Fecunditeit

Iemand had paarse hyacinten voor me meegenomen. Voor bij de lente, had ze gezegd. Al twee weken staan ze in een vaasje op mijn bureau. Met hun zware geur nemen ze mijn woonkamer over, en ook hun voorkomen heeft iets dwingends. Die zware trossen, uitpuilend van kleine bloemetjes, dat onmiskenbaar, tja, fallische – ze lijken werkelijk te ontploffen van viriliteit en levenskracht. De hyacinten maken iets agressiefs in me los, en misschien ook iets geils, soms zijn die krachten maar moeilijk van elkaar te onderscheiden. De ene keer heb ik zin om minutenlang naar ze te staren, dan weer om ze tussen mijn vingers tot moes te knijpen.

Ieder jaar opnieuw ben ik, de voorgaande jaren en T.S. Eliot ten spijt, verrast door de wreedheid van de lente. In één keer lijkt alles open te breken: bloemen die zich met een woeste kracht uit hun knoppen bevrijden, bollen die openbarsten, bomen die na een lange winter ineens weer bloesemen. Er zit iets obsceens in dat ontwaken van de natuur, iets bruuts en doms en onontkoombaars. Zoals het onontkoombaar is dat wanneer het kwik ineens naar zestien, zeventien, achttien! graden schiet, iedereen buiten is, zonnebrillen en blote benen, de rook van tientallen barbecues die opkringelt uit het stadspark, de geur van verbrand vlees, het geluid van tien soorten muziek, de overwinning die ook een capitulatie is; de zon schijnt, het gras is groen. Zoals in de roes van een verliefdheid is al het andere plotseling bijzaak.

Op een nacht in het voorjaar van 1972 ontwaakt de dan 26-jarige Annie Dillard uit een nachtmerrie over twee gigantische parende maanvlinders. Ze overspoelen haar bed met eitjes, die uitkomen en veranderen in duizend dikke vissen met uitpuilende ogen, zwemmend door een laag slijm. Ze is ervan overtuigd dat de nachtmerrie zich heeft aangediend omdat ze eerder die dag heeft gezien hoe een afstotelijke gele plant zich uit de natte aarde perste, ‘vlezig en uitdrukkingsloos als een slak’.

Ze woont dan al een poosje aan de Tinker Creek-rivier, in een vallei in de Blue Ridge Mountains van Virginia. Bijna dagelijks maakt ze tochten langs de oevers van de rivier, waarbij ze alle levensvormen die ze aantreft grondig bestudeert en overdenkt. In een jaar tijd, zo wil het verhaal, schrijft ze twintig dagboeken vol: over de complexe levens van gaasvliegen en paardenhaarwormen, de allesverslindende lust van de bidsprinkhaan, de werking van de menselijke nieren, Vincent van Gogh en William Blake, de goddelijkheid in alles, het gebrek aan goddelijkheid in alles.

‘Wij zijn de afwijkingen, met de wereld is niets aan de hand’

De dagboeken zou ze na haar tijd aan Tinker Creek overzetten op duizenden systeemkaartjes, waarna ze in acht maanden tijd met grote bezetenheid van al die kaartjes een boek maakte. Het boek, Pilgrim at Tinker Creek, verscheen in 1974 en won het jaar erop een Pulitzer Prize. Inmiddels is het een klassieker in de Amerikaanse essayistiek, vaak in één adem genoemd met Thoreau’s Walden, waaraan het onmiskenbaar verwant is. Begin dit jaar werd het naar het Nederlands vertaald door Henny Corver (Pelgrim langs Tinker Creek, Atlas Contact). Eindelijk – niet alleen omdat het zo’n geweldige klassieker is, maar ook omdat het een verademing is Dillards uitbundige, overvloedige en bij vlagen tamelijk intellectualistische stijl in eigen taal te kunnen lezen.

Tinker Creek lezen en herlezen is een beetje als mediteren op de rand van een afgrond – het proza is op een wonderlijke manier volkomen kalm en radicaal in zijn urgentie. Een narratief is er niet, alleen het verloop van de seizoenen en de tweedelingen van schoonheid en gruwel, licht en duisternis. Zo plaatst ze tegenover een lyrisch hoofdstuk getiteld ‘Complexiteit’ later de veel duisterder tegenhanger ‘Fecunditeit’. Het is dit laatste hoofdstuk dat begint met die nachtmerrie over de maanvlinders en de stortvloed van eitjes. Dillard denkt te weten waarom fecunditeit, de ongebreidelde voortplanting, haar zo van afkeer vervult: ‘Omdat ze het levende bewijs is dat geboorte en groei, die we als positief zien, alomtegenwoordig en blind zijn, dat het leven zelf zo onthutsend goedkoop is, dat de natuur achteloos is in haar overvloed, en dat overdaad gepaard gaat met een verpletterende verspilling die ooit ook ons goedkope leven zal omvatten.’

Wat volgt is een uiteenzetting over de afschuwelijke drang tot reproductie van alles wat leeft, en alles wat al even massaal en zinloos sterft.

Niet dat het de zeepoklarven, de bronswespen, de lisdodden iets kan schelen. Het is de mens die eerst en vooral is behept met emoties, en dat, schrijft Dillard, mag gelden als een speciale vloek van de Boosaardige: ‘Wij zijn de afwijkingen, met de wereld is niets aan de hand.’

Ik staar naar de hyacinten en de vrees bevangt me dat ze mij en de hele wereld zullen overleven, als een zieke grap, een perverse omkering van iets wat toch al pervers was om mee te beginnen.