Jan van Mersbergen wil de beleving van carnaval vatten als leeservaring © Marco Okhuizen / ANP

Het valt soms in februari, en ook weleens in maart, maar wat moet je als de lockdown je twee keer op rij de dagen in het jaar ontneemt waar je het meest van houdt? Kijken of de pekskes nog pasten had weinig zin in 2020 en 2021, en dus besloot Jan van Mersbergen de carnavalsroes via het papier op te wekken. Het gat dat Carnaval, een levensverhaal: De persoonlijke biografie van ons volksfeest moest vullen, was in eerste instantie dat in zijn eigen ziel. ‘Ik schrijf dit omdat ik carnaval mis’, aldus Van Mersbergen, die zich elf en nog wat jaar geleden voor het eerst liet opslokken door de Venlose vasteloavend en daarmee carnaval ontdekte als literaire grondstof.

Of Carnaval, een levensverhaal telt als geslaagde non-fictie is niet eenduidig vast te stellen. Steeds weer beeldspraak waarin een snippertje confetti een rol speelt is nogal repetitief. Maar juist de herhaling vormt de basis van het carnavalsgevoel. Van Mersbergen heeft zijn hoofdstukken opgedeeld naar de menselijke levenscyclus van (weder-)geboorte tot dood, omdat, zoals hij uitlegt, iedere fase kan worden beleefd in die drie dagen van lol en plezier. Dat is nogal bombastisch, maar dat zijn de praalwagens en verkleedpartijen natuurlijk net zo goed.

Van Mersbergens boek is wild associatief en hij citeert lappen e-mails van mensen die reageerden op zijn oproep om hún beleving van carnaval onder woorden te brengen. Een bonte stoet vreemde stemmen weerspiegelt op een natuurlijke manier het straattafereel tijdens carnaval. Dit lijkt dan ook Van Mersbergens doel: de beleving van het feest vatten als leeservaring. Carnaval werkt alleen als je je er volledig aan overgeeft; hetzelfde geldt voor dit boek.

Dus: waarom niet? Van Mersbergen nam de lezer eerder mee naar ‘de overkant van de nacht’ in een roman met die prachtige titel. Die ging over een gekwelde ziel die, uitgedost en dronken, leunend op de schouders van vreemden al zijn verdriet en heimwee ten volle beleeft tijdens het carnaval in Venlo. Van Mersbergens carnavalsroman liet al zien dat de schrijver enkel een luikje nodig heeft om een inkijkje in de menselijke ervaring te verschaffen. Carnaval leent zich daar prima voor.

Carnaval werkt alleen als je je eraan overgeeft

Daarbij: ‘lacherig doen is gemakkelijker dan je verdiepen in het onderwerp’, schrijft Van Mersbergen in Carnaval, een levensverhaal. De nuffige calvinist die neerkijkt op al dat gehos is daarmee meteen de deur gewezen. Het feest van gelijkgestemden kan beginnen.

Het is Van Mersbergen gelukkig niet te doen om iets ogenschijnlijk plats op te blazen met historische en culturele lucht. Natuurlijk, de Biënnale van Venetië wijdt exposities aan carnaval. De Russische denker Michail Bachtin legde uit hoe al sinds de Middeleeuwen met carnaval gezagsverhoudingen tijdelijk werden omgedraaid, opdat ze de rest van het jaar zonder morren werden geaccepteerd. Van Mersbergen stipt het braaf aan, maar hij koestert niet de verwachting dat de niet-ingewijden het daarmee plots zullen begrijpen. ‘Het voelt een beetje alsof een cowboy uit Texas tegen een New Yorker zegt: “onze gebruiken hebben wel degelijk waarde, want er is een Russische filosoof…” De New Yorker is dan al weggelopen’, schrijft hij.

En zelf als carnaval al draaide om even uit de band springen voordat het vasten en de conformiteit weer beginnen, is die functie inmiddels verdwenen. De huidige samenleving is, zoals Van Mersbergen terecht opmerkt, er een waarin ‘de middelvinger te pas en te onpas wordt opgestoken’. Verzet tegen autoriteit is tegenwoordig met je vrienden uit de zuipkeet een politiebusje belagen of haatmails naar politici sturen. Hiertegen afgezet is de rituele, kleurrijke en in tijd afgebakende ongeremdheid van het carnaval een toonbeeld van beschaving.

Verwacht geen keurig overzichtswerk van het carnaval, waarschuwt de schrijver. Hij behandelt sommige buitenlandse voorbeelden wel (carnaval in het Belgische Aalst, bijvoorbeeld) en andere niet (het unieke vijfhonderd jaar oude carnaval in Bagolino ontbreekt, om maar wat te noemen). Een duidelijke methode anders dan Van Mersbergens eigen gedachtesprongen lijkt niet aan dit werk ten grondslag te liggen.

Carnaval, een levensverhaal is daarmee vooral een collage van bonte anekdotes, bewondering voor de taalkundige creativiteit van het carnavalslied en blijk van oog voor de behoefte aan gedeelde ervaringen. Ook geeft Van Mersbergen een veelvoud van elf aan definities van dit ritueel. Het boek telt vijfhonderd pagina’s, maar je krijgt de indruk dat hij nog minstens drie keer zo lang had kunnen doorgaan.

Op deze manier werpt hij impliciet de vraag op in hoeverre een boek daadwerkelijk een substituut voor de ervaring kan zijn. Zeker nu het grote verheugen op de vasteloavend 2023 begonnen is, voelt het haast zonde om te lézen over carnaval. Bij wijze van ode aan het vieren van de zotheid heeft Van Mersbergen een boek geschreven dat bovenal duidelijk maakt nooit de eigen bestaansreden te kunnen vervullen. Iedereen, de schrijver inbegrepen, wil carnaval uiteindelijk liever deinend in de menigte ondergaan dan zittend in de leunstoel.