De oorlog tegen het Westen

Fatterig, verwijfd, corrupt

Waar ligt de oostgrens van het Westen? Bij Centraal-Europa? Bij Oost-Europa? En wat onderscheidt het Westen van het Oosten? Ingewikkeld. Te meer omdat het Westen zelf steeds meer antiwesterse krachten herbergt.

© Angel Boligan / Cagle

Literaire congressen zijn zelden spannend, behalve voor schrijvers die genieten van hun eigen stem. Het Wheatland-congres in Lissabon in 1988 was een uitzondering. Dat tijdstip is belangrijk. Precies een jaar later viel de Berlijnse Muur, en daarna al snel het sovjet-imperium. Er ontstond in Lissabon een hevige ruzie tussen schrijvers uit Rusland en uit enkele Europese landen.

Milan Kundera, gesteund door Czeslaw Milosz, was van mening dat er een fundamenteel verschil bestond tussen Centraal- en Oost-Europa. Met het eerste bedoelde hij zijn eigen land, Tsjechoslowakije, maar ook Polen en Hongarije. Rusland hoorde bij Oost-Europa. De Centraal-Europese literatuur, en niet alleen de literatuur, zette zich bewust af tegen Russische overheersing, van de tsaren tot de Sovjet-Unie. Centraal-Europa behoort tot de westerse wereld, met historische wortels in de Verlichting en de Donau-monarchie. Chopin, een Pool in Parijs, zou volgens deze denkwijze een westerse componist zijn, en Aleksandr Borodin pertinent niet.

De dichter Joseph Brodsky maakte ernstig bezwaar tegen deze stelling. Hij was een jood, geboren en getogen in Rusland, verknocht aan de Russische taal, maar hij putte ook literaire inspiratie uit de poëzie van W.H. Auden en voelde geen enkele loyaliteit aan de Sovjet-Unie die hem had verbannen. Hij zag niet in waarom hij moest worden gezien als een vertegenwoordiger van Oost-Europa, in de zin die Kundera eraan gaf. Hij voelde zich zelfs diep gekwetst.

Wie of wat bij het Westen hoort is natuurlijk een even eindeloze als ingewikkelde discussie. Rusland is zelf al heel lang gespleten tussen ‘slavofielen’ die zich juist tegen het Westen keren en Russen die zich meer verbonden voelen met de Europese cultuur. Catharina de Grote was van origine Duits. Haar hoofdstad, Sint-Petersburg, werd in de barok- en rococostijl opgetrokken door architecten uit Frankrijk, Duitsland en Engeland en de filosofen aan haar hof waren aanhangers van de Verlichting. Voltaire was een van haar bewonderaars.

Maar als we dan toch een min of meer coherente voorstelling willen maken van het Westen, waar liggen dan de grenzen? En wat zijn de voornaamste kenmerken? Gaat het om een basaal verschil tussen de christelijke en Russisch-orthodoxe religies (een gedachte waar Brodsky zelf mee speelde in een prachtig essay over zijn geliefde Venetië)? Zijn de geografische grenzen van het Westen die van het Romeinse Rijk? Kunnen we het Westen überhaupt los zien van de Grieks-Romeinse klassieke wereld? Of van de Verlichting?

Om een zelfdefinitie te duiden heeft het vaak zin om te kijken naar hoe je vijanden je zien. Volgens veel Duitse nationalisten was Duitsland in de Eerste Wereldoorlog in een strijd gewikkeld met het ‘Westen’. Thomas Mann, bijvoorbeeld, die de oorlog van harte steunde, schreef in zijn Betrachtungen eines Unpolitischen (1918) over zijn minachting voor de liberale democratie, voor het burgerlijke internationalisme van Amerika en andere westerse landen, en over zijn bewondering voor de Duitse Kultur en ook de Russische ‘ziel’. Hij zag een onoverbrugbare kloof tussen beschaving (westers) en cultuur (Duits). ‘De Duitse ziel’, schreef Mann, ‘is te diep om beschaving te zien als het hoogste ideaal.’ Hij is later natuurlijk van gedachten veranderd en was tijdens de Tweede Wereldoorlog een hartstochtelijk aanhanger van de liberale democratie.

Een van de beste boeken over de antiwesterse manier van denken is geschreven door Aurel Kolnai, van origine een Hongaarse jood maar later een Britse rooms-katholiek. De titel was The War Against the West. Kolnai, in zijn tijd een bekende filosoof, schreef dit lijvige werk in 1938, toen hij al in Engeland woonde. Hitler zat in Duitsland vast in het zadel en zou een jaar later Oostenrijk en Sudetenland bij zijn Derde Rijk voegen.

Kolnai’s boek geeft een overzicht van de voornamelijk Duitse literatuur die de basis had gelegd voor het nationaal-socialisme. Hij heeft hiermee lezers een grote dienst bewezen, want hij had bijna alles gelezen wat er op dit gebied te koop was, en een taaiere kost is nauwelijks voor te stellen. Het ging hem niet zozeer om nazi-propaganda, als wel om boeken die de sfeer hadden geschapen waarin het nazisme kon gedijen: tegen de parlementaire democratie, meestal maar niet altijd antisemitisch, anti-individualistisch, antiliberaal, anti-Frans, anti-Engels, anti-Amerikaans, maar minder vaak anti-Russisch, met veel positieve nadruk op de Volksgeist, de ‘boreale’ sferen, het Führerprinzip en zo nog meer.

Oswald Spengler wordt uitvoerig besproken, maar ook schrijvers als Ernst Jünger en Arthur Moeller van den Bruck. Veel van hen vonden Hitler en de bruinhemden ordinair. Sommigen (Spengler bijvoorbeeld) werden door de nazi’s zelfs afgekeurd. Het zou ook zeer onbillijk zijn om deze antiliberale ideologen de latere holocaust in de schoenen te schuiven. Maar zij hebben wel allemaal hun steentje bijgedragen aan de ondergang van de Weimarrepubliek.

Zoals het werk van Mann in de Eerste Wereldoorlog ook al laat zien, bestond de intellectuele aanval op de liberale democratie en dus op het Westen al lang voor de opkomst van Hitler. Het bezwaar van veel denkers (niet alleen in Duitsland) tegen het liberale Westen ging ook niet alleen om de democratie. Dat politieke systeem was eerder een symptoom van een diepere malaise in westerse landen. Het betrof een moreel verval, een culturele decadentie, een soort algemene weekheid die het gevolg zou zijn geweest van individualisme, genotzucht, materialisme, een gebrek aan etnische verbondenheid en zuiverheid.

Catharina de Grote was van origine Duits. Haar Sint-Petersburg werd opgetrokken in de barok- en rococostijl
—————

De laatste Duitse keizer, Wilhelm II, sterk onder de invloed van de rabiate Britse antisemiet Houston Stewart Chamberlain, heeft ooit gezegd dat iedere willekeurige ‘Basuto-neger’ zijn staatsburgerschap van de Verenigde Staten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk voor een paar centen kon kopen. In tegenstelling tot landen waar de Volksgeist nog leefde, was in die westerse landen alles te koop, ook toegang tot de volksgemeenschap. Het punt was natuurlijk dat die corrupte landen geen echte volksgemeenschap kenden, alleen hebzucht en handel.

Een sleuteltekst op dit gebied is Händler und Helden van de Duitse socioloog Werner Sombart. Hij schreef dit invloedrijke boek in 1915. Duitsland was, zoals je zou verwachten, het land van helden, wakkere krijgers die bereid waren zich voor hun land en volk op te offeren. De heldendood was het mooiste wat er was. Engelsen en Amerikanen waren sjacheraars, burgerlijke kruideniers, Händler kortom, die hun comfort en hun centen nooit zouden opofferen voor een hoger doel.

Sombarts verhouding tot de nazi’s was ambivalent. Hoewel oorspronkelijk een linkse denker, had hij aanvankelijk sympathie voor de beweging, en was hij ervan overtuigd dat de Duitse en de joodse geest (per definitie doordrenkt met het kapitalisme) onverenigbaar waren. Engelsen met name waren door de joodse geest vergiftigd. Maar hij zag zichzelf niet als racist. Een zwarte persoon kon in principe behoren tot de Duitse Volksgemeinschaft. Sombart leende zich daarom slecht voor uitgesproken nazi-propaganda.

Maar zijn idee over handelaren en helden had wel invloed op die propaganda. Das Gesicht der Niederlande, een gids voor SS-officieren die in het bezette Nederland moesten dienen, rijk geïllustreerd met foto’s van grachtenhuizen, windmolens en klederdrachten, maakte een duidelijk onderscheid tussen het oosten van Nederland en de westelijke kuststrook, wat nu de Randstad is. In het oosten, daar woonden de rasechte Europeanen, het Germaanse broedervolk. Zij waren geworteld in de bodem van hun voorvaderen. Het westen van Nederland was daarentegen verjudet, gecorrumpeerd door de joodse handelsgeest, en keek niet naar het Germaanse continent, maar naar Engeland en Amerika.

Die gids voor SS’ers had in zoverre een punt dat die conceptuele splitsing tussen het wortelloze, materialistische ‘Westen’ en het zielvolle, heldhaftige Duitsland ook kon bestaan binnen landen die geografisch in het westen van Europa lagen. Hoe zit het dan met de al dan niet denkbeeldige grens tussen Centraal- en Oost-Europa? Waar hoort bijvoorbeeld Polen nu eigenlijk bij?

Een Russisch perspectief wordt op weergaloze manier verbeeld in de film Ivan de Verschrikkelijke (1944) van Sergei Eisenstein. Dit patriottische meesterwerk (ik zeg dit zonder ironie) toont Ivan als een fanatieke despoot en een toonbeeld van de Russische Volksgeist, die ten slotte wordt verteerd door zijn eigen paranoia. Stalin, die de opdracht voor deze film had gegeven om het moreel van de Russen te sterken, zag zichzelf in de rol van Ivan. Zijn enige kritiek op de film was dat de Ivan van Eisenstein niet fanatiek en despotisch genoeg was. De grootste vijanden van het Russische volk in de film zijn de Polen. Zij worden afgeschilderd als decadent, fatterig, verwijfd, corrupt en belust op luxe en geld. Zij zijn dus een karikatuur van het Westen in de ogen van zijn vijanden. Wat dit betreft was de blik op het Westen in Stalins Sovjet-Unie niet zo heel anders dan die in Hitlers Duitsland. ‘Wortelloze kosmopolieten’ was de stalinistische code voor joden. En dit terwijl Eisenstein niet alleen zelf van joodse origine was, maar ook een kosmopoliet die zijn geluk ooit in Hollywood had gezocht.

—————
© Angel Boligan / Cagle

Wat het historische conflict tussen West en anti-West tegenwoordig zo ingewikkeld maakt is dat antiliberale stromingen momenteel juist vaak komen uit de VS en het VK. Donald Trump kon het veel beter vinden met Vladimir Poetin dan met Angela Merkel, en niet alleen omdat Poetin een krachtpatser speelde en Merkel een vrouw was. Je proefde in Trumps dweepzucht met Poetin een aan jaloezie grenzende bewondering. Zijn eigen Republikeinse Partij wordt ook na de verloren verkiezing beheerst door een Führerprinzip. Trump is voor zijn volgelingen de Leider.

De VS blijven natuurlijk de VS. Trump heeft het kapitalisme niet om zeep geholpen. Integendeel, hij heeft de beursprijzen opgejaagd en zichzelf, zijn familie, en zijn vrienden verrijkt. Maar als volksmenner speelde hij wel handig in op dezelfde rancunes die antiliberale regimes al zo lang gebruiken: wrok tegen bankiers, intellectuelen, immigranten, minderheden, tegen pluralisme, democratische normen, internationalisme, kortom tegen alles wat het Westen kenmerkt in het oog van zijn vijanden.

Boris Johnson en zijn brexiteers gaan minder ver en zijn iets beschaafder. Maar hun ‘Alles voor Engeland en Engeland voor Alles’-politiek en de autoritaire neigingen van de premier – het zuiveren van politici in zijn partij die hem bekritiseren, bijvoorbeeld – hebben veel weg van Trumps America First. Rechtse Tories wordt weleens koloniale nostalgie verweten. Die is bij sommigen misschien niet helemaal afwezig. De vergane glorie van het Britse Imperium heeft haar aantrekkingskracht. Maar het moderne Britse (lees: Engelse) antiliberalisme put uit dezelfde troebele bronnen als antiwesterse stromingen in het verleden: voor het Volk, tegen vreemde smetten, anti-intellectueel, anti-elite en nationalistisch.

Waar Duda en Orbán openlijk voor pleiten is iets waar Trump alleen van kon dromen: de ‘illiberale democratie’

Het was het VK dat lang vóór de Brexit landen als Polen en Hongarije zo snel mogelijk bij de EU wilde halen. Dit had niets te maken met een aversie tegen het liberale Westen. Het was meer een kwestie van ‘hoe meer landen, hoe minder kans op politieke vereniging’. Maar het is opmerkelijk hoe vaak de Centraal-Europese landen zich achter het VK en de VS hebben geschaard.

Donald Rumsfeld, de Amerikaanse minister van Defensie onder George W. Bush, noemde de Centraal-Europese landen New Europe. In de oorlog tegen Irak in 2003 konden de VS en het VK rekenen op warme bijval van die landen. Polen deed zelfs mee aan de invasie. Old Europe, met name Frankrijk en Duitsland, was tegen dit militaire avontuur. De voormalige satellietstaten van de Sovjet-Unie stonden ook in de rij om lid van de navo te worden. Betekende dit dat Kundera en Milosz in 1988 gelijk hadden? Hoorde Centraal-Europa altijd al bij het liberale Westen? Of is na de val van de Sovjet-Unie de oost-westgrens verschoven? Hier wordt het ingewikkeld.

—————

De Anglo-Amerikaanse oorlog tegen Saddam Hussein was denk ik geen goed voorbeeld van neo-imperialisme. Tony Blair had een hoge dunk van zichzelf en zijn rol in de wereld, maar nostalgie naar het Empire was niet zijn voornaamste bron van inspiratie. Het ging om een ander soort nostalgie, naar de Tweede Wereldoorlog, toen de Angelsaksische landen, met Frankrijk in een soms recalcitrante bijrol, streden om Europa te bevrijden. De Sovjet-Unie speelde hierin natuurlijk ook een hoofdrol, maar dit terzijde. Uit toespraken, memoires en dagboeken van Blair en George W. Bush blijkt hoe sterk zij in de ban waren van de oorlogsmythes. Zij spiegelden zich aan Churchill en Roosevelt als de strijders voor vrijheid en democratie en tegen tirannie.

Veel mensen in Centraal-Europa steunden de Irak-oorlog omdat zij Saddam (en het islamisme dat ten onrechte met Saddam werd geassocieerd) zagen als een bij uitstek antiwesterse vijand. Vaak waren het voormalige dissidenten, onder wie de Pool Adam Michnik en de Tsjech Václav Havel, die de VS steunden. Zij hadden hun hele leven gestreden om hun landen te bevrijden van de communistische dictatuur. Hoe konden zij nu tegen een poging zijn om de Irakezen te bevrijden van hun dictatuur? Volgens mij hadden zij ongelijk, maar hun houding was begrijpelijk. Sedertdien is er heel wat verschoven in Centraal-Europa. De huidige regeringen van Polen en Hongarije, en niet alleen daar, hebben veel verworpen waar Michnik, Havel en andere dissidenten zich zo hard voor hadden ingezet. De VS worden nog steeds van harte gesteund in Centraal-Europa, maar dit geldt vooral voor het Amerika van Donald Trump. De Hongaarse premier Viktor Orbán is niet alleen een geestverwant van Trump, maar ook van Poetin. De Poolse president Andrzej Duda is geen vriend van Poetin, maar wel een fan van Trump. Waar leiders als Duda en Orbán openlijk voor pleiten is iets waar Trump alleen van kon dromen: de ‘illiberale democratie’.

Illiberale democratie is een soort zachte dictatuur met een electoraal systeem waarin de oppositie nauwelijks meer kans maakt om te winnen. Voorstanders van de illiberale democratie delen met Duitse nationalisten in de vorige eeuw de minachting voor westerse liberale democratieën. De volkse saamhorigheid wordt volgens hen bedreigd door immigratie, vooral van mensen uit islamitische landen. De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht moet worden teruggedraaid. Moreel verval moet worden hersteld in het onderwijs door helden van eigen bodem te vereren en de donkere kanten van het nationale verleden te verzwijgen; vandaar, bijvoorbeeld, de nieuwe wet in Polen die het verbiedt om te spreken over Poolse medeplichtigheid aan de holocaust.

Kortom, Polen en Hongarije zijn nu landen in Centraal-Europa die zich bewust hebben gekeerd tegen het Westen dat Aurel Kolnai zo mooi omschreef in zijn boek The War Against the West. Het lijkt alsof er nu een grens ligt tussen Centraal- en West-Europa, New Europe en Old Europe, een grens tussen de open liberale democratieën en de illiberale democratieën, tussen west en oost.

—————

De huidige president van de VS, Joe Biden, trekt die grens nog veel verder door. Hij schetst een mondiaal conflict tussen het autocratische China (met Rusland als een veel zwakkere bondgenoot) en de democratische wereld, met Japan, Taiwan, en Zuid-Korea als de vrije westerse geallieerden in het Oosten. China wordt zeker beheerst door een ideologie die zich bewust afzet tegen het Westen, cultureel, sociaal, en politiek. Het Nieuwe Europa heeft vrij goede betrekkingen met China, maar ook het Oude Europa laat zich liever niet meeslepen in een mondiaal conflict tussen China en de VS.

De politieke breuklijnen tussen democratie en autocratie zijn te grillig en ingewikkeld om te reduceren tot een conflict tussen twee supermachten. De grenzen van het Westen lopen nu kriskras door de westerse landen heen. Misschien dat hier onder Joe Biden verandering in komt, maar de VS van Trump bestaan nog steeds en die horen meer bij de tegenstanders van het Westen. Antiliberale partijen konden ook in West-Europese landen meestal rekenen op tien à vijftien procent van de stemmen, maar meestal niet meer dan dat. Nu ligt het percentage in landen als Frankrijk en Nederland hoger.

Tot kort geleden had extreem-rechts in West-Europa iets schunnigs, iets wat te veel herinneringen opriep aan het recente verleden. Je dacht aan oudere mannen in regenjassen die schichtig de pornobioscoop in doken. Dat is nu anders. Juist vlotte jongere mannen in maatpak en met manchetknopen, die koketteren met ‘bruine’ retoriek uit de jaren dertig, trekken een jongere generatie aan die zich afzet tegen de naoorlogse taboes. Antisemitische grapjes, boze polemieken tegen moderne kunst en architectuur, losse praat over onze beschaving die zou worden kapotgemaakt door immigranten, intellectuelen en de ‘linkse kerk’: dit alles slaat aan bij mensen die nauwelijks nog beseffen waar deze ideeën vandaan komen en die het, als zij het wel weten, wel spannend vinden. Denk aan de alt-right-club Erkenbrand.

Thierry Baudet gaf hier enkele jaren geleden ook een prachtig voorbeeld van in een reclamespotje voor de rechtse website Jalta.nl. Gezeten achter een vleugel vertelde hij dat ‘de culturele elite’ lelijke dingen mooi vond, zoals ‘abstracte bizarre kunst’ en ‘atonale muziek’. Nu is atonale muziek niet iets wat veel geesten nog in beroering brengt. Het behoort tot de avant-garde van meer dan honderd jaar geleden. Maar het was, met abstracte kunst, voor de nazi’s wel het symbool van entartete Kunst. Ik noem dit voorbeeld niet omdat Baudets reactionaire uitlatingen over muziek en kunst nu zo belangrijk zijn, maar omdat het perfect laat zien hoe het rechtse gedachtegoed uit de jaren twintig en dertig, ooit door Aurel Kolnai zorgvuldig ontleed, nu weer salonfähig wordt gemaakt. Dat Baudet zelf en andere Europese geestverwanten in dit bruine moeras Poetin (en natuurlijk Trump) zo bewonderen, is een veeg teken.

Illiberale stromingen komen niet alleen van rechts. Extremen steken elkaar vaak aan. De nadruk in linkse kringen op ras en communautaire representatie, alsof de individuele burger niet meer is dan een lid van een raciale gemeenschap, met een raciale kijk op de wereld, is een variant op het raciale denken van voor de Tweede Wereldoorlog. Nazi’s dachten ook dat joden uitsluitend en per definitie een joodse manier van denken konden hebben, en dat hetzelfde gold voor de zogenaamde Ariërs. De moderne identiteitspolitiek staat natuurlijk niet gelijk aan het nazisme, maar het doet wel afbreuk aan de liberale beginselen van een open samenleving, een maatschappij van citoyens en niet van etnische gemeenschappen.

Het liberale idee van het Westen dat Kundera en Milosz in 1988 wilden poneren tegen het dogmatische en despotische karakter van de Russische imperia loopt nu gevaar. De dreiging zit hem niet alleen in de opkomst van extreem-rechts, of het communautarisme van links, maar in de slinkende invloed van het liberale midden. De Weimarrepubliek ging in de jaren dertig niet alleen ten onder door het extremisme van rechts en links, maar ook doordat de democratische aanhangers van de republiek hun fut hadden verloren. Zij waren weggedrukt, gedemoraliseerd. Er waren niet genoeg mensen meer die de westerse waarden in Duitsland tegen hun vijanden wilden of konden verdedigen. Die fout moeten we niet nog een keer maken.


Dit is de geschreven versie van de Geremek-lezing die Ian Buruma op 12 mei in Leiden uitsprak. De lezing is genoemd naar de voormalige Poolse minister van Buitenlandse Zaken Bronisław Geremek vanwege diens bijdrage aan de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Polen en zijn politieke en academische werk