Femke

Het waait in Noord, maar dat heeft ook iets verwachtingsvols – op Curaçao waait het ook, en op Lanzarote. En hoe gelukkig was ik daar wel niet, met een badlaken om mijn schouders.

‘Die muur daar’, wijst de aannemer, ‘dat wordt dus de keukenmuur.’ Hij tekent een vierkant in de lucht. ‘En de trap komt dan zo, daar, dáár.’

In mijn hoofd turf ik de auto’s die voorbij komen – vier, vijf – en ik denk aan de katten. Heren en meesters op hun eigen vierkante provinciale kilometers. Ik dacht altijd dat kinderen je zwak maakten, minder handelingsbereid. En nu zijn er die beesten. De vraag is dezelfde: kan ik ze veroordelen tot een binnenbestaan? Deur dicht! Ik hoor het mezelf al schreeuwen, tegen de argeloze bezoeker, huisgenoot, collectant, een keer of vijf per dag.

Maar ruimte zat; en op die trap kunnen ze spelen. Elkaars bestaan niet aanvaarden. En daar komen de boeken waarop ze kunnen pissen, en de stoelen die ze kaal krabben. Home sweet home. De vloerverwarming, dat wordt genieten voor ze.

‘Het is afgelopen’, zegt de oud-collega.

We lunchen aan het Spui. Het is het soort weer waar je het hele jaar naar uitkijkt, en dat je met een bak melancholie overvalt. We hebben zicht op het Lieverdje, en de fijnste boekhandel. Het zonnescherm wappert vrolijk roodwit, een van de beste obers van de stad zet een redelijk perfect roerei onder onze neus.

De oud-collega prikt en hapt, en wijst naar het groepje jonge vrouwen dat langszij komt zetten. Eentje heeft een prinsessenpakje aan en een haarband op haar hoofd, met iets vervaarlijk zwiepends erop. Vleeskleurig.

O ja.

Ik neem een hap, reik naar het zoutvaatje.

‘Met wat?’ vraag ik. De oud-collega en ik hebben lang genoeg een werkplek gedeeld om te weten dat hij niet het einde van zijn relatie aankondigt. Het is groter. Nog even: ik ken niemand die enthousiaster dan hij kan vertellen over de stad. Elk steegje, elke gevel, elke gracht, hij benoemt het, geeft het onverwacht betekenis. Jaren geleden zei hij tegen me: ‘Laat nooit de kans passeren om over de Magere Brug te fietsen.’

Er gaat geen mogelijkheid voorbij of ik benut hem, op weg naar het station.

Ik ben die naïeveling die haar rentree dreigt te maken. Wrijf het erin, alsjeblieft

Het is gauw gedaan met het roerei. ‘De gemeente kan nog wel maatregelen nemen. De Passenger Terminal sluiten, Airbnb verbieden. We zijn voorbij het tipping point. De stroom is niet meer te keren. Dit is Venetië.’

O ja.

‘Het uitzicht’, wijst de aannemer. Ik kijk naar links, een hoog houten gebouw, koffietentje onderin. Langs de kade, waar meerkoetjes dobberen op de golfjes die het zonlicht breken in duizenden stralende scherven. Wondermooi, vooral met het idee dat ik straks weer binnen loopafstand ben van alles. Van het Spui.

Waar weer een weetje wordt opgediend.

‘Wist je dat de politie vorig jaar twee keer de Kalverstraat moest afzetten? Er konden geen mensen meer de winkels in en uit.’

Ik ben die naïeveling die haar rentree dreigt te maken. Wrijf het erin, alsjeblieft.

Komt-ie: ‘Zo druk is het dus.’

De aannemer had me diezelfde avond gemaild. Hij kent iemand, en die kent iemand en die maakt dus boekenkasten op maat. In staal, geen hout, erg duurzaam, schitterend. ‘Industrieel, dat wilde je toch?’

Ik keek op mijn zolderkamer naar de verzakte planken achter me, dubbele rijen. Als ik iets wil terugvinden moet ik dat niet ’s avonds doen. Ik mailde of ik het adres van de boekenmeneer mocht. Straks staat alles op alfabet, stel je voor. Ik ben die onverbeterlijke optimist. Zal ik een abonnement op Het Parool nemen?

De oud-collega loopt nog even met me mee richting burelen. Aan de Singel torent de doopsgezinde kerk als een wraakgestalte boven alles uit. Ik hou van die gestalte, in elk seizoen. In gedachten zeg ik de mensen dag die ik hier heb herdacht. Er loopt een groepje jonge mannen voorbij in identieke witte T-shirts. Ik zie ze sjokken en denk: ach. Hun naam staat op hun rug: Ryan. Jonesy. Merv. The Beast. De vroegere collega zucht: ‘Wist je dat Amsterdamse hotels wordt afgeraden om groepen uit Schotland te accepteren?’

Ik denk aan het huis dat langzaam verrijst. Hoe ik straks kom aanfietsen, zo en zo, langs EYE en de Basic-Fit. Vijf minuutjes. Tenzij het lekker weer is, en ik besluit het andere pontje te nemen. Dat is verder, maar goed, een rit op het pontje voelt als een kleine vakantie.

‘Misschien kan je je er nog niks bij voorstellen’, zegt hij, ‘maar het gaat sneller dan je denkt.’

Ik knik, verheugd, het kan me niet snel genoeg gaan. Ik hou van de stad.