Remco Campert

Feuilleton deel 3

Toen Tamalinde midden in de nacht wakker werd duurde het even voor ze wist waar ze was. De kwaliteit van het donker was anders dan in het buitenverblijf van de Nederlandse ambassade in Indonesië. Er klonken geen schrille kreten van nachtdieren. Maar natuurlijk, ze was terug in Holland, in het paleis, en de licht snurkende man naast haar in bed was haar aanstaande echtgenoot Roeland-Jan. De koningin-moeder was er sterk tegen gekant geweest dat ze al samenwoonden voor het huwelijk, maar Roeland-Jan had zich tegen ‘achterhaald gedoe’ verklaard en ook op dit punt zijn wil doorgezet.

Ze was klaarwakker. Het tijdsverschil speelde haar parten. Ze gleed het bed uit en liep op haar tenen naar de telefoon in de andere kamer. In haar notitieboekje zocht ze het nummer van het buitenverblijf op. Hoe laat was het daar nu eigenlijk? Moest je vooruit of achteruit tellen?

Het duurde lang voor er werd opgenomen. Toen meldde zich een mannenstem.

‘Ik wil met Adis en Dian spreken’, zei Tamalinde met plotseling onstuimig bonzend hart. Aan de andere kant van de lijn werd even gezwegen.

‘Deze personen zijn hier niet bekend’, klonk toen de stem.

‘Hoezo? Ik heb ze vanochtend nog gezien.’ Of was het gisterochtend?

‘Genoemde individuen zijn ons onbekend’, herhaalde de stem.

‘Maar ze werken bij u! Ben jij het, Kneepkens?’

‘Ik kan verder geen inlichtingen verschaffen.’ De verbinding werd verbroken. Ze belde opnieuw, maar op Java werd niet meer opgenomen. Met een hoofd vol vragen zocht Tamalinde het bed weer op waar ze even later lijdzaam de liefdesbetuigingen van de ontwaakte Roeland-Jan onderging.

In de ochtend (Roeland-Jan had een bespreking met de bank die het familiekapitaal beheerde) belde Tamalinde haar moeder die alles wilde weten van haar verblijf in Indonesië.

‘Ik verlang er nu alweer naar terug’, verzuchtte Tamalinde.

‘Je vader en ik zijn er zo gelukkig geweest’, zei haar moeder. Haar man, een Indonesische jurist die zijn land ontvluchtte toen de voormalige dictator aan de macht was, overleed niet lang na zijn aankomst in Nederland. Tamalinde had geen herinneringen aan hem, toch voelde ze zijn bloed vaak in zich opspelen.

‘Gaat het wel goed met je, kind?’ Haar moeder klonk bezorgd.

‘Vraag dat toch niet altijd.’

Evenals de koningin-moeder zag haar moeder geen heil in het huwelijk van haar dochter. Ook zij had het begrip ‘ons soort mensen’ gebruikt, maar anders dan de koningin-moeder in een onderdanige betekenis. Dat had Tamalinde woedend gemaakt. Wat was er mis met ons soort mensen? Was ze niet goed genoeg? En had haar vader niet in Leiden gestudeerd, net als Roeland-Jan?

Na het gesprek met haar moeder bekeek ze met toenemende lusteloosheid de inhoud van de map die dr. Hissinger haar in de auto had toegeschoven. Het kon niet anders of de ontmoeting met de lijsttrekkers zou een saaie bedoening worden.

(wordt vervolgd)