Festival van het toeval

WAS DE MAN met de hamer al even bij de deejays langsgegaan? Zaterdagnacht om half drie dreigde het slotfeest van het Holland Festival in Paradiso als een nachtkaars uit te gaan. Na een lange avond luisteren, kijken en wachten was het publiek toe aan beweging, maar ondanks protesten vanaf de dansvloer bleven de deejays beat-loze noise draaien. Pas toen de zaal leeg begon te raken, klonk er een geoliede dance.

Het was een voorval dat haaks staat op de publieksvriendelijkheid van dit Holland Festival ‘nieuwe stijl’. Festival en bezoekers hebben elkaar gevonden, zo moet geconstateerd worden. Zelfs voor de slotavond, De man met de hamer, waren alle 750 kaartjes verkocht - terwijl over het programma nauwelijks iets bekend was gemaakt. Het publiek tekende in op een blind tour die voerde van Paradiso naar de Stadsschouwburg en weer terug. De start in Paradiso was bedoeld om de bezoekers uit hun gewone doen te halen. Bij de artiesteningang stond een legertje 65-plussers in avondkledij klaar als welkomstcomité. Elke bezoeker kreeg persoonlijk een hand. Een gifgroen welkomstdrankje van de Belgische culinaire kunstenaar Peter de Bie maakte de illusie compleet.
Zo was de avond een rijgsnoer van acts. Van de Drentse Jachthoornblazers, de transseksuele tango’s, de circushondjesact van Sanne van Rijn en een krachtig slagwerkstuk van Xenakis tot de remix van Brahms en Kraftwerk en een uiterst cool techno-optreden op laptop door het Oostenrijkse duo Rehberg en Bauer.
Pièce de résistance in de Stadsschouwburg was de door Karin Spaink geschreven klucht De man met de hamer, waarin het kunstbedrijf op de hak wordt genomen. Alle argumenten wat kunst idealiter is - topkunst, laagdrempelige kunst, autonome kunst - vlogen hier over tafel. De acteurs van Hollandia zetten niet alleen een reeks smakelijke typetjes neer, het stuk werd door Paul Koek en Ton van der Meer inventief onderbouwd met geluidseffecten.
Blikvanger in Paradiso was een extravagante dis. Ook hier een man met een hamer: een eenogige griezel die krabbepootjes voor het publiek etensklaar mepte. Maar ook een zeemeermin die over een tafel lag gedrapeerd. De hapjes waren een lust voor het oog; een speurtocht naar lichtgevoelige etenswaren leverde een fluorescerende dis op. Het prikkelen van alle zintuigen leek de inzet van deze artistieke trip.
DE SLOTAVOND was representatief voor het festival waar het het jonge en diverse publiek betreft, dat dit jaar in groten getale is toegestroomd; Van Hove heeft een belangrijke overwinning geboekt door een brug naar de jongeren te slaan. Deels is dat een kwestie van programmeren (bijvoorbeeld de populaire show van tapdancer Savion Glover), deels van een levendig randprogramma. Voor het eerst in jaren was er weer een festivalcafé, een (ietwat brave) dagkrant, een uitgebreid videoprogramma en een serie late night-optredens met hippe artiesten als Bloem en Maarten van Roozendaal.
Nu had Van Hove een speciaal budget gekregen om de toegankelijkheid van het festival te vergroten. De helft daarvan werd weggeblazen tijdens de veelgeprezen openingsact op het Leidseplein, die in werkelijkheid een tamelijk slappe hap was. De grootste anticlimax vormden nog de beruchte pizzakoeriertjes die zo behoedzaam tussen de mensenmassa’s door manoeuvreerden dat hun optreden voor hoofdstedelingen volkomen ongeloofwaardig was. Een twintig minuten durend geintje dat zo'n slordige drie ton heeft gekost.
ZOALS MAX Arian twee weken geleden op deze plaats al vaststelde, heeft Ivo van Hove een interessant theaterprogramma weten samen te stellen. Bijvoorbeeld de spraakmakende voorstelling Giulio Cesare die al snel het label 'reality-theater’ kreeg opgeplakt omdat er onder anderen twee anorexiapatiënten en een keelkankerpatiënt in meespelen. Een wezenlijk verschil met het gangbare reality-theater - een stuk over aids gespeeld door een aidspatiënt - is dat het hier niet over deze ziekten gaat. Deze amateurs vertolken een rol in een klassiek drama. Aanvankelijk geeft dat een idee van aapjes kijken: het uitgemergelde lichaampje van de oude man die Caesar speelt. Of de sensationele aanblik van de klomp vet waarachter een man verscholen gaat. Na verloop van tijd ontstaat er een gevoel van ontroering en absurditeit. De figuren herinneren aan de gedrochtelijke personages in de films van Fellini en de bizarre portretten van Erwin Olaf. Maar aan het eind van het stuk dringt de tragiek scherp door. De moordenaars van Caesar worden nu gespeeld door de twee anorexiaskeletten, wat laat zien hoe destructie en zelfdestructie hand in hand gaan.
Rotjoch, naar een tekst van Gerardjan Reijnders, is een uitgesproken beklemmend stuk. Een jongen, Pim Parel, moet afwijzing na afwijzing door zijn omgeving incasseren en komt terecht in een verstikkende eenzaamheid. Herman Gilis speelt Pim die hardop ingebeelde dialogen met zijn ouders, buren en vriendjes voert. Gemodelleerd naar het chatten op Internet wordt hun tekst op een groot scherm geprojecteerd, waarbij het personage in de typografie wordt gekarakteriseerd.
Het neusje van de zalm op technisch gebied was te vinden bij The Wooster Group. De jarenlange ervaring van deze New Yorkers heeft geleid tot een ongeëvenaarde balans tussen beeld, tekst, geluid, choreografie en decor. Voortdurend ontstaan parallellen en contrapunten tussen de verschillende lagen. Ondanks het sterk anekdotische stuk van Eugene O'Neill was er sprake van een hoge mate van abstractie veroorzaakt door het ritme dat als een rode draad door alle media is geweven.
Het zijn een paar representatieve voorbeelden van Van Hoves keuze. Zelf noemt hij zijn festival 'eclectisch’, maar voor het theatergedeelte gaat dat nauwelijks op. Daar komen als vanzelf verbanden bovendrijven. De betekenis van Tsjechov: in twee klassieke ensceneringen en een moderne bewerking. De rol van techniek: de ijzeren multimediale concepten van The Wooster Group en een onpretentieus experiment als Rotjoch. De rol van Shakespeare: of dat nu in een provocerende productie als Giulio Cesare is of in de grimmige Romeo en Julia van Van Hove zelf. Hoe uiteenlopend de keuze ook lijkt, het zijn allemaal voorstellingen die met elkaar communiceren.
HOE SCHRIL steekt daar het muzikale deel bij af. In het geval van het muziekprogramma is louter sprake van losse flodders en dan lijkt 'eclecticisme’ een eufemisme voor willekeur en vrijblijvendheid. Omdat elke context ontbreekt kom je ook niet verder dan 'een leuk concert’ of 'een iets minder leuk concert’. Reflectie niet mogelijk.
Om te beginnen was daar de televisieopera Een ziel van hout van Robert Heppener, een matige voorstelling uit de erfenis van Jan van Vlijmen. Dan een concert door Rowwen Hèze en de Heideroosjes dat als een regulier Paradiso-optreden beschouwd moet worden. Net als het Magnus Lindberg-concert in de Vara-matinee. Geen grammetje Holland Festival aan te ontdekken.
Dat geldt niet voor Van Hoves paradepaardjes Joni Mitchell en Gavin Bryars. In het geval van Bryars was het aardig om zijn legendarische The Sinking of The Titanic uit 1969 een keertje te horen. Het is een stuk waarin helemaal niets gebeurt. Geen chaos en paniek van mensen in doodsnood, maar uitsluitend het langzaam zinken van het schip. Om precies te zijn: Bryars heeft achterhaald wat het strijkje aan boord op dat moment speelde. Deze muziek klinkt in een eindeloze herhaling. De plechtige akkoorden vormen haast een requiem, de over elkaar buitelende strijkersbewegingen suggereren de golfslag op zee en geleidelijk aan klinkt de muziek steeds gedempter alsof we verder onder water raken. De duur van het stuk was echter wurgend lang!
Het conceptuele karakter van de Titanic ontbreekt ten enenmale in de latere stukken van Bryars; deze zijn dan ook volstrekt kitsch. Suikerzoete melodieën, dikke druppels melancholie en apathische tempi kenmerken het Adnan Songbook voor sopraan en ensemble. Twee dagen later in het Concertgebouw was het niet veel beter. The North Shore is een slap aftreksel van Low van Philip Glass: risicoloze, kabbelende welluidendheid. Muziek die mooi is zoals een douchegordijn mooi kan zijn.
MAAR HET ERGSTE moest nog komen: Inter-acties, dat vorige week in de Beurs van Berlage plaats vond. Dit door het NPS-radioprogramma Supplement geïnitieerde project omvatte twee dubbelopdrachten. De Amerikaanse gitaarfreak Glenn Branca en de Duits-Nederlandse elektronische componist Michael Fahres zouden samen een werk voor het Radio Symfonie Orkest schrijven, de improvisatoren Guus Janssen en Gerry Hemingway mochten een computergestuurde compositie voor hun beider ensembles ontwerpen.
In deze fase zat het al fout. Zacht uitgedrukt is het incestueus om een opdracht te verstrekken aan een van de eigen medewerkers, zoals in het geval van Michael Fahres, die bij Supplement werkt. Bovendien staat Fahres bekend als het brein achter een reeks middelmatige elektronische stukken.
Fahres begreep dat dit de kans van zijn leven was en schreef twee stukken voor orkest die samen een dik uur vulden. Zijn machteloosheid tegenover een gecompliceerd apparaat als een groot orkest, de belabberde orkestratie en de inhoudsloosheid van deze klankbrei, maakten het een gênante vertoning. Je kon slechts medelijden voelen met de musici die zich serieus in deze partituur moesten verdiepen.
Van samenwerking tussen Fahres en Branca was blijkbaar niets terechtgekomen, want daarna klonk gewoon de Elfde Symfonie van Glenn Branca. Hoewel de zaal daar anders over dacht, was dit eigenlijk wel een aardig stuk. Hard, extreem en compromisloos. Van begin tot eind klinkt het orkest als een massieve muur van geluid. Geen melodie of kleur in te bespeuren. Ergens op de achtergrond hoor je echter een metalig jengelend geluid (door Branca op zijn elektrische gitaartafel geproduceerd) dat uit alle macht boven het orkest uit probeert te komen, maar meedogenloos gesmoord wordt.
Weer een uur verder. Het optreden van Janssen en Hemingway slaagde er niet in de oren schoon te spoelen. De beste momenten deden zich voor als partituur en monitor terzijde werden geschoven en er even op los werd gespeeld. Kortom, het publiek stond tegen twaalven geradbraakt op het Damrak.
IS DAT HET muziekfestival nieuwe stijl? In het toch al zeer uitgeklede muziekprogramma heb ik één avond meegemaakt die werkelijk de moeite waard was: Schwarz auf Weiss van Heiner Goebbels, waarover in de kroniek meer. Voor de rest waren het allemaal kleurloze aanzetten tot iets wat in potentie aardig had kunnen zijn. De slappe muziek van Bryars was wel degelijk tot zijn recht gekomen in een retrospectief (in de beste traditie van Van Vlijmen) van de minimal music eind jaren zestig. Het zou zeer relevant zijn om nu, gezien het succes van de New Age-beweging, inzicht te krijgen in wat zich dertig jaar geleden op dat gebied heeft afgespeeld. De covers van Joni Mitchell (Big Yellow Taxi) waren ijzersterk geweest als er ook een optreden door haarzelf was geweest - nu had dit tribute veel weg van een voortijdig in memoriam. Het optreden van Zita Swoon was een prachtige aanleiding geweest om alle formaties rond de populaire en veelzijdige Belgische groep dEUS te presenteren. Ook een optreden als dat door Rowwen Hèze en de Heideroosjes smeekt (althans binnen een festival) om een meer thematische uitwerking; zingen in dialect is een onderwerp om van te smullen.
Stuk voor stuk gemiste kansen. Waar Van Hove met veel inzicht en expertise een theaterprogramma samenstelt, hangt het muziekprogramma van toevalligheden aan elkaar. Het resultaat is oninteressant en oppervlakkig. Ook al heeft Ivo van Hove opdracht gekregen het accent binnen het festival te verleggen naar theater en doet hij een zeer toe te juichen poging de 'valse sjiek’ van het Holland Festival af te schrapen en een jong publiek naar binnen te lokken - dat alles hoeft een inhoudelijk doordachte muziekprogrammering niet in de weg te staan.