Popmuziek

Feel good nostalgie

M. Ward

Matthew Stephen Ward, M. Ward in het artiestenbestaan, houdt van het oude. Van oude muziek, oude opnametechnieken en oude instrumenten. ‘More often than not old records keep me going, and they keep me from getting bored or tired of what I do for a living’, vertelde hij onlangs nog in een interview. Zelf wil hij van genrehokjes niets weten en zijn stijl is ook lastig te omschrijven. Ward put eigenlijk uit alle klassieke invloeden van de popmuziek en geeft er met zijn stoere, zwoele net-uit-bed-stem een authentieke draai aan. Zijn gitaar- en pianospel klinken verzorgd, maar beide hebben ook de geur van rokerige bars of schimmige podiumzaaltjes.

Ward wordt al jaren aangemoedigd door de critici, maar zijn populariteit stijgt vrij gestaag. Zeker als je het vergelijkt met een zelfde soort muzikale veelvraat en eigenzinnige persoonlijkheid als Jack White, die ook met veel bekende collega’s samenwerkt. Want die muzikale vrienden met wie hij meespeelt, of andersom, heeft hij genoeg. Van Norah Jones en Lucinda Williams tot Conor Oberst (Bright Eyes) en de populaire actrice Zooey Deschanel. Met haar vormt Ward sinds 2009 het popduo She & Him, dat zich net als hij al net zo min veel aantrekt van de moderne tijd. Met stijlvol aangeklede, ouderwetse pop met de nodige covers uit grootmoeders tijd hebben de twee nu al drie goed ontvangen albums uitgebracht. Hun laatste, A Very She & Him Christmas, moet ervoor zorgen dat ze straks zelf een klassieker worden rond de feestdagen.

Wards nieuwe plaat heet A Wasteland ­Companion en is deels feel good nostalgie en deels ingetogen en melancholiek. Tijdens het maken trok hij door zijn eigen ‘barre land’, Amerika, en nam de twaalf nummers op in acht studio’s. Deschanel zingt mee op Daniel Johnstons cover Sweetheart. Gecharmeerd van diens ongepolijste maar vaak wonderschone popsongs vormt Ward deze om tot een nog lieflijker liefdesliedje. Het zoete I Get Ideas van Louis Armstrong past daar goed bij. Mooi verstild is de akoestische opener Clean State, waarin Ward in de rol kruipt van iemand die snakt naar een nieuwe start, die nog maar even op zich zal laten wachten en deze hoopvol omschrijft als ‘then somewhere in another place, could be another lifetime’.

Even dromerig met een droefgeestige ­ondertoon is The First Time I Ran Away. Ward kruipt ook op de tweede helft van de plaat in de rol van gebutste, beschadigde personages. Zo is hij op dreef als gefrustreerde studio­medewerker Billie R. Burroughs een tv-station kaapt in Watch the Show of gaat hij als aandoenlijke ­mislukkeling voor zijn stille liefde door het stof op Crawl after You (‘I’ve been shook so bad, that I cannot stand to utilize my feet, so I’m gonna…’).

Zo is het regelmatig afzien in de liedjes van A Wasteland Companion, maar Ward voegt er bijna altijd hoop aan toe. In het titelnummer blijken naast oude platen ook zijn vrienden hem door lastige tijden heen te helpen (‘they know how, they know when’). Je kunt het ook letterlijk horen, want naast Deschanel wordt hij op de plaat door meer dan tien van hen bijgestaan, onder wie Howe Gelb (Giant Sand), Steve Shelley (Sonic Youth) en John Parish. Vrienden die hij in naam en faam minimaal zal gaan evenaren.

M. Ward, A Wasteland Companion, label: Bella Union/V2