Feest en kabaal

Het eigenaardige met beroemdheden is dat men ze al lang kent als men ze leert kennen. De eerste keer dat ik Opland zag — Groene-borrel, dertig jaar geleden — stond daar, sigaartje in de mond, kelkje in de hand, de man die voor mijn omgeving lange tijd politieke bewustwording vorm had gegeven, onze blik op de wereld van Luns tot Johnson zowel vormend als weerspiegelend in die unieke, lichte en vrolijke stijl die niets afdeed aan zijn felheid, woede soms.

Mede door hem stapten we over van wat we ook lazen op de Volkskrant. Godfried Bomans stond daar nog zaterdags op de voorpagina — dezelfde dag waarop Opland alles uit de kast trok, zodat bestudering van een prent hetzelfde van ons vergde als Jeroen Bosch’ Laatste Oordeel van de late middeleeuwer.

Bomans en Opland, twee vormen van barok waartussen werelden van verschil. De eerste nu grotendeels gedateerd; Opland, het is niet anders, springlevend. Hij bleek ook te tekenen in het weekblad dat mijn huisgenoot soms kocht, onmiskenbaar dezelfde en toch heel anders: abstracter en protestantser. Het droeg bij tot mijn besluit een abonnement op die Groene te nemen, wat me het gevoel gaf m’n ontwikkeling tot linksig (half)intellectueel te bekronen. Men was toen nog wat men las.

Daar stond hij dus gewoon. Bewondering wordt wel een gesublimeerde vorm van jaloezie genoemd. Ik denk dat het een talent is waar te velen te weinig van bezitten. Maar goede basis voor het leggen van contact is het niet en het duurde lang voor ik me in de kring luisteraars om hem heen waagde. Wel was ik talloze malen getuige van fameuze verkleedpartijen en hilarische toespraken in briljant pseudo-Russisch en -Frans, doorspekt met namen van aanwezigen.

Opland was feest en kabaal. Een enkele kniesoor hield er niet van. Ik was er dol op, als op elk ritueel van niveau. Het leven spaarde hem niet en hij werd stiller, juist in de tijd dat we elkaar in het Stichtingsbestuur van De Groene beter leerden kennen. Volgens de statuten mocht je daar als medewerker beperkte tijd in — niemand die erover peinsde die regel op Opland toe te passen: hij wás De Groene en vocht er voor.

Onze sympathie groeide.

Langzaam werd Opland Rob. En als zodanig sterfelijk. Dat verbaasde ons en hem — we wilden er niet aan. In het ziekenhuis sprak hij een laatste keer «Frans» tegen me, geestig maar vreugdeloos.

Rob Wout is dood. Opland blijft leven. Maar De Groene als krant en als gezelschap is bedroevend armer.