© VPRO

Oké? Weet je? Nou, Janine, zeg jij het maar!

Er was heel veel om van Alfred Birney te gaan houden, als je hem zag bij Zomergasten. Zijn stopwoordjes, zijn gulle lach als hij zelf weer eens vergat wat hij wilde zeggen, zijn mimiek, zijn zelfspot. Hoe hij met zijn vingers pianospeelde terwijl hij naar woorden zocht. Hoe het geen moment in hem leek op te komen zichzelf als een slachtoffer te zien, terwijl hij toch genoeg in zijn leven heeft meegemaakt.

Allereerst al dat hij de zoon is van zijn vader – een Indische man die moordde en martelde voor de KNIL tijdens de politionele acties (of liever: de Indonesische Vrijheidsoorlog), want ‘hij wilde zich Nederlands voelen’. Hij ramde in op de ribbenkasten van jongens die bij hem in de klas hadden gezeten. Eenmaal in Nederland was vader een kluwen van trauma’s en gedragsstoornissen (lees: zijn Libris-winnaar De tolk van Java) die hij afreageerde op zijn gezin.

Birney koos een fragment uit de documentaire First Kill, waarin (zwaar getraumatiseerde en gedrogeerde) Vietnam-veteranen vertelden over hun plezier in het doden van mensen. Een van hen liep met een ketting van 36 afhakte oren om zijn nek. ‘Wat als ze in 1960 Nederlanders hadden geïnterviewd?’ Zijn vader, overigens, had zich aangemeld voor Vietnam. De Verenigde Staten bedankten hem keurig, hij was alleen te oud.

Birney vertelde dat hij nog steeds, een halve eeuw later, overdag slaapt en ’s nachts schrijft; ‘de nacht is mijn vijand’, want het was de nacht waarin zijn vader liep te spoken. ’s Nachts gaat het ganglicht aan, je ziet de schaduw van je vaders dolk, hij heeft zijn uniform aan en je roept: ‘Ik ben het papa, Freddy. Ik ben Freddy, niet steken!’

Maar zielig? Dat leek niet bij Birney te zijn opgekomen. Als kind verdraag je alles van je ouders, want je weet niet beter. Pas toen hij op zijn dertiende uit huis werd geplaatst dacht hij: ‘Hé, ik word niet geslagen! Hé, mijn moeder wordt niet verkracht!’

Birney sprak over zijn leven alsof het hem ook verbaasde, alsof hij het ook nog niet snapte. Bijvoorbeeld toen hij vertelde over de periode in zijn leven waarin hij in feite dakloos was. ‘In feite’ zeg ik verzachtend, omdat Birney het in die tijd amper zo leek te ervaren. Hij begreep het zelf pas toen hij de documentaire Searching for Sugar Man (2012) zag, waarin een aan lager wal verkerende muzikant in Detroit onhandig door de sneeuw stapte. Ik had dezelfde jas, dacht Birney eerst. En daarna besefte hij pas dat zoals de geïnterviewden in de documentaire over Sugar Man praatten, mensen ook over hem moeten hebben gesproken. Opeens besefte hij dat hij naar zichzelf zat te kijken.

Zijn grote liefde hij had hij verpest, vertelde hij. Hij was niet weggegaan, maar ‘ik heb haar laten weggaan’. De grootste fout van zijn leven. Maar hoe dat precies in elkaar zat, waarom, dat snapte hij nog niet – pas als hij erover ging schrijven zou hij het gaan begrijpen. Zo zie je maar dat je niet schrijft omdat je iets weet, maar omdat je wil uitzoeken hoe iets zit.

Birney was heerlijk om naar te kijken – maar de uitzending was daarmee redelijk eenrichtingsverkeer. De voorzetjes die hij presentatrice Janine Abbring gaf gingen vaak aan haar voorbij. Abbring is wel heel comfortabel in haar rol als straight man, zodat ze soms lijkt te vergeten dat ze zelf ook best met een inzicht op een fragment mag komen. Zeker aangezien Birney haar vaak genoeg uitdaagde. Toen hij haar vroeg of de sketch van Koot & Bie (De Tegenpartij, uit 1980) nu nog zou kunnen, had ze daar nagenoeg niets over te zeggen. Je had op een iets meer inhoudelijke reactie gehoopt van de vrouw die jarenlang het satirische programma Zondag met Lubach leidde.

Birneys pleidooi dat er heel veel aandacht is voor de transatlantische slavenhandel in het verleden, maar dat je diezelfde activisten nooit hoort over de naar schatting 15 miljoen mensen die vandaag nog in slavernij leven (volgens de Global Slavery Index zijn het er overigens tussen de 25 en 40,3 miljoen), kapte Abbring af door te zeggen dat hij zelf vast ook een telefoon had waar kinderen of slaafgemaakten aan hadden gewerkt. Klaar. Interessanter was geweest om Birney, met zijn enorme kennis van het postkoloniale debat, te vragen naar wat volgens hem de blinde vlekken in het publieke debat zijn.

Een van zijn beste fragmenten illustreerde precies zo’n blinde vlek. Journaalbeelden van de aankomst van Groote Beer in 1950, het schip dat Nederlandse soldaten uit Indonesië terugbracht. Eerst ontroerden de beelden me, de schijnbare naïviteit, het optimisme van de toon van de verslaggeving, de solidariteit met de soldaten die hun leven weer wilden oppakken. Onschuldige tijden, dacht ik.

Maar dat is niet wat Birney wilde laten zien. ‘Waar kom je vandaan?’ vroeg de verslaggever een soldaat die van het schip kwam. ‘Cilacap’, zei hij. Neeee, zei de journalist – waar in Nederland?

Zo ziet geschiedvervalsing eruit, legde Birney uit. Impliciet legt de journalist de veteraan meteen op welk verhaal verteld moet worden (over zijn leven in Nederland) en wat hij moet weglaten (zijn ervaringen in Indonesië). Dat zijn de beste zomergastmomenten – waar iemand je iets laat zien wat je zelf anders niet zo had gezien.