Feiten werpen licht op feiten

LUCRETIUS
DE NATUUR VAN DE DINGEN
Vertaald door Piet Schrijvers, Historische Uitgeverij, 612 blz., € 49,95

Eeuwenlang werd de mensheid klein gehouden met angst voor de dood en voor goden. Ons werd respect opgedrongen voor willekeurige normen en waarden. We moesten ons onderwerpen aan autoriteiten die zich boven ons hadden geplaatst. Ten slotte zijn we in de greep gekomen van ongebreidelde hebzucht en drang tot consumeren. Maar de bevrijding naakt, de tijd van ontvoogding en ontmythologisering is aangebroken:

Toen het menselijk leven voor aller ogen schandelijk
ter aarde lag en neergedrukt werd door de godsdienst,
die uit de hemel haar kop opstak en met haar aanblik
de stervelingen huiverend ineen deed krimpen,
durfde een Griek als allereerste mens zijn ogen
er tegen op te heffen, als eerste op te staan.

De naam van deze Griek is Epikouros (341-271 voor Christus) en de Romeinse dichter Lucretius (99-54 voor Christus) is zijn profeet. De revolutionaire filosoof, die de vloer aanveegt met doodsangst, religie en verslaving aan aardse goederen, wordt door Lucretius afgeschilderd als een krijgsheld die de poorten van de Natuur openbreekt en een wetenschappelijke triomf behaalt: ‘Zijn geest doorzwierf het onmetelijk heelal waaruit/ hij zegevierend ons bericht wat kan ontstaan,/ wat niet, op welke wijze de macht van ieder ding/ beperkt is en een diepverzonken grenssteen kent.’ Epikouros’ wapen is het koele verstand, waarmee hij natuurwetten in kaart brengt en fabeltjes uit de wereld helpt. ‘Zo wordt op haar beurt nu de godsdienst neergeworpen,/ vertrapt; die overwinning heft ons hemelhoog.’
Lucretius, van wie de kerkvader Hiëronymus vilein beweert dat hij na het drinken van een afrodisiacum krankzinnig zou zijn geworden, is een van de allergrootste dichters uit de klassieke Oudheid. Zijn zes boeken tellend leerdicht De rerum natura zou, nadat de auteur zich van het leven had beroofd, door Cicero zijn uitgegeven. Uit de zojuist aangehaalde passage komt het paradoxale karakter van het werk meteen sterk naar voren. Kernpunten in Epikouros’ filosofie zijn nuchtere natuurwetenschap, ironische godsdienstkritiek, maatschappelijke afzijdigheid en een streven naar innerlijke onverstoorbaarheid. In zijn vurig enthousiasme voor deze leer schetst Lucretius in waarlijk epische bewoordingen het beeld van een heroïsche krachtmeting, die zelfs mythische trekken krijgt. Hier tracht de ene mythe de andere om zeep te brengen.
Lucretius schrijft niet overal zo hoogdravend. In zijn behandeling van Epikouros’ atoomtheorie stapelt hij bladzijdenlang het ene bewijs op het andere, in een merkwaardige mengeling van droog wetenschappelijk jargon en beeldende metaforen, en ook wanneer hij uitlegt hoe zintuiglijke waarneming werkt en waarom de ziel sterfelijk is, zien we een methodisch denkende geest een zorgvuldig geconstrueerde theorie ontvouwen. Maar het gedicht wordt nooit saai, want met strategisch geplaatste retorische trucs weet Lucretius de lezer bij de les te houden. Genadeloos rekent hij af met bakerpraatjes over de onderwereld, met superieur sarcasme tekent hij de decadentie van adellijke heren, vernietigend is zijn analyse van verliefdheid, groots en vol mededogen zijn relaas over de evolutie van de mensheid.
Daar Lucretius’ materialistisch wereldbeeld niet alleen strijdig was met de Romeinse godsdienst en de meest gerespecteerde filosofische stelsels, die van Plato, Aristoteles en de Stoa, maar natuurlijk ook volstrekt onverenigbaar was met de christelijke theologie, is De rerum natura altijd als een gevaarlijk geschrift beschouwd, juist omdat de poëzie zo krachtig is. Tot in de negentiende eeuw gold het als explosief materiaal dat niet in handen mocht komen van beïnvloedbare jongeren, maar sinds de dagen van Marx, Darwin en Nietzsche is Lucretius een van de helden van de vrije gedachte geworden.
Ida Gerhardt vertaalde twee van de zes boeken (1942), in 1966 verscheen de versie van A. Rutgers van der Loeff onder de titel Atomen tegen goden. Dat boekje bevatte een toelichting van Piet Schrijvers, die in 1984 ook de editie bezorgde van de vertaling door Aegidius W. Timmerman uit de jaren dertig. In 2007 verscheen bij Damon een complete vertaling door Marguerite Prakke. Nu is er dan de tweetalige editie van Piet Schrijvers, de grootste Lucretius-kenner van Nederland, die eerder bekendheid verwierf door zijn vertalingen van Vergilius’ Aeneis en Georgica en de verzamelde poëzie van Horatius. Aan Schrijvers’ schitterende vertaling gaat een heldere en originele inleiding vooraf, terwijl het boek wordt afgesloten met een nawoord van ruim zestig pagina’s waarin de receptie van het werk wordt belicht, met de nadruk op Nederland.
Ons tijdsgewricht heeft nog steeds niet afgerekend met obscurantisme en religieuze lulkoek. Daarom heeft de boodschap van Lucretius niet aan belang ingeboet:

Met weinig begeleiding zul jij dit grondig leren,
het een verklaart het ander en geen duistere nacht
zal jou doen dwalen van het zicht op verste verten
van de natuur: zo werpen feiten licht op feiten.