Ger Groot

Felisberto

Vorig jaar zou Julio Cortázar negentig geworden zijn, als hij niet precies twintig jaar eerder overleden was. Aan dat dubbele jubileum werd vooral in de Spaanstalige wereld aandacht besteed, net als in Frankrijk, het land waardoor de schrijver zich had laten adopteren. De Nouvelle Revue Française kwam met een speciaal aan Cortázar gewijd zomernummer, inclusief een (althans in het Frans) ongepubliceerde tekst van de auteur zelf: een «handgeschreven brief aan Felisberto Hernández».

Het leek een vingerwijzing uit de hemel. Zojuist was in Nederland de verhalenbundel Domeinen van het geheugen van diezelfde Felisberto verschenen (Meulenhoff). Het was het overblijfsel van wat een uitgave van het volledige werk had moeten worden, als sommige nabestaanden niet dwars hadden gelegen. Hoe dan ook bevatte de bundel het belangrijkste deel van Hernández’ oeuvre, dat door Cortázar in de warmste bewoordingen werd bewierookt: «Om je te bewonderen, hoeft iemand alleen je teksten maar te lezen.»

En ik begon te lezen, beroepshalve maar ook benieuwd naar deze Uruguayaanse Geheimtipp, die niet tot Cortázar beperkt bleef. Gabriel García Márquez verklaarde ooit niet de schrijver te zijn geworden die hij was als hij Hernández niet gelezen had – en zoiets zeg je niet zomaar.

Maar het boterde niet tussen Felisberto en mij. Zijn veelal autobiografische verhalen straalden wel een intrigerende sfeer van vervallenheid uit – afgebladderde verf, verlopen hotels en concertzaaltjes, verschaalde eau de cologne – maar bleven naar mijn gevoel veelal zonder pointe. Bevreemdend waren die plotselinge, banale einden wel, maar dat droeg nauwelijks bij tot de opgeroepen sfeer, die Cortázar «luguber» noemde. De recensent in mij merkte bij elke nachtkaars pinniger op dat een verhaal een sterke slotregel moet hebben, die het geheel alsnog onontkoombaar maakt. Bij Hernández bleven de zinnen in de lucht hangen, alsof de verteller plotseling niet meer verder wist, en dan wist ook de lezer die ik was het niet meer.

Zo groeide in mij van twee kanten de twijfel. Enerzijds aan het meesterschap van Felisberto, maar anderzijds aan mijn eigen oordeel, want Cortázar, grootmeester van het korte verhaal, had zijn «handgeschreven brief» toch niet voor een handvol zilverlingen geschreven? Ik zette door en ervoer af en toe een zekere fascinatie: voor de ondergelopen villa, waar de schrijver ooit een tijd verbleven had, en waarin de eigenares zich vlotjes tussen de meubelstukken door bewoog. Of voor de treurige verslagen van half mislukte concerten en muzikale soirées, waarmee Hernández als pianist aanvankelijk zijn brood verdiende.

Met inspanning tuurde ik naar mooie zinswendingen en rake citaten, die het in mijn recensie goed moesten doen en de eer van Felisberto zouden redden. Maar het boek bleef, zelfs na tweede lezing, een reddeloze zaak. Het enthousiasme wilde maar niet overspringen en langzamerhand verstreek de tijd waarin er nog met goed fatsoen een recensie te schrijven viel. Ik wist me door het boek verslagen, want mijn literaire competentie schoot onmiskenbaar te kort. Het oordeel van een Cortázar of García Márquez veeg je nu eenmaal niet zomaar van tafel.

De recensie is er uiteindelijk niet gekomen; dat was de volgende nederlaag. Een criticus mag het liefst niet laten afweten wanneer de zaken hachelijk worden. Hij ontleent zijn gezag aan zijn mening – en om te beginnen aan het feit dat hij een mening heeft. Sindsdien ligt Felisberto als een levend verwijt op de hoek van mijn bureau. «Ik weet het niet», mompel ik hem af en toe verontschuldigend toe, niet helemaal zeker van de precieze inhoud van mijn ongewisheid. Wellicht – denk ik soms – had ik toch door roeien en ruiten tegen Cortázar in moeten gaan. Maar misschien houd ik het toch beter bij deze biecht van onvermogen.

In de maanden daarop las ik Rayuela, Cortázars cultroman, die in mijn boekenkast al jaren op mij wachtte. Een nieuwe oordeelscrisis volgde. Ook Rayuela viel eigenlijk een beetje tegen.