Fels stond erbij en keek ernaar

Als cameraman en regisseur reisde hij de wereld rond. Tot de oorlogen en ellende hem teveel werden. Hij trok zich terug en schreef een boek. Over zijn eigen belevenissen, en over zijn ouders - verzetsstrijders die het concentratiekamp overleefden. Interview met Hans Fels: ‘Alles voedde mijn cynisme. Alles was een bewijs van: Ja, het is nu eenmaal zo.’ ..LE Hans Fels, In het landschap van mijn ouders, uitg. Meulenhoff, 172 blz., Ÿ32,90 ..LE ‘IK HEB VEEL mensen ontmoet die verschrikkelijke monsters waren. In Zimbabwe werd ik, toen dat nog Rhodesi‰ heette, ontvangen door Ian Smith. De vleesgeworden verschrikkelijkheid. DÇ blanke Afrikaan. Het was zo'n aardige man. Charmant. Innemend. Iemand bij wie je je heerlijk voelt.

Het omgekeerde gebeurde ook. Michael Dukakis. DÇ kans voor Amerika om uit de nachtmerrie van Reagan te komen - d†cht ik. Hij bleek een walgelijke man. Die man had een ego, z¢ groot, dat vulde de kamer. Alsof je tegen de muur werd gedrukt doordat de ruimte vol stroomde met snot. Ik weet nog dat ik bij hem wegging en dacht: Als hij in godsnaam maar geen president wordt.’
Een paar jaar geleden ontmoette Hans Fels in een idyllisch badplaatsje in Kroati‰ een erg aardige man. Goed voor zijn gezin, goed voor zijn buren. Urenlang speelt hij met zijn zoontje in de zee. Ze worden vrienden. Op een avond, turend naar de bergen van Bosni‰, vraagt Fels hem of hij wel eens iemand heeft gedood. Het antwoord staat in het boek van Hans Fels, in het verhaal ‘Mensen’:
'In gebrekkig Duits begon hij mij voor te rekenen hoeveel mensen hij had omgebracht: Bosnische Servi‰rs en moslims. Hij putte uit zijn geheugen, haalde de situaties weer voor ogen, ’s nachts in Bosni‰-Herzegovina, tijdens de speciale opdrachten die hij en zijn groep moesten uitvoeren achter de vijandelijke linies. Naarmate in zijn geheugen de nachtelijke patrouilles terugkwamen, groeide de lijst van doden die hij op zijn naam had staan. Het schijnt heel makkelijk te gaan: je ziet je vriend sterven door de hand van de “vijand” en dan kan je ineens iets wat je nooit bij jezelf voor mogelijk had gehouden. Maar je kan het en je kan het zonder enige moeite en zo het al moeite kost, kan je het de tweede keer met iets minder moeite en op het laatst doe je het gewoon en drink je een kop koffie.’
WE ZITTEN aan zijn keukentafel en praten over de reizen die hij als cameraman en regisseur maakte. De meeste voor het VPRO-televisieprogramma Diogenes. Naar China, Cuba, Chili, Cambodja. Irak, Israel en Bosni‰. De vluchtelingen en de vervolgden, de slachtoffers en de daders, samen vormen ze het verhaal van een oplopende teleurstelling. Culminerend in de totale depressie die hem na Bosni‰ onderuithaalde. De diepe overtuiging dat deze wereld de hel is.
'Van vroege reizen herinner ik me dat ik nog naãef kon zijn. Sri Lanka, toen nog Ceylon. Ik zag een boeddhistische beweging en ik was verkocht. Geloofde daar vurig in. Stuur me nu naar zo'n land en ik kan er in niks geloven. Colombia. Ik herinner me een boerenbeweging die het land bezette. Ik dineerde met ze in dure restaurants. Later gingen ze er met de kas vandoor.’
Cuba. Als hij de bootvluchtelingen die aanspoelen op de vaste wal van de Verenigde Staten vraagt waarom, hoopt hij dat ze zullen zeggen: 'Wij willen vrijheid. Wij willen ons kunnen uitdrukken.’ Dat zeggen ze niet. Ze zeggen: 'Wij kunnen geen spullen kopen. Daarom zijn we hier gekomen.’
Fels: 'Ik hoopte steeds dat mensen een mooi motief hadden. Niet iets banaals als geld, Nikes of hamburgers. Of dat ik een soort van berouw hoor. Dat iemand zegt: Ja, inderdaad. Ik ben fout geweest en dat heeft een gigantische stapel lijken gekost.’
CAMBODJA. Hij gaat erheen met de legendarische oorlogsverslaggever Denis Cameron. 'Ik hoop dat jullie het niet eng vinden om een beetje oorlog te verslaan’, zo begroet die Fels en zijn crew. 'Oorlog niet, maar hoe zit het met mijnen?’ vraagt Fels luchtig. De oude rot antwoordt: 'Cambodja zit propvol landmijnen. Maar maak je niet druk, I’ll be right behind you.’
Hij schuift zijn stoel naar achteren en vertelt enthousiast over Cameron. Diens verhaal is exemplarisch, zegt hij. Cameron was eerder in Cambodja. In 1970. Toen was al een handjevol verslaggevers vanuit Vietnam vertrokken naar het nog onbekende oorlogsgebied waar de Rode Khmer huishield. Geen van hen keerde terug. Cameron kwam aan en was getuige van het grote moorden, de slachtpartijen van de Rode Khmer. Maar hij slaagde er niet in Amerika te doordringen van de ramp die zich in het buurland van Vietnam afspeelde.
'Van Denis leerde ik hoe nutteloos het vak was. Je kunt wel filmen of schrijven, wat rotzooien. Het helpt allemaal niks. Ik heb over hem geschreven alsof het een zelfportret was. Want ik merkte dat ik begon te worden als hij. Dat ook ik mijn energie uit het negatieve moest trekken.
In Tel Aviv, toen we bij luchtalarm de schuilkelder in wilden duiken, zei Denis: De schuilkelder? Naar buiten. Filmen! Buiten in de stille straten, wachtend op een Scud, voel je dan ineens dat je leeft. Je maakt zo veel adrenaline aan. Je wordt er helemaal jong van. Je rimpels trekken weg. Je kunt waanzinnig hard lopen. Rennen. Sprinten. Allemaal dingen die je anders niet kunt.’
HIJ LAAT DE oorlogssituaties de revue passeren. Soms met toegeknepen ogen. Wanneer hij zich iets herinnert en aan het vertellen slaat, staan ze weer wijdopen.
Hij is, zegt hij, een niet-ge‰ngageerde filmer. Een zoekende. Niet eentje die naar Nicaragua gaat om te bewijzen dat het daar goed is. Meer een van het type 'Ik stond erbij en ik keek ernaar’.
'Uiteindelijk word je een soort clinicus. Een chirurg. Ik neem op, anderen moeten maar helpen. Vroeger kon ik de camera nog neerleggen. Colombia, we filmden een familiecircusje. Een heel klein jongetje, Angelito, was het clowntje. Hij hielp zijn broer in een nummer met brandende fakkels. Hij probeerde iets uit te maken en trapte mis. Op een tankje met benzine. Het spoot eruit. De clown ging in de fik. Er was geen twijfel. Ik gooide de camera op de grond en bluste de clown.
Zuid-Afrika, de walgelijkste dingen gefilmd. Dingen waaraan ik nu niet meer durf te denken.
Afghanistan. De bom ging af toen we grappen zaten te maken. Ik zat met Lex Runderkamp op een muurtje. Een enorme knal. Weggesprongen. Hij was in een school terechtgekomen. We kwamen binnen, al die kinderen. De boel die nog een beetje leefde. Gewoon filmen. Van: Kijk! Dit doen die klote-mujahedin. Ook weer zulk tuig. De hele wereld denkt: Wat fijn dat de mujahedin bestaan, maar wij weten wel beter.’
Hij vertelt ge‰motioneerd en noemt vooral hoofdwoorden. Hij kijkt me steeds doordringend aan. Behalve als het over echt leed gaat, dan vluchten zijn ogen weg. Plotseling is er een kind in zijn verhaal.
'Kijken of de belichting wel goed was, en de scherpte. Vlak bij dat kind een huilende moeder. Langzaam een shot van die moeder naar dat kind laten gaan. Kijken, is dat een goed shot? Ik herinner me dat kind. Ze was voor de helft weg. Vanaf haar middel. Om de een of andere rare reden leefde ze nog. Het was een meisje. Ze keek me aan. Het was alsof ze zei: Jij filmt mij nu wel, maar dat heeft absoluut geen zin.
Dat komt op je ziel terecht. Dat kind komt terug op het moment dat je wankelt. Ik, de man die met een oplopend cynisme de wereld rondreist, was uiteindelijk niet meer in staat de hand te grijpen van dat meisje. Ik was niet meer in staat mee te delen in gevoelens. Ik kon niet meer tegen iemand zeggen: “Wat erg” of “Wat onnodig”. Alles voedde mijn cynisme. Alles was een bewijs van: “Ja, het is nu eenmaal zo.”’
DE VAL KOMT in de Bosnische oorlog. Naar Bosni‰ was hij vertrokken met Sir Fitzroy Maclean, de man die tijdens de Tweede Wereldoorlog door Churchill werd uitgezonden om uit te zoeken wie die Tito toch was. Tot dan had Engeland de Servische nationalisten gesteund. Fitzroy zei: Dat is niks. We moeten Tito steunen. Hoewel dat wel een communist was. Churchill vroeg daarop: 'Ben jij van plan de komende veertig jaar in Joegoslavi‰ te gaan wonen?’ En zei na Fitzroys ontkenning: 'Laten we het dan maar aan de Joegoslaven zelf laten om te beslissen of ze in een communistische staat willen leven.’
Fitzroy en Tito bleven vrienden en Fitzroy werd een volksheld in Joegoslavi‰. Uit zijn boek Eastern Approaches leerde Fels hoe in de oorlog, voor Tito, precies dezelfde situatie had bestaan: moslims, Servi‰rs en Kroaten lijnrecht tegenover elkaar.
Fels: 'Ergens in Bosni‰ ben ik gaan wankelen. Ik heb daar de grens bereikt. Ik had geen enkele sympathie meer, voor niemand. Of ze nou moslim, Servi‰r, Kroaat of Montenegrijn waren, ze konden me allemaal de pot op. Ik weet nog tot op de minuut wanneer het gebeurde. In een dorpje tussen een Kroatische en een Servische stelling wilde ik Fitzroy bij een huis krijgen. Ik moest gaan kijken of de kust veilig was. Een straatje van dertig meter viel binnen het bereik van Servische scherpschutters. De soldaten zeiden me dat er niks kon gebeuren zolang ik snel zigzaggend met ze mee rende. Ik kwam boven en realiseerde me dat ik een rechte lijn had gelopen. Alsof ik het lot tartte. Alsof ik had besloten dat ik net als Koos Koster - die ik goed kende - te gronde moest gaan aan dit vak.’
Fels gaat naar huis en schrijft zijn verhalen op. 'Ik wilde weten of er inderdaad geen hoop is, of er inderdaad niets is om in te geloven.’
VANAF DE keukentafel kijken we uit op De Olmenhorst, het grote landgoed waarop hij woont. Getuige een plaquette deed het in de oorlog dienst als hoofdkwartier van het verzet in Noord-Holland. In de jaren zeventig verzamelde oud-verzetsstrijder en herenboer Govert jonge mensen om zich heen. Ze betrokken huizen tussen de boomgaarden op zijn land.
Hij vertelt over zijn ouders. Beiden verzetsstrijders. Zijn vader overleefde Buchenwald, zijn moeder Auschwitz. Zij geloofden wel ergens in. In het communisme.
Fels: 'Daar heb ik me zo tegen afgezet. Ik heb zo ongelooflijk het idealisme verworpen dat ik mezelf in elk land, op elke reis, alleen maar voedde met bewijzen dat ik gelijk had: “Het klopt, die klotecommunisten hebben overal een zooi van gemaakt.” En zelfs de zionisten in Israel. Alles leidt tot niets, wist ik.’
Het boek heeft hem geholpen. Hij heeft ook kunnen schrijven over zijn ouders. Hij leest de cruciale zinnen uit het boek voor. Ze gaan over zijn vader, die hij op de ochtend van de Russische inval in Hongarije totaal van streek aantrof: 'Ik heb deze vader nooit begrepen en hem lang uit mijn leven verjaagd, ontkend dat hij ooit bestaan had, niet willen weten dat ik zijn zoon was. Pas jaren later kwam hij weer bij me terug, die vader die op 4 november 1956 ’s morgens vroeg huilde en mij maakte tot wie ik ben: iemand zonder geloof, die altijd wanhopig op zoek is naar iets om in te geloven.’
Een gebroken mens. Ook een driftig en onberekenbaar man. Iemand met een KZ-syndroom. In alles had hij ongelijk gehad. In het communisme en in het zionisme. Fels’ zusje Chaja Polak schreef een roman over hun vader, Mijn tweede vader Fels heet in dat boek Boris Mendel). Maar Fels kan het boek niet lezen. Het lukt hem niet.
'Ik heb die man zelf geconstrueerd’, legt hij uit. Zijn gezicht vraagt om begrip als hij vervolgt: 'Ik wil niet geconfronteerd worden met hoe hij echt is. Mijn zoon Elias liet me een stukje lezen. Hier in de keuken. Ik las het en ik moest huilen. Ik bleef met mijn rug naar hem toe staan. Dat wou ik Elias niet laten zien.’
Zijn vader overleed in 1960. Over bepaalde dingen, zegt hij, kun je niet praten. Een aantal emoties laten zich niet vertalen.
'Ik herinner me dat ik ooit wanhopig vond dat mijn moeder moest praten. Altijd zei ze: Er zijn dingen, daar praat ik niet over. Daar k†n ik niet over praten en daarvan wil ik niet dat jij ze weet. Een avond heb ik haar toch te ver geduwd. En toen vertelde ze me dingen die ik dan ook liever niet wilde weten. Nu zeg ik haar: Er zijn dingen van je die ik niet wil weten, die je me nooit mag vertellen.
Dat is de balans die wij gevonden hebben. Nu zijn we gelukkig met elkaar. Dat heb ik met mijn vader niet meegemaakt.’
TOCH IS ER iets, zegt hij nu. Een soort van geloof. Hij hoopt dat mensen zich decent gedragen. Dat ze netjes zijn. Hij eist hoge morele maatstaven.
Er is een zekere opluchting. Hij kan weer gewoon verontwaardigd zijn. Boos. Hij schreef een open brief aan Wim Kok over de handelsmissie naar China. Want hij had met eigen ogen gezien hoe ter dood veroordeelden in een vrachtwagen naar hun executie werden gereden.
'Je g††t niet de koningin naar die klote-Chinezen sturen om een contract van acht miljard gulden voor de Shell. Er zijn normen en daar gedraag je je naar. En zeg niet dat je zo een poot aan de grond krijgt. Je maakt dat regime alleen maar salonfÑhig.’ Voor de journalistiek is er wel degelijk een taak weggelegd. 'Ik vind nu dat jij hoort te weten wat er in Tibet gebeurt. Dat is de moraliteit waar de westerse maatschappij naar moet streven. Anders hebben die chips, die internetten, televisie en die faxen geen zin. Want dan kun jij over vijftig jaar zeggen: Dat heb ik niet geweten.’