Feri de geus choreograaf / ‘beautiful people’

‘ALLEEN AL DE opmerking: een stukje emotie! Een stukje taart, dat begrijp ik, maar een stukje emotie? Hoe gaan wij met emoties om? Hoe gaan wij om met de televisiebeelden van Sarajevo als we moe thuiskomen en een bord spaghetti op schoot hebben? Eigenlijk zijn wij ongevoelig. We zoeken de emotie via artificieel geweld. In films, in raps en ja, het lijkt wel alsof we dat geweld prettig vinden. Geweld is niet echt een fout item…

Ik kom er niet uit. Maar ik wil het er wél over hebben. Mijn taal is dans, maar dans is heel vluchtig, echt van het moment: je kijkt ernaar en het is verdwenen. Lichaamstaal verwijst vaak alleen maar naar zichzelf. Daarom gebruik ik in de voorstelling videobeelden, muziek en gesproken tekst, want ik wíl mensen aan het denken zetten. Misschien ga ik zelfs wel eerst het toneel op om als choreograaf zelf uit te leggen waar de voorstelling over gaat. Dan doorbreek ik de traditionele theaterwet die zegt: ga zitten en dompel je onder in amusement. Als de maker zegt: we zijn met dit onderwerp bezig maar we komen er niet echt uit… Daarmee maak ik íedereen medeplichtig.’ FERI DE GEUS (blauwe ogen, hard gezicht maar knap als een Hongaarse filmster) ziet er soms zo radeloos uit. Hij weet niet hoe precies de thematiek van zijn voorstelling te benoemen. Wat wíl hij zeggen? Het gaat over dood, het gaat over Sarajevo, over idealisme en gevoelloosheid. De vragen weerklinken in zijn eigen verhaal. ‘IK BEN GEBOREN op de dag dat Rusland Hongarije binnenviel. Het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Dat was zo'n schok in het westen dat mijn vader in een Hongaars woordenboek het woord voor vrijheidslievend heeft opgezocht - Feri, dat is mijn naam. Mijn vader is een jaar geleden overleden. Hij kwam uit het bekrompen, zwaar conservatieve zwartekousengebied Goeree Overflakkee. Hij ontsnapte toen hij in de oorlog in het verzet ging. In een knokploeg in Rotterdam-Zuid. Vanuit een ideaal van “Dit mag nooit meer gebeuren” is hij na de oorlog bij de commando’s gegaan. In Roosendaal ben ik opgegroeid. Totaal a-cultureel. Pas toen ik in Leiden culturele antropologie ging studeren, kwam ik in aanraking met dans. Dat vond ik wel wat, dat je met je lichaam zo veel uit kan drukken. Ik vond een nieuwe taal. Ik specialiseerde me in Afrikaanse dans en bestudeerde voor mijn doctoraal dansrituelen in Zambia. Dans heeft daar altijd een functie. Er wordt gedanst bij vruchtbaarheidsrituelen, initiatierituelen, huwelijken en begrafenissen. Zet je, zoals in Europa, de dansers in een zwarte doos en het publiek op stoelen ervoor, dan begin je dans al los te koppelen van een noodzaak. In Zambia waren begin jaren tachtig nog helemaal geen toeristen. Als ik meedanste lag iedereen plat van het lachen. Maar ja, ze vonden het al absurd dat ik geen auto had. Als ik op de fiets ging, vielen ze allemaal slap in de berm van het lachen. Soms verdiende ik voor de grap geld in cafés met dansen. Daar liep een heel dorp voor uit. Afrikaanse dans is minder gericht op lijnenspel en meer op energie en drift. In Namibië heb ik vorig jaar met een amateurgroep op een groot toneel gewerkt. Die mensen waren gewend om met z'n allen bij elkaar te gaan staan. De ronde vorm hoort bij het sociaal samenzijn. Nu moesten ze opeens spelen tegenover een rechte wand van publiek. Ze deden alles veel te klein. Ik zei: je moet zo staan dat je recht naar het publiek kunt kijken zonder dat er iemand anders voor je neus staat. Onze vorm van dans komt voort uit het klassiek ballet. Toen in Denemarken een choreograaf het theater in ging en het publiek van een afstand toe moest kijken. Vanaf toen is het belangrijk dat de lijnen er duidelijk in zitten. Want je herkent het niet als iemand met zijn armen dicht bij elkaar staat. Denk aan Hans van Maanen, die is natuurlijk een meester in al die pliés, posities, die grote sprongen en al die armen - je hebt altijd heel veel armen in het klassiek ballet. De stervende zwaan in Het Zwanenmeer, de scène waarom jonge meisjes op ballet gaan, bestaat bijna louter uit armen. Want dat zie je goed van afstand. En dat past heel goed in die scheiding van de dagelijkse werkelijkheid gebracht in een theatervorm. Terug uit Namibië las ik in het vliegtuig de Volkskrant. Wat een gekanker, dacht ik. Niemand is nog ergens blij mee of bezig met kleine, eigen dingen. Ik vroeg me af: waar is de spiritualiteit? Daarop maakte ik een voorstelling met een oude danser en de jongere generatie. De oude man bekijkt zo eens wat die jonkies aan het doen zijn. Prachtig. Het is de tragiek van de danser: op het moment dat je met je lichaam echt kunt vertellen ben je meestal al te oud om virtuoze sprongen en toestanden te doen. Terwijl, als je jong bent, kun je wel de meest maffe en geweldige dingen doen, maar is de zeggingskracht vaak veel zwakker. Vaak zit ik te kijken, er komt een danseres op, die tilt haar arm op en tja, dat is dan weer een vorm of zo. Die oude man kwam op, hief een arm op en het wás wat. Lichaamstaal is uniek.’ EN NU IS er Beautiful People, een voorstelling die bestaat uit twee delen. 'Zondag’ en 'Maandag’. 'Zondag’ is gebaseerd op de roman Fratelli van Carmelo Samonà, die gaat over de hechte band tussen een gezonde en een geesteszieke broer. Het publiek zit op een rijdende tribune en volgt hun verhaal. De vraag ontstaat: wie van de twee is gek en wie gezond? De binnenkant van het theater is zwart. Je wordt rondgereden en zoomt als een camera in op de scènes, zodat je op het laatst helemaal niet meer weet waar je bent. De muziek is gecomponeerd door een vriend, Stefan van Campenhout. In 1993 is hij in de bergen van Zwitserland verdwenen. We zijn hem gaan zoeken, maar het enige dat we hadden was een treinkaartje. Hij zou daar gaan wandelen. Twee mensen dénken dat ze hem gezien hebben, maar eigenlijk is nooit bewezen dat ze hem ook echt gezien hebben. Hij was hup, meteen de berg op gegaan en is vermoedelijk de volgende dag al meteen verongelukt. Wat is het verhaal? Je kunt het zelf maken. Een jaar later heb ik een voorstelling gemaakt over wat ik denk dat gebeurd is - Echo. Een requiem. Er zitten twee Stefans in. Het jongetje dat gepest wordt door een soort zwarte engel. Hij werd gespeeld door een kleine danser die met de dood geconfronteerd werd in donkere, macabere scènes. De volwassen Stefan werd gespeeld door een acteur die van heel hoog teksten riep over zijn verleden. Halverwege zat een zangeres, een muze van de muziek, die haar commentaar gaf. Dat was moeilijk en verwarrend om te maken. Eigenlijk wilde ik mijn verdriet op de vloer voelen. Maar als regisseur moet ik niet zeggen: Jongens, nu wil ik verdriet voelen. Ik moet het verdriet via omwegen in een vorm gieten. In deel twee, 'Maandag’, willen Don Quichot en Sancho Panza na vierhonderd jaar van hun onsterfelijkheid af. Ze willen dood, want er is geen idealisme meer. En onsterfelijkheid wordt niet meer behaald door roem of door heldendom maar hoogstens door de wetenschap, door genenmanipulatie. Vanzelf kwam ik op het Sarajevo-verhaal. Het gevecht van de windmolens is natuurlijk heel symbolisch: waar vecht je tegen? Wat zijn helden? Milosevic is voor de een held, voor de ander een misdadiger. We zijn daar gaan filmen en dat heeft me heel erg aangegrepen. Ja, het is raar om daar naartoe te gaan voor materiaal voor een dansvoorstelling. Dat is heel moeilijk, en dat is ook waar ik de hele tijd mee worstel. Want ergens heb ik het gevoel dat er zo weinig over te zeggen valt. Maar tegelijk is dát een heel indringend gevoel: het feit dat wij er eigenlijk helemaal niks mee kunnen. Er is geen oplossing. Maar soms denk ik tóch: waarom wordt dat niet opgelost? Waarom kan er niemand ingrijpen? Is iedereen dan alleen bezig met zijn eigen belangen? Ik wíl daar iets over vertellen. En toch, ik heb ook het gevoel dat heel veel mensen het niet echt interesseert. Het is niet werkelijk een item. Als iedereen nou zegt: er moet nu iets gebeuren. Als alle belangrijke, invloedrijke mensen zeggen… Heb jij dat echt niet?’