Wanneer een lamp stukgaat, helpt het om hem los te schroeven, terug te brengen naar de elementaire deeltjes waaruit hij bestaat. Vervolgens kun je op zoek naar de oorsprong van die deeltjes: dit schroefje is gemaakt in een onbetrouwbare fabriek onder benarde omstandigheden, dit ooit gevierde verbindingsstuk is verouderd. Je beoordeelt elk element, gooit weg wat je niet nodig hebt, haalt er nieuwe onderdelen bij en zet iets in elkaar dat, als je geluk hebt, nog iets weg heeft van het originele product.

Het gevaar is dat het niet meer op een lamp lijkt, dat niemand meer weet hoe het ding moet werken, dat de anderen het niet eens meer herkennen als een apparaat.

Er is een tweede gevaar, namelijk dat je de hele wereld, alle mensen en dieren, systemen en woorden, de heilige huisjes en de wetenschap op diezelfde manier gaat zien, als iets dat je uit elkaar kunt schroeven en met nieuwe onderdelen in elkaar kunt zetten. Dat de kern door het vele gesleutel verdwijnt, dat de basis onder de wetenschap instort, dat ons idee van wat een ‘mens’ is vervaagt, dat de verhoudingen tussen de dingen helemaal opnieuw moeten worden uitgevonden of überhaupt niet kunnen bestaan.

Het zou een radicaal idee zijn om simpelweg opnieuw te beginnen de dingen namen te geven en te verbinden. Steeds verder doorgevoerd zou het cynisch kunnen stemmen, want als de wereld zoals we die kennen alleen maar een construct is, zouden we ons er dan niet net zo goed van kunnen afkeren? Het zou ‘de werkelijkheid’ ontkennen.

Donna Haraway (1944) is niet cynisch, ze wil de wereld redden. Sinds 2015 is er regelmatig tegen haar geschreeuwd door feministische collega’s, schrijft ze vrolijk in haar boek Make Kin Not Population (2018). Rond die tijd kwam deze vrouw, een multidisciplinaire pionier, de eerste hoogleraar feministische theorie in de Verenigde Staten, bioloog, postmodernist, met de volgende stelling: maak familie, geen baby’s. Kapitalisme, imperialisme, neoliberalisme en modernisering dragen weliswaar bij aan de vernietiging van de aarde, maar uiteindelijk is het volgens Haraway de mens die de wereld met uitsterven bedreigt, en er komen er steeds meer van bij. Om de wereldbevolking terug te brengen naar twee tot drie miljard is er volgens Haraway maar één tweeledige oplossing. Mensen moeten 1) alle wezens op aarde als bloedverwanten gaan beschouwen en daarmee 2) minder eigen baby’s maken.

Het leverde haar ruzie op met sommige feministen die haar tot dan toe hadden gesteund. Haar stelling was neo-imperialistisch, misogyn en racistisch. Ze mocht zich geen feminist meer noemen, werd beschuldigd van misantropie.

Afgelopen jaar maand werd de achtmiljardste mens geboren.

Er zullen weinig feministen zijn die het vroege werk van Haraway niet kennen. In 1985 publiceerde zij The Cyborg Manifesto, een ironisch manifest waarin ze zowel het kapitalisme bekritiseerde als de manier waarop we de wereld in binaire tegenstellingen verdelen zoals man-vrouw en natuurlijk-kunstmatig.

Het manifest brak het feministisch discours open, maakte ruimte voor vormen van nonbinariteit en een vervaging van traditionele rollen.

En nu is Haraway problematisch.

Problematisch. Het woord ‘probleem’ heeft een Griekse oorsprong en betekent letterlijk ‘wat naar voren geworpen is, wat als vraagstuk wordt voorgelegd’. Het komt van het werkwoord proballein, pro betekent voor en ballein betekent werpen. Dat weet ik omdat ik het zojuist heb opgezocht in mijn etymologisch woordenboek. Zo’n boek heeft Haraway ook thuis liggen en dat weet ik omdat ze er zelf vaak uit citeert, omdat ze zelfs op woordniveau als met een pincet op zoek is naar nieuwe, gelaagde betekenissen. Die onderzoeksmethode, stukjes opbreken in kleinere stukjes, de wereld die wij kennen inclusief idiomen en vaste categorieën niet voor gegeven aannemen, vinden sommige onderzoekers riskant omdat die mechanismen als post-truth en nepnieuws in de hand werkt.

Het vraagstuk van Donna Haraway, koningin van de deconstructie en reconstructie, kun je benaderen door haar pincet te lenen en te proberen de draden te volgen van wie zij nu lijkt te zijn tot haar geboorte in Denver, Colorado, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ik schrijf ‘lijkt te zijn’ omdat ik niet zeker weet of Haraway zich een algemeen te interpreteren zelf gunt. In al haar teksten is ze aanwezig: als gevallen katholiek meisje, als wapen in de Koude Oorlog, als inmiddels onvruchtbare vrouw – zoenend met haar hond.

Donna Haraway is een vrouw van 78. Ze is sinds 1980 hoogleraar aan de Universiteit van Californië, Santa Cruz en woont in het noorden van die staat, in een vrijstaand huis met een metalen ezel in de tuin. Haar moeder was Iers-katholiek en stierf toen Donna zestien was. Haar vader was sportverslaggever voor de lokale krant. Ze heeft een roedel honden en katten. Honden staan tegenwoordig centraal in haar gedachte-experimenten, in plaats van de cyborg.

Hoewel haar onderzoeksgebied de geschiedenis van het bewustzijn is, is ze opgeleid als bioloog. Eerst aan de Universiteit van Colorado, dan aan Yale, waar ze promoveert op het gebruik van metaforen in de biologie. Ze maakt deel uit van verschillende communes, werkt aan de universiteiten in Honolulu en Baltimore. Sinds 1974 is ze samen met wetenschapsjournalist en radiomaker Rusten Hogness. Tot in de jaren negentig heeft ze een commune met Hogness, haar ex-man Jaye Miller en zijn partner.

Tijdens haar doctoraat aan Yale komt Haraway erachter dat het niet de biologie als onderwerp is waarin ze zich zo interesseert, maar de manier waarop die deel uitmaakt van de wereld in het algemeen: de politiek, religie, cultuur. In New Haven sluit ze zich aan bij een commune die politiek geëngageerd is. Ze zet zich in voor homorechten, vrouwenrechten en burgerrechten, protesteert tegen de oorlog in Vietnam. Ze kon het, aldus een profiel van haar uit 1997, niet helpen dat ze politiek was. Dat ze de wetenschap en politiek zou vermengen, een groot taboe, was volgens datzelfde profiel onvermijdelijk.

Later zal ze zeggen dat ze altijd verliefd is gebleven op de biologie, op hoe dat vakgebied omgaat met kennis: ‘Het maakte me er des te meer van bewust dat de manier waarop we de wereld kennen, inclusief onszelf, historisch is gesitueerd in in het bijzonder de apparaten van kennis, zodat we onszelf kennen als systeem – een informatiesysteem, een systeem dat is opgedeeld door de arbeidsverdeling. We kennen onszelf als warmtemotor, we kennen onszelf als telefoonverbinding… Deze dingen waren nooit alleen maar metafoor – we zijn echt historisch in deze kennispraktijken ingebouwd.’

In 1980 krijgt ze een baan in Santa Cruz, waar ze naar eigen zeggen haar soort mensen vindt. Haar kleine commune koopt een stuk land waar ze haar ex-man en zijn partner verzorgt – beiden hebben inmiddels aan aids gerelateerde ziektes, beiden zullen enkele jaren later sterven. In 1981 wordt Ronald Reagan president van de Verenigde Staten en dat zal hij acht jaar blijven. Het land wordt preutser, conformistischer, conservatiever, zelfs in het liberale Californië, en dat ziet Haraway terug in haar feministische kringen. Ze leert een computer gebruiken, leest over poststructuralisme en denkt na over grenzen. Ze wil af van de focus op verschillen en op wat zij de informatica van de overheersing noemt – een vorm van in binaire tegenstellingen denken waarbij één van de twee altijd de onderdrukker is en de ander de onderdrukte.

Het traditionele, identiteitspolitieke feminisme heeft baat bij een nieuw discours, ziet Haraway. Er is behoefte aan ‘een ironische politieke mythe die trouw is aan feminisme, socialisme en materialisme’. Op een speelse manier stelt ze voor grenzen te laten vervagen en elkaar te vinden in gemeenschappelijkheden. Uit interesse in genetische manipulatie en posthumanisme schrijft ze enkele essays. In 1985 geeft ze die bewerkt uit als The Cyborg Manifesto.

The Cyborg Manifesto is een poging om te vatten welke ‘imploderende’ manieren wij toepassen om ons bestaan en onze verantwoordelijkheid in de wereld te begrijpen.

Ze schreef het, zegt ze later, ‘als feminist, marxist, bioloog, docent, vriendin, “whatever”, op een zeker historisch moment’. Dat moment, de tijd en de plaats, dat zijn de Verenigde Staten, tijdens de Koude Oorlog, in de staat waar de Amerikaanse overheid miljarden investeerde in technologische ontwikkeling en de ruimtevaart. Op een plaats ook waar pakweg vijftien jaar eerder het hippie-liberalisme ontkiemde dat in de jaren tachtig aan het samensmelten is met utopische wereldbeelden van technologische vooruitgang. ‘Ik heb een lijf en een geest die net zo geconstrueerd zijn door de wapenwedloop na de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog als door de vrouwenbewegingen’, schrijft Haraway.

Haar essay is, schrijft ze zelf, een pleidooi voor het plezier in de verwarring van grenzen. Het is ook ‘een poging om bij te dragen aan de socialistisch-feministische cultuur en theorie in een postmodernistische, niet-naturalistische modus en in de utopische traditie van het verzinnen van een wereld zonder gender, wat misschien een wereld is zonder genesis, maar misschien ook een wereld zonder einde’.

De grens tussen sciencefiction en de materiële realiteit is volgens Haraway een optische illusie. Aan het einde van de twintigste eeuw, haar tijd van schrijven, was de wereld verworden van een organische, industriële maatschappij tot iets pluriforms, een wereld van informatie en connectie. We zijn van all work naar all play gegaan, schrijft ze.

Het hulpmiddel dat zij introduceert om de nieuwe wereld te begrijpen is de cyborg. ‘Cyborgbeelden helpen om twee wezenlijke gedachten in dit essay uit te drukken’, schrijft ze. ‘Ten eerste is het ontwerpen van een universele totale theorie een zware vergissing die grote delen van de realiteit uit het oog verliest. Waarschijnlijk gold dat altijd al, maar nu zeker. En ten tweede behelst verantwoordelijkheid nemen voor de sociale relaties van wetenschap en technologie een afwijzing van antiwetenschappelijke metafysica (de demonenleer van technologie), en derhalve de verwelkoming van een vakkundige reconstructie van de grenzen van het dagelijks leven in partijdige verbindingen met anderen, in wisselwerking met al onze delen. Wetenschap en technologie kunnen mensen potentieel zowel groot genoegen verschaffen als ook een matrix van gecompliceerde dominanties vormen.’

Een cyborg is een combinatie tussen mens en machine, het woord is een samenstelling van cybernetic en organisme. Bijzonder aan de cyborg is dat het een levend wezen is met mechanische verbeteringen. De cyborg heeft geen identiteit maar maakt deel uit van een collectief en denkt in circulaire processen, zoals computernetwerken doen.

Wanneer we een begrip als ‘vrouw’ of ‘zelf’ gaan beschouwen als cyborg betekent het dat we het als construct gaan zien. Niet natuurlijk, onveranderlijk en eigen, maar een mengelmoes, fluïde, deel van een grotere gemeenschap. Haraway gebruikt haar geleefde, bestaande realiteit en voegt daar fictionele elementen aan toe – metaforen, toekomstdromen – om haar schets van de werkelijkheid en mogelijke andere werkelijkheden kracht bij te zetten.

Het lastige aan Haraway is dat ze soms bijna onleesbaar is. Niet omdat ze niet kan schrijven, maar omdat ze steeds blijft deconstrueren en reconstrueren, op micro-, meso- en macroniveau. Haar teksten zijn onbegrensde zeeën en ze verwijdert elke boei waaraan de lezer zich kan vastklampen. Ze is de wereld, alles erin en alles erbuiten aan het herdefiniëren. Woorden trekt ze etymologisch uiteen om ze nieuwe betekenissen te laten behelzen, ze creëert een nieuwe metaforische werkelijkheid met verwijzingen naar sciencefiction én de biologie én oude mythen én de bijbel. Zo introduceert ze geen nieuwe ideeën in bestaande kaders: om haar echt te begrijpen moet je al je kaders loslaten en volledig meegaan in haar nieuwe werkelijkheid, met nieuwe taal en nieuwe verhoudingen. Alsof je als Nederlandse wiskundestudent plots derdejaars rechtencolleges moet volgen in Japan, in het Grieks.

‘Hoewel ze beiden verwikkeld zijn in de spiraal van het leven, zou ik liever een cyborg zijn dan een godin’, schrijft Haraway. Liever onnatuurlijk dan een dochter van Moeder Aarde. Haraway schrijft in een tijd waarin vrouwen nog regelmatig hoorden dat ze van nature zwak, onderdanig en emotioneel waren.

Haar uitspraak is revolutionair, want ze jaagt met haar afwijzing van het godinnenschap niet alleen de mannelijke academische wereld op de kast. Haar essay druist ook in tegen het hippe feminisme waarmee ze zich omringde, van vrouwen die vonden dat technologie en wetenschap patriarchale plagen zijn voor de natuur. Vrouwen en natuur zouden binaire tegenstellingen zijn van mannen en rationaliteit. De menselijke natuur zoals tot dan toe gedefinieerd was volgens Haraway masculien en Europeaans, met een nauwe definitie van wat rationeel was. Als menselijkheid gelijk staat aan rationaliteit, en vrouwen minder rationeel zijn dan mannen, dan zijn vrouwen ook minder menselijk dan mannen.

De branie van het manifest zit ’m in haar politiek, in haar taal en in haar radicale uitbreiding van wat een academische tekst mag zijn. Haraway accepteert het begrip ‘menselijke natuur’ noch het sociale concept van gender. Ze vindt dat er niet eens een staat is die vrouw-zijn samenvat, dat er niets is dat vrouwen automatisch van nature aan elkaar bindt. Door de mens als cyborg te zien die zichzelf laat repliceren in plaats van zelf te reproduceren, koppelt ze vrouwen los van hun natuurlijke plicht: baren.

Cyborgs is Haraway gaan zien als de jongere broertjes en zusjes in een ‘veel grotere, queer familie van companion species’

Als iedereen een cyborg is en kan worden gereconstrueerd, dan kan alles alles zijn, dan spreekt geen enkele rolverdeling meer voor zich, dan is een enkele verdeling of overheersing van de ene groep over de andere nog ‘natuurlijk’. Dan is er niet langer zoiets als biologische voorbestemming.

Donna Haraway en Ms. Cayenne Pepper, 2006 © Rustin Hogness / Wikimedia Commons

In 1 997 verschijnt in het tijdschrift Wired een profiel van Haraway. Sinds jaren heeft ze een nieuw, langverwacht boek uitgebracht, Modest_Witness@Second_Millenium.FemaleMan©_Meets_OncoMouse™, waarin ze net als in haar eerdere werk grenzen tussen cultuur en technologie verkent. Ze werpt zich op als ‘bescheiden getuige’ van de ontwikkelingen op het gebied van genetische manipulatie, waar ze ethische vragen bij heeft en onrustig van wordt. De journalist beschrijft een gevoel van ontkoppeling als hij haar ontmoet, ze heeft het voorkomen van een gezellige tante. ‘Ze ziet er zeker niet uit als een cyborg. Een zachtaardige vijftigplusser met een aanstekelijke lach en een huis vol katten en honden.’

Op dat moment geniet Haraway al een cultstatus. Haar manifest heeft de wetenschap opgeschud en daarop volgde een invloedrijk essay, een publicatie over situated knowledges, zeg maar wetenschappelijke standplaatsgebondenheid. Daarin behandelt ze de vraag hoe we tot waarheid komen, welke wetenschappelijke praktijk en welke mensen invloed hebben op ons idee van de werkelijkheid. Men heeft het over de jaren negentig als het begin van het cyborgtijdperk. Om haar heen verzamelen zich vrouwen die zich cyberfeministen noemen. De multidisciplinaire Haraway heeft invloed op het debat in een wijde waaier van vakgebieden: biologie, primatologie, filosofie.

‘Voor boho-twintigers heeft haar naam het soort cachet dat meestal is gereserveerd voor techno-acts of nieuwe fenethylamines’, staat in het profiel. Haraway heeft zelfs een slogan: ‘Cyborgs for earthly survival!’

Het concept van wetenschappelijke objectiviteit is intussen aan diggelen – alles wat we benoemen, meten en observeren, manipuleren we. In de jaren negentig botste deze postmoderne visie met die van de wetenschappelijke realisten die geloofden dat er zoiets was als een gemeenschappelijke, objectieve werkelijkheid. Achteraf is zichtbaar wat het ontkennen van één gedeelde werkelijkheid in de hand kan werken: nepnieuws, ontheemding.

Zo was het niet bedoeld. In 2019 zegt Donna Haraway in een interview met The Guardian: ‘De science warriors die ons aanvielen tijdens de wetenschapsoorlog waren vastbesloten om ons af te schilderen als sociaal-constructeurs – alsof alle waarheid puur sociaal geconstrueerd is. En ik denk dat we in die val zijn gelopen. We hebben die verkeerde interpretaties op verschillende manieren uitgelokt. We hadden voorzichtiger kunnen zijn met luisteren en langzamer moeten communiceren. Het was maar al te gemakkelijk om ons te lezen zoals de science warriors dat deden.’ Nieuw-rechts heeft misbruik kunnen maken van die strijd, geeft ze toe.

Het postmodernisme van Haraway kent geen menselijke natuur en ook geen stabiel zelf. Mensen zijn narcistisch, vindt ze, en elke scheur in ons zelfbeeld leidt tot een nieuw trauma. Volgens haar diagnose zijn dat er inmiddels vier. Het eerste trauma is copernicaans, niet de aarde, maar de zon vormt het centrum van ons universum. De tweede wond is darwiniaans: de oorsprong van de mens onderscheidt zich niet van die van de dieren om ons heen. Trauma drie is freudiaans: bewustzijn onderscheidt ons niet van andere wezens.

Het laatste trauma voor ons kwetsbare zelfbeeld bracht Haraway zelf aan: de synthetische wond. Het natuurlijke is niet te onderscheiden van het kunstmatige.

‘Ik stel jullie iets heidens voor’ , zegt Haraway in 2003 voor een zaal studenten aan de Universiteit van Berkeley. Ze laat een cartoon zien van een collegezaal vol schoothondjes. ‘Dames en heren’, zegt de schoothond die de presentatie geeft, ‘aanschouw de vijand.’ Hij wijst naar zijn projectiescherm, waar een laptop op staat afgebeeld. De lap-dog is in strijd met de laptop om de aandacht van de mens. Er gaat een lach door de zaal, Haraway geniet zichtbaar van haar grapje.

‘Hoe’, vraagt ze, ‘is de cyborg-ander in strijd met het dier-ander? Ik heb mijn dubbelganger verlaten en de hond omarmd. Beiden zijn companion species.’

Ze begint, zoals ze placht te doen, met een uiteenzetting van het woord companioncum-panis, zij die samen brood breken. Tevens is companion de laagste in de ridderorde, zegt ze. Het woord heeft bovendien ‘company’ in zich, in de betekenis van ‘een bedrijf’ en ‘zij die ook present zijn’. Present zijn heeft dan weer het woord ‘presentje’, cadeautje, in zich. Al deze betekenissen ontgaan mij niet, verzekert Haraway haar zaal. Ze ratelt niet, ze is stellig. Haar grijze haar hangt tot haar middel. Ze draagt een jasje, ze lacht veel.

The Companion Species Manifesto, Haraway’s tweede en niet minder revolutionaire manifest, gaat over honden. Het heeft niet de swagger van haar eerste tekst, Haraway presenteert zich erin als een vrouw van middelbare leeftijd, inclusief flauwe woordspelingen. Ze heeft een hond die Ms. Cayenne Pepper heet, waarmee ze aan parcourswedstrijden deelneemt. Ze is door die relatie opnieuw naar mens-dierverhoudingen gaan kijken. Het boek staat vol anekdotes, bijvoorbeeld over de manier waarop Ms. Cayenne Pepper samen met Haraway’s petekind opgroeide, hoe het kind verantwoordelijkheid leerde door de hond te leren gehoorzamen.

De hond is haar ideale onderzoeksproject, zegt ze: ‘Ik ben echt geïnteresseerd in honden, niet alleen in honden als figuur of hoe ze worden gerepresenteerd in schilderijen of het werk van Virginia Woolf. Wat is de biosociale geschiedenis van mensen en honden?’

Cyborgs is Haraway gaan zien als de jongere broertjes en zusjes in een ‘veel grotere, queer familie van companion species. De twee komen samen in het menselijke en het niet-menselijke, het organische en het technologische.’

De afgelopen jaren zijn posthumanisten en cyberfeministen met haar werk aan de haal gegaan, groeperingen waar Haraway zich niet onder wilde scharen, met wier ideeën ze het soms wel, soms niet eens is. ‘Ik verzeker jullie: ik wilde noch een posthumanist zijn noch een postfeminist. Zelfs toen ik het zekere van het mens-zijn of het vrouw-zijn niet wilde bevestigen, wilde ik het post niet. Het alternatief is companion specism.’

In het kort betekent het dat mensen zich tot elkaar en tot de levende wezens om zich heen moeten leren verhouden. Ze beschrijft in het eerste hoofdstuk een tongzoen met haar hond, een letterlijke uitwisseling van genomen: wie is nog wie, wie is de teef en wie is de vrouw, wie heeft een chip en wie heeft een rijbewijs?

De biologe maakt zich ernstig zorgen over de manier waarop soorten zich tot elkaar verhouden en over het tijdperk dat het Antropoceen heet, maar dat zij het Kapitaloceen of Plantationoceen noemt omdat ze de mens, die de wereld om zich heen actief aan het vernietigen is, niet centraal wil stellen. Ze is fel tegenstander van het gedwongen leven, waaronder ze ook het kweken van dieren en gewassen voor menselijke uitbuiting schaart. Als ex-katholiek heeft zij een grotere hekel aan de kerk dan mensen die nooit van een godsdienst gehouden hebben, denkt ze. Ze is een voorstander van reproductieve zelfbeschikking van vrouwen, een verworvenheid waarvan zij getuige was.

En toch. Sinds haar geboorte is het aantal mensen op aarde verdrievoudigd, daar moet iets aan worden gedaan. In 2015 organiseert ze met een groep bevriende feministen een panel rond het vraagstuk van reproductie, waarin ze pleit voor het krijgen van minder baby’s. Ze benadrukt dat juist de rijkste mensen het meest verbruiken, dus dat zij zouden moeiten beginnen. Ze komt tot weer een nieuwe slogan: ‘Make kin, not babies.’ Maak familie, geen baby’s.

Problematisch, want wie het heeft over overbevolking maakt zichzelf al snel verdacht. Het wordt geassocieerd met antinatalisme, pleidooien voor gedwongen anticonceptie, met vooroordelen over grote gezinnen in het mondiale Zuiden en met ideeën over raciale zuivering. Sommige feministen keren zich tegen Haraway. Er wordt – aldus haarzelf – meer dan ooit tegen haar geschreeuwd.

Ze blijft bij haar slogan en werkt hem uit in haar laatste grote bundel Staying with the Trouble (2016). Het jaar erop presenteert ze het boek voor een collegezaal die zo vol zit dat studenten in de gangpaden zijn gaan zitten. Meer dan ooit gaat haar aandacht uit naar uitstervende diersoorten als gevolg van de klimaatcrisis. Het boek is warriger dan haar oudere werk. Nog meer verdwijnt ze in verwijzingen naar verwijzingen en samengeklonterde woorden (GeoEcoEvoDevoHistoTechnoPsycho) en woordspelingen.

Staying with the Trouble bevat praktijkvoorbeelden, maar ook speculative fabulation: een manier van over de toekomst nadenken door verzonnen werelden op te tuigen. Ze bedenkt in samenwerking met collega’s een serie verhalen over Camille, een kind dat meerdere ouders heeft en genetisch gemanipuleerd is om ook deels dier te zijn. Meerouderschap, samenleven met dieren – het zijn manieren om overpopulatie tegen te gaan.

Leuk, maar dat is sciencefiction. Hoe je mensen concreet zo ver krijgt minder kinderen te krijgen, hoe je die overtollige mensen laat uitsterven, legt Haraway niet precies uit. En juist dat stuit radicale feministen en progressieve academici tegen de borst, mensen die haar jong lazen en verknocht aan haar waren. ‘I wrote this weeping’, tweet academica en schrijver Sophie Lewis over haar kritiek in Viewpoint Magazine, waarin ze het idee van populatieverkleining onder de loep neemt. ‘Het zou gerechtvaardigd zijn om enige uitleg te verwachten over hoe de verwijdering van acht miljard mensen uit de volledige populatie in ongeveer de komende eeuw niet-dwingend zou kunnen zijn – zelfs niet-genocidaal.’

Wat die discussie nog bemoeilijkt is Haraway’s introductie – in hetzelfde boek – van het Chthuluceen: het tijdperk van Chthulu. Daarmee bedoelt Haraway een manier waarop je kunt leren aandacht te blijven besteden aan het probleem van leven en sterven op een beschadigde aarde door de mens te beschouwen als ‘in wording’, samen met al het andere leven. Het concept van de chthulucene is net als de cyborg een manier van wereldbeschouwing, een antwoord op ‘de dictatuur van Antropos en Kapitaal’.

Cthulhu (andere spelling) is een monsterlijke godheid uit de boeken van H.P. Lovecraft, een octopusachtig wezen dat zich ophoudt in de Stille Oceaan. Staying with the Trouble is net uitgekomen als Haraway tijdens een lezing wordt gevraagd of zij het werk van Lovecraft kent. ‘Waarom verwijst u nergens haar hem?’ Haraway geeft toe dat ze het monster kent maar dat ze het vergeten was toen ze zelf met de term Chthuluceen op de proppen kwam. Een rare omissie voor iemand die zo geïnteresseerd is in mythologie en de oorsprong van termen. Extra raar omdat de mythe van Cthulhu door literatuurwetenschappers wordt geïnterpreteerd als een genocidale koortsdroom, staat in de kritiek van Lewis. Een extra wapen voor haar tegenstanders: zie je, Haraway wil de mens uitroeien.

Je moet de lijnen terugvoeren. Van haar vader leerde Haraway hoe belangrijk spelen is. En spelen blijft ze. Dat is knap, gezien het probleem waar ze haar lezers keer op keer op wijst (de naderende uitroeiing van de aarde) en de manier waarop ze het wil oplossen (een nieuwe wereld bouwen). Ze noemt dat worlding, als werkwoord: werelden. Het heeft een bron in het katholicisme van haar moeder, de eucharistie, het nuttigen van de heilige maaltijd. Als brood en wijn het lichaam en bloed van Christus kunnen zijn – dan kan alles symbool staan voor alles.

Haraway’s energie is nu gericht op andere levende wezens dan mensen, maar haar methode is weinig veranderd en haar enthousiasme onverminderd. Heel grote problemen deelt ze op in heel kleine bouwsteentjes en met geleende nieuwe deeltjes zet ze iets fantastisch in elkaar. Fantastisch als in: geweldig en inspirerend. Fantastisch betekent ook onecht.

Een laatste beetje etymologie. Trouble lijkt op het Nederlandse troebel en naar die betekenis verwijst Haraway met de titel van haar boek. Ze bevindt zich steeds in het troebele deel van discussies, zo ook als het gaat over overbevolking. Het houdt in dat ze zich steeds wil blijven bemoeien met het meest urgente: ogen op het doel. Wellicht levert radicale fantasie niets concreets op, maar de nieuwe manier van denken die ze ermee in gang zet zeker wel.

Het Antropoceen, om het toch even zo te noemen, zal kort zijn, schrijft Haraway. Meer een grens-evenement dan een tijdperk. We weten niet wat daarna komt, dat is speculeren. De vraag is of het Antropoceen/Kapitaloceen zo kortstondig is doordat erna de wereld vergaat, of doordat de wezens op aarde zich op het nippertje met elkaar kunnen verenigen in het bouwen van een nieuwe wereld.

Dit najaar verscheen een nieuwe uitgave van Een cyborg manifest bij ISVW.