Remco Campert

Feuilleton deel 4

De kennismaking met de lijsttrekkers was pas de volgende dag, zag Tamalinde tot haar opluchting. Dr. Hissinger had er twintig minuten voor uitgetrokken. Ze zouden ‘met elkaar’ in de koninklijke bus arriveren. Langer dan een kop thee zou het niet duren. Het was dezelfde grauwe mannenparade als bij eerdere kennismakingsontmoetingen: er zat weer geen vrouw tussen.

‘Stemmen wij eigenlijk?’ had ze een keer aan Roeland-Jan gevraagd.

‘Natuurlijk’, antwoordde hij. ‘Wij zijn ook burgers.’

‘Maar we betalen geen belasting.’

‘Dat is wat anders.’

‘Waarom?’

Dat kon hij haar niet uitleggen.

‘Vermoei je mooie hoofdje daar nu maar niet mee’, zei hij.

‘Op welke partij stem jij?’ had ze doorgevraagd.

‘Wij stemmen blanco.’

‘Maar als ik toch op iemand stem zal niemand weten op wie.’

‘Daar zou ik niet al te zeker van zijn.’

Wat zou ze vandaag eens doen? Terwijl Tamalinde zich dit afvroeg werd er op de deur van de paleiszaal geklopt. Een lakei kwam binnen met een presenteerblad waarop een brief lag. Nadat hij eerbiedig buigend was teruggetreden en zij zich ervan had weerhouden hem pootje te haken opende Tamalinde de brief.

Hij was afkomstig van ene drs. Mallebrootje, lijsttrekker van een éénmansfractie in de Tweede Kamer. Tevens was hij uitvinder van een scheermes voor baardvissen, zoals hij niet zonder trots vermeldde. Hem was ter ore gekomen dat Tamalinde een ontmoeting zou hebben met de lijsttrekkers van de grote partijen en hij vroeg zich af, met alle respect natuurlijk, of het geen zin zou hebben om ook kennis te maken met de vertegenwoordiger van een kleine partij. Hij stelde zich daarvoor gaarne ter beschikking, ‘te mijnent of te uwent’. Misschien was het bij hem wel zo gezellig. Zijn assistente, ‘een jong ding uit de achterban’ zorgde voor hapjes en een pittig streekbrandewijntje. Ook de koning was vanzelfsprekend hartelijk welkom.

Was het de brief of de jetlag die Tamalinde in haar stoel in slaap deed sukkelen?

Ze droomde dat ze, vervuld van een geluksgevoel, met de tweelingzusjes Adis en Dian over een Javaanse bergweg liep. De aanblik op het zich uitstrekkende land was overweldigend. Een verre, wijde vlakte, met bossen, velden, heuvels en dalen, in kleuren van groen, geel, zilver, wit en gloeiend goud strekte zich oneindig uit naar blauwe horizonnen. Hand in hand in hand liepen ze over een smal pad dat uitgehakt was in de steile bergwand. Aan de andere kant van het pad gaapte een diepe kloof. Toen klonk er plotseling achter hen de brullende claxon van een groot voertuig. Geschrokken weken ze uit naar de bergwand. In veel te grote vaart passeerde hen de koninklijke bus, achter de ramen de bleke gezichten van de lijsttrekkers van de grote partijen. Even verder dook de bus met gierende remmen het ravijn in.

Toen Roeland-Jan thuiskwam vertelde ze hem haar droom niet. Over Adis en Dian kon ze maar beter zwijgen en ze wist uit eigen ervaring hoe vervelend het was om naar dromen van anderen te luisteren.

(wordt vervolgd)