens naar «het hogere» komt ook naar voren in een brief uit de zomer van 1936 aan de romanschrijfster Elisabeth Bowen, waarin Berlin schrijft dat hij een hekel heeft aan zogenaamde «sublieme» landschappen, aan «zeer hoge bergen, zeer diepe dalen, woedende bergstromen, zuivere & besneeuwde pieken etc». Hij moest dan altijd denken aan nazi-helden, T.E. Lawrence, hun klasgenoten terroriserende public school bullies, reactionaire romantiek, Duitsers, ridderlijkheid en de esthetiek van het gevaar. Na deze tirade schrijft hij dat hij eigenlijk niet weet waarom hij zijn afkeer zo de vrije loop heeft gelaten, «behalve dan dat het aardig is om partij te kiezen & het momenteel relevant lijkt».

Dat partij kiezen ging halverwege 1936 uiteraard niet in de eerste plaats over de vraag aan welk type landschap men de voorkeur gaf. De internationale politieke situatie was echter zo gepolariseerd dat zelfs een woeste bergketen of een lieflijk heuvellandschap een politieke lading kreeg. In maart van dat jaar had Hitler, in strijd met de verdragen van Versailles en Locarno, de Wehrmacht het gedemilitariseerde Rijnland laten binnentrekken. Ondanks luid protest besloten de voormalige tegenstanders van Duitsland dat dit niet voldoende reden was om Hitler de oorlog te verklaren. In een brief aan zijn vriend Stephen Spender ventileerde Berlin zijn ergernis over deze appeasement-politiek, die gebaseerd was op de gedachte dat met het doen van concessies een nieuwe wereldoorlog voorkomen kon worden. Volgens Berlin kon men alleen kiezen tussen principieel pacifisme, waarbij men verklaarde dat men onder geen enkele omstandigheid oorlog zou voeren, of een krachtig optreden tegen Donder geen enkele omstandigheid oorlog zou voeren, of een krachtig optreden tegen Duitsland. «Dit zijn de politieke keuzes, wat overblijft zijn intriges.»

De in juli 1936 uitgebroken Spaanse burgeroorlog was in Berlins ogen de ultieme lakmoesproef. Als het namelijk ging om politieke standpunten hoefde «men nooit meer iemand daarnaar te vragen, zodra tenminste zijn visie op de huidige situatie duidelijk is». Franco diende te worden verslagen, en de halfhartige non-interventie politiek van Engeland en Frankrijk — terwijl Italië en Duitsland troepen en wapens stuurden — was hem een gruwel. Elk compromis was uitgesloten. Hierdoor was volgens Berlin de Spaanse burgeroorlog het enige conflict waarin de scheidslijn vlijmscherp was. Hoewel hij een overtuigde zionist was, was zelfs de kwestie Palestina in zijn ogen een conflict waarin men geen standpunt kon innemen zonder iemand anders onrecht te doen. Dat de joden in Europa werden bedreigd, daarover bestond bij Berlin geen twijfel, zodat hij tegenover Duitsland voorstander was van een keiharde confrontatiepolitiek. Hoewel Churchill in zijn ogen een onverbeterlijke reactionair was, zou hij toch een bewonderaar van hem worden.

Berlins afkeer van geweld weerhield hem ervan in Spanje te gaan vechten, en hij beperkte zich tot het inpakken van voedsel en medicijnen voor de in het nauw gedreven Republikeinen. Bovendien werd het anti-Franco-verzet in steeds verdergaande mate gemonopoliseerd door de communisten, en anders dan veel van zijn vrienden — zoals de later als sovjetspionnen ontmaskerde Guy Burgess en Anthony Blunt — wilde hij daar niets van weten. Hij had de communisten in actie gezien, en wist dat ze voor de vrijheid en de menselijkheid een minstens even grote bedreiging vormden als de nazi’s. Dat hij in 1939 een boek over Marx publiceerde had dan ook niets te maken met zijn politieke sympathieën. Andere, gerenommeerde auteurs hadden voor de eer bedankt, en uit arren moede had de uitgever bij Berlin aangeklopt. Omdat deze van mening was dat Marx’ ideeën een rol speelden in de actuele politiek, en hij van zichzelf wist dat hij diens werk nooit «uit vrije wil» zou gaan lezen, ging hij op het verzoek in. Hoewel hij al spoedig een intense afkeer kreeg van zijn «vulgar & disagreeable hero» en het werk steeds meer op corvee begon te lijken, had hij na afloop wel het complete verzameld werk van Marx en Engels gelezen, iets wat de meeste marxisten hem niet konden nazeggen.

Ondanks het feit dat Marx hem mijlenver de keel uithing, zou dit boek Berlins carrière op beslissende wijze beïnvloeden. In de loop van de jaren dertig begon hij zich namelijk steeds meer af te vragen of hij wel een echte filosoof was. Veel filosofische debatten vond hij hooglijk vervelend en op zeker moment concludeerde hij dat hij «’s nachts niet wakker lag om over allerlei filosofische vraagstukken na te denken». Het onderzoek naar Marx en het intellectuele klimaat waarin deze had geleefd en gewerkt had ervoor gezorgd dat Berlin de smaak van ideeën geschiedenis en politieke theorie te pakken had gekregen. Dat was de kant die hij op wilde, en in die discipline zou hij zijn roem verwerven. Tijdens het onderzoek naar Marx was hij geconfronteerd met het werk van de Russische liberale democraat Alexander Herzen, die voor de rest van zijn leven zijn grote held zou zijn: «Er is geen schrijver, & trouwens geen man, die ik meer zou willen zijn, en als wie ik zou willen schrijven.»

Berlin mocht er dan niets voor voelen om in Spanje te gaan vechten, tegelijkertijd ontstond bij hem een zekere onvrede met zijn rustige, veilige bestaan als academicus. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak bood hij zijn diensten aan bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Mensen die Russisch spraken waren toen nog betrekkelijk zeldzaam, en zijn vriend Guy Burgess kwam al spoedig melden dat het ministerie wilde dat hij persattaché in Moskou werd. Samen zouden ze via de Verenigde Staten naar Moskou reizen, maar na aankomst in Washington werd Burgess teruggeroepen en bleek er voor Berlin helemaal geen functie in Moskou te zijn.

Begin 1941 kreeg Berlin echter een aanstelling bij de British Press Service, waar hij het Britse standpunt inzake de oorlog moest uitdragen aan allerlei Amerikaanse belangengroepen. Een jaar later kon hij aan de slag op de Britse ambassade, waar het zijn taak werd te rapporteren over de publieke opinie in Amerika. Zijn rapporten vielen op door hun levendige en heldere stijl, en Churchill was zo onder de indruk van het werk van deze jonge diplomaat dat hij hem begin 1944, toen hij hoorde dat Berlin even in Engeland was, uitnodigde voor de lunch op Downing Street 10. De veelbelovende jongeman was echter nog steeds in Washington, en per abuis was de Amerikaanse componist Irving Berlin uitgenodigd.

Berlins werk voor Buitenlandse Zaken werd in de herfst van 1945 afgesloten met een reis naar Rusland. Onder supervisie van de Britse ambassadeur moest hij een rapport schrijven over de naoorlogse betrekkingen tussen de Sovjet-Unie en de VS en Groot-Brittannië. Belangrijker echter waren zijn ontmoeting met Boris Pasternak, zijn bezoek aan het na een beleg van negenhonderd dagen grotendeels verwoeste Leningrad, en zijn een hele nacht durende gesprek met Anna Achmatova. Dat roemruchte gesprek — waarover György Dalos enkele jaren geleden een compleet boek schreef — zette de twintig jaar oudere dichteres niet alleen aan tot het schrijven van een erotisch geladen gedich ten cyclus, ook bezorgde het haar veel ellende. In de paranoïde ogen van de Russische geheime dienst moest de in Riga geboren jood Berlin, die werkte voor de imperialistische mogendheid Groot-Brittannië, wel een spion zijn. Achmatova viel weer eens in ongenade en werd door Stalins cultuurpaus Zjadanov uitgekreten voor «half non, half hoer», en haar zoon werd voor de zoveelste maal opgeborgen in een concentratiekamp.

Met deze reis naar de Sovjet-Unie en Berlins terugkeer naar Oxford eindigt dit eerste deel van de correspondentie. Hoe Berlin zich ontwikkelde tot een belangrijk ideeënhistoricus en een invloedrijk politiek denker zal duidelijk worden uit de twee nog te verschijnen delen.

Hoewel de lezer aanvankelijk moet wennen aan de stortvloed van namen die over hem wordt uitgekieperd, en hoewel niet alle universitaire conflictjes even interessant zijn, vormen deze brieven uiterst onderhoudende en interessante lectuur. Dat komt niet alleen omdat Berlin omging en schreef met tal van beroemde figuren — hij correspondeerde regelmatig met Stephen Spender, Elisabeth Bowen, de filosoof Stuart Hampshire en de Amerikaanse opperrechter Felix Frankfurter en logeerde bij de familie Rotschild, waar hij eindeloos keuvelde met Aldous Huxley — maar vooral door zijn tomeloze enthousiasme en gretigheid. In Oxford stond hij bekend als een briljante conversationalist, iemand die niet ophield met praten en daarin zo mateloos was dat zijn werk eronder leed. Na zijn boek over Marx heeft hij nooit meer een «echt» boek geschreven, en bestaat de rest van zijn vrij aanzienlijke oeuvre uit, vrijwel altijd door anderen geredigeerde, bundels met essays en lezingen. Uiteindelijk zullen vermoedelijk de drie delen brieven zijn magnum opus vormen.

Isaiah Berlin was duidelijk verzot op roddels, en kon ongemeen vilein uit de hoek komen. Bijzonder vermakelijk is zijn beschrijving van de toen beroemde en thans vergeten romanschrijver Hugh Walpole, die over iedereen enthousiast is en alles enig vindt. Berlin zet hem neer als een potsierlijke maar goedbedoelende kwast, en realiseert zich dat kwaadwillende personen «de verleiding niet kunnen weerstaan om hun tanden te zetten in vlees dat zo roze & onschuldig is, dat zo overduidelijk is geschapen voor kannibalen». Hij toont duidelijk compassie met deze aimabele maar beperkte man, en is van plan hem spoedig te bezoeken. «Een persoon die zo ver afstaat van vervolgers & vervolgden is in onze wereld zeer zeldzaam.» Walpole mocht dan geen intellectuele hoogvlieger zijn, hij was een fatsoenlijke kerel. En dat was wat voor Berlin telde.