Verloren generatie Engelse toestanden

Feestgeweld

Door de rellen in Engeland kwam weer de klassieke kloof tussen links en rechts aan het licht. Volgens links maakt een rottige maatschappij slechte mensen, volgens rechts maken slechte mensen een rottige maatschappij.

DE MILITANTE demonstranten van de Socialist Worker Party hadden na de augustusrellen hun leuzen klaar: ‘Blame the Tories, not our kids’, 'Bankers are the real looters’, 'Stop all the cuts’, 'No to police racism’. Aan de boven- en rechterkant van de samenleving was de verklaring voor het ongehoorde driedaagse straatgeweld ook gauw gevonden. De relschoppers waren barbaren en criminelen, punt uit, zonder enig excuus, aldus premier Cameron. In plaats van klassenstrijd ging het om 'gratis winkelen voor schoften’, volgens een briefschrijfster in de Daily Mail.
De Britten zijn van hun schrik bekomen en hebben hun kapotte ruiten en rolluiken weer gerepareerd. Maar begrijpen doen zij (en wij) er nog steeds niet veel van. Ontluisterend was dat pogingen tot verklaring van de rellen meteen in het tweepartijenstelsel werden gespiegeld en voorspelbaar werden gepolitiseerd. Terwijl David Cameron het morele reveil predikte en het 'kwaad’ dat werd belichaamd door dit 'pure tuig’ met wortel en tak wilde uitroeien, wees Labour-leider Ed Miliband op sociaal-economische oorzaken als armoede, achterstand, crisis en bezuinigingen. Natuurlijk waren plunderingen volgens hem nooit goed te praten, en wees ook Cameron op het slechte voorbeeld van graaiende bankiers, frauderende politici en hufterige journalisten. Ze verschilden niet van mening over het bestaan van een diepgaande waardencrisis in de Britse samenleving. Maar waar de conservatief de nadruk legde op cultureel en moreel verval en de eigen verantwoordelijkheid van de relschoppers, zocht de sociaal-democraat vooral naar (andere) structurele oorzaken, zoals de toegenomen kloof tussen arm en rijk, stagnerende sociale mobiliteit, hardnekkige discriminatie, hoge jeugdwerkloosheid en een algemeen gebrek aan perspectief op de toekomst.
Ook in de Nederlandse pers zagen we die verklaringen botsen. De Rotterdamse socioloog Willem Schinkel - altijd beschikbaar voor een revolutionair-romantische opinie - ergerde zich aan de commentator van NRC Handelsblad, die korte metten maakte met 'al te vrome’ analyses die in het Engelse stadsgeweld een politiek verzetselement projecteerden: zij vormden hooguit een politiek alibi voor rellen en stelen. Volgens Schinkel ging het niet om willekeurige verveelde 'barbaren’, maar wel degelijk om een politieke strijd van arme en machteloze jongeren vol opgekropte frustratie en zonder toekomstkansen. Hoofdoorzaken waren de sociaal-economische segregatie en de bezuinigingen op wijkvoorzieningen. Schinkel sloot zich aan bij de analyse die de Sloveense dieptefilosoof Slavoj Zizek had gemaakt van de Franse rellen van 2005. Die waren 'extreem democratisch’: de jongeren eisten dat ze gezien werden. Publieke zichtbaarheid is een klassieke republikeinse eis, en wie niet op een legitieme manier gezien en gehoord wordt, grijpt vroeg of laat naar andere manieren om erkenning te krijgen (NRC Handelsblad, 10 augustus).
Zo slagen linkse salonrevolutionairen erin om de vernielzucht van losgeslagen plunderaars te romantiseren en weg te verklaren. Hun conservatieve tegenstanders willen op hun beurt niets weten van sociaal-economische en politieke oorzaken en geven de individuen en niet de omstandigheden de schuld. Het is een klassieke ideologische kloof tussen links en rechts: slechte omstandigheden maken slechte mensen, dus als je de omstandigheden begrijpt, wordt het rottige gedrag van mensen begrijpelijker en minder 'erg’. Andersom geldt: slechte mensen maken een rottige maatschappij, dus moeten we mensen beter opvoeden en de schuldigen hard aanpakken. Dezelfde vermoeiende tweespalt drukt sinds jaar en dag op het integratiedebat: terwijl links hamert op sociaal-economische en onderwijsachterstanden wil rechts alleen culturele, morele en religieuze oorzaken zien, en de eigen verantwoordelijkheid zwaarder laten tellen.
Waarom blijft het zo lastig om een meer evenwichtige analyse te bereiken, waarbij geen voorrang wordt gegeven aan ofwel sociaal-economische ofwel culturele, morele en persoonlijke factoren, maar juist de samenhang en wisselwerking tussen beide zichtbaar wordt gemaakt? De patstelling duurt voort omdat de twee verklaringen voortvloeien uit tegenovergestelde mensbeelden die de aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid voor maatschappelijk succes of falen verschillend toedelen. Het citeren van sociaal-economische oorzaken werkt voor conservatieven en liberalen al snel vergoelijkend, omdat de eigen verantwoordelijkheid van mensen wordt afgeschoven op structuren (die zij niet willen veranderen). Voor progressieven geldt het omgekeerde: te veel hameren op de culturele factor, de moraal en de gevolgen van eigen keuzes is link, omdat het mensen gemakkelijk vernedert en de structuren vergoelijkt die men juist wél wil veranderen.
Deze botsing tussen linkse en rechtse waarheden bemoeilijkt het inzicht dat economische en culturele oorzaken in de huidige kennissamenleving nauwelijks van elkaar kunnen worden losgezien. Het is juist die wisselwerking die ons startpunt moet zijn, in plaats van te blijven steken in de 'gekruiste blindheden en helderziendheden’ (Bourdieu) van het politieke welles-nietes. Terwijl premier Cameron volhield dat de rellen niet over armoede gingen, liet onderzoek van The Guardian naar de reeds gevoerde strafzaken een duidelijke correlatie zien tussen armoede en geweld: 41 procent van de verdachten woont in de top 10 procent van de meest gedepriveerde buurten; 66 procent van die buurten is tussen 2007 en 2010 armer geworden (The Guardian, 18 augustus). De zwaar getroffen Londense wijken Haringey, Hackney en Lewisham kennen het grootste percentage werkloosheidsuitkeringen van het hele land: bijna 36 procent van de jongeren tussen 16 en 24 jaar in de laatste wijk is werkloos, bij een (nog steeds fors) landelijk gemiddelde van 19,5 procent (The Guardian, 14 augustus).
Aan de andere kant zijn culturele, morele en beschavingsfactoren, zoals een gebrekkige taalbeheersing, botheid, onverschilligheid en onfatsoen, een antimaatschappelijke houding, religieuze of etnische vooroordelen of gebrek aan flexibiliteit, van directe invloed op iemands kansen op werk, opleiding en mobiliteit. In de moderne kennis-, consumptie-, design- en mediamaatschappij is de economie evenzeer geculturaliseerd als de cultuur geëconomiseerd. Cultureel kapitaal weegt ten opzichte van economisch kapitaal steeds zwaarder als productiefactor en sorteerder van sociale posities en privileges. De bevolking is steeds hoger opgeleid, maar is tegelijk sterker verdeeld in nieuwe 'klassen’ van hoger en lager opgeleiden. Die segregatie tekent zich steeds duidelijker af in de vorm van uiteenlopende levensstijlen, media- en politieke voorkeuren en geografische woonplaatsen.
Een manier om de onmiddellijke samenhang tussen economische en culturele kansen te laten zien is via de 'opzichtige consumptie’, die al lang geen eliteverschijnsel meer is maar is neergedruppeld naar het dagelijkse winkelgedrag van de grote massa. Consumptie is een belangrijke sleutel geworden voor identiteit, respect en erkenning. (Meer) geld is meer dan ooit nodig om waardering te krijgen van anderen en 'iemand te zijn’. Terecht noemde de Engels-Poolse socioloog Zygmunt Bauman de revolte 'een opstand van gemankeerde consumenten’ (NRC Handelsblad, 13 augustus). Winkels hebben volgens hem in onze samenleving een waarlijk apocalyptische dimensie gekregen. To shop or not to shop is de actuele vertaling van Hamlets existentiële vraag. Winkels kunnen door de gedepriveerden dan ook gemakkelijk worden gezien als 'buitenposten van de vijand’. Dan maar met z'n allen de ruiten inslaan en grijpen wat je grijpen kunt. Aan de bovenkant van de samenleving doen bankiers, politici en celebrities immers hetzelfde zonder een ruitje te hoeven breken en zonder te worden betrapt. Ook zij willen consumeren en pronken met hun bezittingen om te laten zien hoe 'goed’ ze zijn.

DE CONCLUSIE die progressieve denkers en politici nu eens zonder mitsen en maren moeten trekken is dat er wel degelijk sprake is van diepgaande morele corruptie in de samenleving: een crisis van de publieke én de private moraal. Het gelijk van conservatieven als Theodore Dalrymple en Frank Furedi moet nadrukkelijker worden erkend en ingecalculeerd. We hoeven Dalrymple niet te volgen in zijn kleinzielige necrologie van de 'vulgaire, domme, walgelijke, talentloze’ Amy Winehouse om toch te erkennen dat de doorgeslagen cultuur van fortune and fame, van 'iets-voor-niets’ en 'recht op alles’ van grote invloed is op de mentaliteit van grote groepen jongeren en andere mensen. Armoede en achterstand leveren nooit een afdoende verklaring voor diefstal en geweld, die per definitie worden gepleegd door een kleine minderheid. De verklaring moet ook worden gezocht in een ernstige opvoedings- en gezagscrisis, een crisis van het morele leiderschap, die een beschavingsgat heeft laten vallen waaruit een nieuwe gewetenloosheid is opgeborreld.
In plaats van 'zinloos’ geweld was er in Engeland eerder sprake van 'feestgeweld’: een onbekommerde, doelloze agressiviteit waarbij het niet eens zozeer leek te gaan om de opbrengst van het proletarisch winkelen (vooral luxe gadgets en merkgoederen) als wel om de spanning en sensatie zelf. Het is de werkelijkheid van heftige computergames, maar 'voor het echie’, dus met de adrenalinerush waar street gangs en voetbalhooligans zich regelmatiger op verheugen. Happy slapping door scholieren is een andere uitingsvorm hiervan. Die verveelde vrolijkheid van het intimideren, vechten, stelen en in de fik steken werd terecht vergeleken met de geamuseerde agressie van Alex en zijn gang in Stanley Kubricks A Clockwork Orange uit 1971 (Anthony Burgess’ gelijknamige roman is van 1962). De pure gewetenloosheid van de hulpvaardige beroving van een gewonde Maleisische student had perfect in Kubricks scenario gepast, net als de uitzinnigheid van de kinderen van de gegoede middenklasse die vrolijk meededen met de plunderingen en brandstichtingen.
Feestgeweld en vrolijke agressie zijn eigenlijk niets anders dan extreme vormen van de nieuwe hufterigheid en zelfgenoegzaamheid die zich in de samenleving hebben breed gemaakt. Als linkse liberaal erken ik voluit dat die kwaden ook het morele failliet aantonen van het doorgeschoten vrijheids- en zelfontplooiingsdenken. De zelfkant van onze eigen idealen grijnst ons vanuit Engeland aan. Wat Dalrymple de 'onstuitbare opmars van de zelfingenomenheid’ noemt, die de maatschappij heeft veranderd in een 'verzameling van razende egoïsten’, is helaas voor een belangrijk deel terug te voeren op een radicalisering en verabsolutering van 'ons eigen’ individualisme van de jaren zestig en zeventig. Dat heeft een 'grenzeloze generatie’ voortgebracht met een mentaliteit van 'ik ben uniek’ dus 'ik heb overal recht op en wel nu meteen’. Inclusief mijn eigen mening, dus ik zeg wat ik denk zonder erbij na te hoeven denken. Het is alleen pech voor Dalrymple dat die narcistische en hufterige vrijheid tegenwoordig het meest overtuigend wordt uitgedragen door de hedendaagse populisten en niet door de door hem zo gehate linkse intelligentsia. Geert Wilders en Martin Bosma zijn niet vies van verbaal geweld, en slagen er bovendien in om het hufterige, doorgeschoten vrijheidsideaal te nationaliseren. 'Ik ben uniek, ga jij maar opzij’ en 'Nederland is uniek, moslims sodemieter op’ gaan in hun denken soepel in elkaar over.
Die cultuur van hoge eigendunk en 'take what you can’ (dat wil ook zeggen: afpakken van anderen) vraagt om een nieuwe ethiek van matiging en zelfbeheersing, van onder tot boven in de maatschappij. Progressieven moeten zich meer aantrekken van het conservatieve inzicht dat vrijheid alleen kan bloeien binnen bepaalde morele grenzen en dat mensen moeten worden uitgedaagd om zichzelf te verheffen naar hun betere ik. Nu de anti-autoritaire, antipaternalistische sentimenten vooral bloeien op rechts moet links niet bang zijn om woorden als 'beschaving’, 'opvoeding’ en 'verheffing’ weer in de mond te nemen, en daarin 'lekker elitair’ te zijn. De Britse premier pleitte voor meer sociale discipline en voor straffen die 'een duidelijke, dikke lijn trekken tussen goed en kwaad’. Ook al sluit hij zijn ogen voor achterstand en kansloosheid, hij heeft wel degelijk een punt. Links miskent de diepte van de huidige morele en gezagscrisis. Als links het 'goede leven’ wil bevorderen moet het beter nadenken over het postparadijselijke onderscheid tussen goed en kwaad.

Dick Pels is directeur van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks