Profiel: Susan Moller Okin

Feministe van het eerste uur

Iedere poging het fenomeen Ayaan Hirsi Ali te duiden, veroorzaakt ruis en verwarring. Voor fundamentalisten is ze een nestbevuilster die heult met de «witte» vijand. Moslima’s vinden haar een gefrustreerde vrouw die eigen ervaring tot norm verheft waarin zij zich niet wensen te herkennen. Columnisten hebben haar vergeleken met Salman Rushdie, met een nieuwe Voltaire die de achtergebleven islamitische wereld eindelijk Verlichting brengt, of met Pim Fortuyn vanwege haar gedrevenheid met het allochtonenvraagstuk, haar plotselinge entree en spectaculaire maatschappelijke impact. Toen ze moest onderduiken, betitelden sommigen haar als een hysterische aandachttrekster in de orde van Jules Croiset en Tara Singh Varma, terwijl anderen in de rij stonden om haar met open armen te ontvangen.

Met haar recente stap vanuit de Wiardi Beckman Stichting naar een verkiesbare positie binnen de VVD zaait ze vertwijfeling in het partij politieke landschap. Dat ze kennelijk een achillespees is van uiteenlopende politieke agenda’s neemt niet weg dat ze in haar essays en speeches juist volstrekt helder overkomt.

Zij vraagt aandacht voor vrouwen die door traditie en geloof monddood worden gemaakt. De Somalische politicologe wordt gedreven door eigen ervaring maar redeneert vanuit het westerse liberale, democratische gedachtegoed waarvan voor haar de vrijheid en gelijkheid van ieder individu, ongeacht sekse, de kern vormt.

Daarnaast is in het bijzonder de feministe Susan Moller Okin een bron van inspiratie voor Ali’s vurige aandacht over vrouwenemancipatie en integratie. Aan deze Amerikaanse politicologe ontleent Ali de uitgesproken stelling dat feminisme en multiculturalisme per definitie niet samengaan.

Tegen deze achtergrond valt Ayaan Hirsi Ali politiek goed te plaatsen: ze is een (moslim)feministische activiste die een strijd wil initiëren en heeft zich daarbij binnen de Partij van de Arbeid belemmerd en gefrustreerd gevoeld. Net als haar collega Okin koos Ali tot voor kort voor een aanjagende rol middels wetenschappelijk onderzoek en het schrijven van polemische essays.

Susan Moller Okin komt uit een totaal andere wereld dan Ayaan Hirsi Ali. Alhoewel geboren in Nieuw-Zeeland en deels opgeleid in Oxford, is ze een typische Amerikaanse WASP-feministe die begin jaren zeventig in het linkse activistische klimaat aan de weg timmerde nadat ze aan Harvard University was gepromoveerd op het onderwerp gender, family and justice. Aanvankelijk hield ze zich vooral bezig met de rechten van de vrouw in haar eigen omgeving. Later richtte ze haar onderzoek meer op de positie van de vrouw in de Derde Wereld en in de (moslim)migrantencultuur in Amerika.

Multiculturalisme en groepsrechten van vrouwen vormden het thema waarmee ze wereldnaam verwierf. Ze kreeg de ene na de andere prijs voor haar essays. Als professor in de politicologie aan de prestigieuze Stanford University stond ze aan de wieg van grootschalig onderzoek naar migrantenvrouwen en integratiebeleid. Okin heeft drie belangrijke boeken op haar naam staan: Women in Western Political Thought (1979), Justice Gender and The Family (1989) en Is Multiculturalism Bad for Women? (1999). Vooral vanwege dit laatste onderwerp wordt Okin veel aangehaald binnen de discussie over islam en vrouwenemancipatie.

Haar stokpaardje in het algemeen zijn vrouwenrechten binnen het gezin, waarbij zij onderscheid maakt tussen de publieke sfeer en de privé-sfeer: de ongelijke positie van de vrouw in het ene gebied versterkt haar ongelijke positie in het andere gebied. Het gezin is daarmee volgens Okin een instituut dat niet alleen onrechtvaardigheid belichaamt (vrouwen moeten voor de kinderen zorgen, het huishouden op zich nemen et cetera), maar ook daarbuiten versterkt. Omdat er in de (Amerikaanse) samenleving geen rechtvaardigheid bestaat binnen het gezin worden belangrijke democratische waarden ondermijnd: hoe kun je iemand opvoeden tot een moreel burger die past in een rechtsstaat als in het gezin de principes van het recht niet gelden?

Zonder rechtvaardigheid in het gezin is er geen rechtvaardigheid mogelijk in de maatschappij, stelt Okin. En andersom bevordert de ongelijkheid in de publieke sfeer ook de ongelijkheid in de privé-sfeer: het feit dat vrouwen bijvoorbeeld vaak slechter betaalde banen hebben dan mannen vergroot de economische ongelijkheid en afhankelijkheid van de vrouw binnen het gezin.

In de inleiding van Justice, gender and the family schrijft Okin dat ze een aantal redenen had om dit boek te schrijven. Ze vond dat in het politieke klimaat in het Westen van de jaren tachtig de emancipatie leek te zijn gestopt, en in sommige gevallen zelfs werd teruggedraaid. Ze was hierover als Amerikaanse Dolle Mina erg bezorgd. Een andere reden was van persoonlijke aard: ze zag hoe lastig het was om als moeder van twee kinderen carrière te maken als werkende wetenschapster en als professor die over de hele wereld werd uitgenodigd om te komen spreken. Ze kwam tot de conclusie dat er aanzienlijke hervormingen nodig zijn willen vrouwen gelijk worden behandeld en meer invloed krijgen op de politiek en de maatschappij.

Nog bezorgder raakte ze toen ze zich eind jaren tachtig meer ging verdiepen in de positie van de vrouw in de migrantengemeenschap en in de Derde Wereld. Haar onderzoek resulteerde in het beroemd geworden essay Is Multiculturalism Bad for Women? Toen het in 1999 verscheen in Boston Review volgde maandenlang een heftig debat, wat weer resulteerde in een vuistdik boek met een bundeling van een aantal reacties op haar essay.

In het kort komt de stelling van Susan Moller Okin neer op het volgende: het feminisme staat op gespannen voet met het multiculturalisme. Het multiculturalisme houdt namelijk in dat minderheidsculturen groepsrechten krijgen en daardoor dreigen vrouwen juist rechten te verliezen. Het feminisme heeft bereikt dat vrouwen gelijke rechten krijgen en serieus worden genomen, de patriarchale minderheidsculturen bedreigen deze verworvenheid en willen de klok weer terugdraaien naar een samenleving van ver vóór de emancipatie. Okins centrale vraag is dan ook: kunnen we speciale rechten voor groepen (minderheden) voorschrijven als deze culturen vrouwelijke groepsleden onderdrukken en als minderwaardig en ondergeschikt beschouwen? Oftewel: is multiculturalisme slecht voor vrouwen? Haar antwoord is een volmondig ja: «Wanneer de dominante ideeën van een groep duidelijk botsen met het idee dat mannen en vrouwen gelijk zijn, moeten we wat minder bezorgd zijn om de rechten van zo’n minderheid en ons meer bekommeren om de consequenties hiervan voor de vrouwelijke leden van de groep. Sekseverhoudingen zijn de toetssteen voor culturele tolerantie; indien culturele praktijken vrouwen onderdrukken, dan kunnen we die niet binnen onze westerse samenleving accepteren. Te lang hebben progressieve groeperingen en westerse overheden vanuit een naïef multiculturalisme hun ogen gesloten, vanuit het idee dat je nu eenmaal tolerant moest zijn tegenover de culturele identiteit. De vrouwenonderdrukking werd gezien als een onvermijdelijk bijproduct van tolerantie.»

Als voorbeeld haalt zij onder meer een incident in Frankrijk aan, waar het eind jaren tachtig moslimmeisjes werd verboden een hoofddoek te dragen op school. In deze affaire stonden radicale verdedigers van het openbaar staatsonderwijs, rechtse nationalisten en feministen tegenover linkse voorstanders van het multiculturalisme die pleitten voor respect voor de culturele diversiteit en hun tegenstanders beschuldigden van racisme en cultureel imperialisme.

Okin stelt dat vooral diegenen die zichzelf als politiek progressief beschouwen en tegen elke vorm van onderdrukking zijn, te snel hebben geconcludeerd dat feminisme en multiculturalisme met elkaar kunnen worden verzoend. In liberale westerse democratieën wordt vaak geclaimd dat minderheden en hun cultuur niet genoeg worden beschermd door de rechten van het individu en dat daarom speciale groepsrechten of privileges zijn vereist. Een reden die voor de toekenning van deze speciale groepsrechten wordt aangevoerd, is dat de culturen zonder die rechten zouden uitsterven. Deze houding maakt volgens haar westerse overheden medeverantwoordelijk voor de «vrouwenonderdrukking, met soms gruwelijke uitwassen van rituele en culturele praktijken zoals besnijdenis, uithuwelijken en het dragen van sluiers».

Hoewel Okin genuanceerd schrijft en openstaat voor de eigenheid van een minderheidscultuur, is haar aanbeveling aan de politiek ondubbelzinnig. De rechten van de vrouw moeten alle prioriteit krijgen, geen steun aan culturele groeperingen die de wanverhouding tussen mannen en vrouwen in stand houden. Geen water bij de wijn doen. Dus: geen speciale hoofddoeken voor moslimvrouwen in openbare functies. Geen maagdenvlieshersteloperaties omdat de ouders wanhopig aankloppen bij de huisarts omdat ze vrezen voor de eer van de familie. Nooit mag de culturele achtergrond als verzachtende factor worden aangevoerd in een proces tegen een verdachte van eerwraak. Voor Okin betekent het handhaven van dergelijke praktijken een dolksteek in de rug van vrouwen die zich trachten te ontworstelen aan hun nijpende positie. Het laat bovenal mannen vrijuit gaan.

Anders dan Hirsi Ali maakt Okin geen onderdeel uit van de groepering die ze tegen zich in het harnas jaagt. Maar ook zij kreeg vuil over zich heen gestort. Tijdens hoog oplaaiende debatten werd haar verweten dat ze van vrouwen het onmogelijke vraagt, namelijk om afstand te nemen van hun cultuur, vaak door letterlijk uit hun gemeenschap te stappen. Bovendien zou ze als westerse vrouw niks begrijpen van de waarde die wordt gehecht aan geloof en familie. Ze zou intolerant zijn tegenover andere culturele opvattingen en haar eigen idealen verheffen tot norm. Door het benadrukken van de «barbaarse praktijken» zou Okin alle vooroordelen over de minderheidsculturen van migranten, en in het bijzonder de islam, bevestigen als premoderne, traditionele, fanatieke en achtergebleven beschavingen. Deze retoriek dient, aldus haar tegenstanders, al eeuwen om minderheden uit te sluiten van de dominante «moderne, beschaafde» cultuur.

En natuurlijk kreeg ze om de oren dat haar eigen blanke Amerikaanse cultuur vol zit met bizarre uitwassen: echtscheidingen, jonge vrouwen die krampachtig willen voldoen aan het door mannen opgelegde schoonheids ideaal, meisjes die er in minirokjes en blote-buiktruitjes bij zouden lopen als halve hoeren. Als feministe van het eerste uur zou ze dat niet willen ontkennen: ook daar ligt een strijdpunt.

Maar toch wankelt Susan Moller Okin niet: misschien is het zelfs beter voor vrouwen en meisjes wanneer hun cultuur uitsterft en de leden moeten integreren in de minder seksistische meerderheidscultuur. De overheid van het westerse land waarin zij leven, moet een dwingend beleid voeren om de minderheidscultuur te veranderen en het recht op gelijke behandeling van vrouwen te respecteren. Okin blijft met haar pen strijden, want in Amerika lokt «de massieve politiek van het Witte Huis» haar niet. Haar essays hebben Ayaan Hirsi Ali er mede toe aangezet wel te kiezen voor de plek waar ze hoopt door middel van beleid de praktijk te kunnen sturen.