Faye Schulman, 28 november 1919 – 24 april 2021

Van gruwelijke moorden tot primitieve chirurgie tot provisorische begrafenissen – ze legde met haar camera het joodse verzet tegen de nazi’s vast. Aan de zijde van de partizanen.

Twee jaar lang verzette Faye Schulman zich tegen de nazi’s vanuit de bossen in Oost-Europa. Zij was tussen de partizanen, veelal ontsnapte Russische krijgsgevangenen, een van de weinige vrouwen. Tijdens de oorlog droeg ze twee wapens: haar geweer, dat ’s nachts als ze in het bos in de open lucht moest slapen ook als haar kussen diende. En haar Porst Nurnberg-camera, waardoor de Duitsers haar in leven lieten. Maar ze zette het fototoestel ook al snel in om vast te leggen wat ze zag en meemaakte, opdat ze na de oorlog kon getuigen van de verschrikkingen die joden werden aangedaan en van het partizanenleven.

Het joodse verzet in de Tweede Wereldoorlog is lang onderbelicht gebleven, terwijl in meer dan negentig Europese getto’s joodse verzetseenheden actief waren. Ongeveer 30.000 joden sloten zich aan bij de partizanen. Nog onderbelichter is dat ook de nodige joodse vrouwen verzetswerk deden, veelal jonge vrouwen van tussen de zestien en 25 jaar oud. De Canadese schrijfster Judy Batalion publiceerde recent het boek The Light of Days: The Untold Story of Women Resistance Fighters in Hitler’s Ghettos over hen, nadat ze in de British Library het Jiddische boek Freuen in di Ghettos (Vrouwen in de getto’s) had gevonden, in haar woorden een ‘thriller’ over ‘vrouwen die met felheid en standvastigheid handelden – zelfs met geweld – smokkelden, inlichtingen verzamelden, sabotage pleegden en zich in de strijd wierpen’.

Een van hen was Faye Schulman, die in 1919 werd geboren als Faigel Lazebnik in de Poolse sjtetl Lenin (niet genoemd naar de communistische revolutionair, maar naar de dochter van een lokale aristocraat). Ze was het vijfde van zeven kinderen in een orthodox-joods gezin. Haar oudere broer Moishe was de plaatselijke fotograaf; hij had haar leren fotograferen vanaf haar tiende en toen ze zestien was, nam ze zijn studio over.

Op 14 augustus 1942, een jaar nadat ze Oost-Polen hadden bezet, vermoordden de Duitse troepen de laatste 1850 joden van Lenin. ‘Ik hoorde de nazi’s het vuur openen met hun machinegeweren’, schreef ze in 1995 in haar boek A Partisan’s Memoir: Woman of the Holocaust. ‘De geulen waren ver weg, maar ik hoorde het schreeuwen van mijn volk, schreeuwen die nog steeds echoën in mijn oren.’

Molotava Brigade, Faye Schulman in panterbont, 1944 © JPEF / Faye Schulman, A Partisan’s Memoir / Second Story Press
‘Joden gingen niet als schapen naar de slachtbank. Ik was fotograaf. Ik heb bewijs’

Slechts 28 van de joden van Lenin werden gespaard – nuttig geachte krachten als de schoenmakers, kleermakers, timmermannen, smeden, een kapper, en de jonge fotografe Faye Schulman. Zij moest de Duitse bevelhebbers fotograferen en negatieven ontwikkelen van gebeurtenissen die ze wilden documenteren. Daartussen waren foto’s van de geulen waarin de lijken waren gedumpt van de vermoorde joden, onder wie haar ouders, zussen en jongere broer. Stiekem maakte ze een tweede afdruk van die foto’s, om de gruweldaad voor de vergetelheid te behoeden.

Tijdens een inval van partizanen wist ze de bossen in te vluchten en zich bij de Molotava Brigade aan te sluiten. Ze werd geaccepteerd omdat haar zwager arts was geweest en ze dringend iemand nodig hadden die de gewonden kon verzorgen. Zonder enige medische ervaring moest ze opereren. Verband werd vaak gewassen en opnieuw gebruikt, wodka diende als verdovingsmiddel. Judy Batalion beschrijft hoe Faye Schulman ooit een vinger moest amputeren met haar tanden. Daarnaast nam ze deel aan de gewapende strijd. ‘Toen het tijd was een geliefde te omhelzen, omhelsde ik een geweer’, vertelde ze later in een documentaire over haar leven.

Ze werd met haar camera chroniqueur van het verzet. Tijdens aanvallen van de brigade op de Duitse bezetters begroef ze haar camera en statief onder de grond. Op rustiger dagen fotografeerde ze de primitieve chirurgie op operatietafels van boomtakken, de provisorische begrafenissen van strijders die in gevechten waren omgekomen, en de blije hereniging van partizanen met vrienden en bekenden die tot hun verrassing nog bleken te leven. Ontroerend is de foto van vier opgebaarde strijders, twee joods en twee Russisch, en de rouwende menigte om hen heen als je weet dat op dat moment het vigerende antisemitisme in de brigade tijdelijk was opgeschort. Soms liet ze ook andere partizanen afdrukken, nadat zij de camera had ingesteld. Er zijn groepsfoto’s waar ze stralend tussen de mannen staat en er is een foto van haar in panterbontjas waarop ze schietoefeningen doet – dankzij die bontjas overleefde ze de kou, en ziet ze eruit als een Bond-girl.

Faye Schulman bleef bij de partizanen tot juli 1944, toen het Rode Leger Wit-Rusland bevrijdde. Ze werd herenigd met twee van haar broers, die in het gezelschap waren van Morris Schulman, een accountant die ze al voor de oorlog had ontmoet. Ze trouwde met hem, ze maakten plannen om naar Palestina te gaan, leefden een paar jaar in een kamp voor ontheemden in Duitsland en emigreerden uiteindelijk naar het veilige Canada. Tot haar dood koesterde ze haar oorlogscamera, die had ‘alles gezien’.

The _Washington__ Post_ citeert in het in memoriam van Faye Schulman de Canadese hoogleraar Holocaust Studies Doris Bergen, die benadrukt hoe belangrijk het na de oorlog voor overlevenden was om te weten dat joden zich hadden aangesloten bij de partizanen. Schulman was volgens haar de ‘belichaming daarvan, iemand die zowel door haar overleven als door haar foto’s had aangetoond dat er verzet was’.

Dat is ook wat Faye Schulman jaren na de oorlog aan de Jewish Partisan Educational Foundation vertelde: ‘Joden gingen niet als schapen naar de slachtbank. Ik was fotograaf. Ik heb foto’s. Ik heb bewijs.’