Remco Campert

Feuilleton deel 6

Op televisie zag Tamalinde de eerste deskundigen verschijnen. Ze waren unaniem in hun analyse: de dood van de lijsttrekkers had het parlement onthoofd. Chaos lag op de loer. Rust was geboden. Het gesprek werd onderbroken door een directe reportage vanaf de rampplek.

Een hooggeplaatste politiefunctionaris ging er voorlopig van uit dat een losgebroken koe het ongeluk had veroorzaakt. De camera zoomde in op een stelletje vredig grazende koeien verderop in een wei.

Er kwamen ook ooggetuigen aan het woord. Iemand had gezien hoe een personenauto de bus had gesneden waardoor de chauffeur op de rem had moeten trappen en de bus van de weg was geraakt. De auto was snel doorgereden. Een andere ooggetuige bevestigde dit verhaal, maar ze waren het oneens over de kleur van de auto. Rood zei de een, groen de ander. Terug naar de studio waar een deskundige er rekening mee hield dat er opzet in het spel zou kunnen zijn. De lijsttrekkers stonden de laatste tijd niet in hoog aanzien. Een tweede deskundige vond dit maar gevaarlijke speculaties. Even later schakelde de televisie over naar het Binnenhof waar een groeiende menigte brandjes stichtte en ramen ingooide.

Niet lang daarna verscheen Maartje van Weegen op het beeldscherm, gekleed in een oranje mantelpakje. Ze kondigde een belangrijke mededeling aan. Het Wilhelmus klonk. Tot haar verbazing zag Tamalinde Roeland-Jan op het bordes van het paleis van de koningin- moeder staan. Hij droeg zijn uniform. Achter hem stonden zijn moeder en de wegens een conflict met de regering onlangs ontslagen opperbevelhebber van het Nederlandse leger. Nadat de koningin- moeder hem in zijn rug had gepord las Roeland-Jan een verklaring voor. Gezien de ernst van de toestand berustte het bestuur van het land tot nader order bij hem. Hij zou ten spoedigste maatregelen treffen om rust en orde te herstellen. Hij besloot met een: ‘Leve de monarchie!’

Na de koning kwam de opperbevelhebber aan het woord, maar Tamalinde luisterde niet meer. Ze moest Roeland-Jan zien te bereiken. Het beste was om zijn secretaris te bellen.

‘Dr. Hissinger.’

‘Ik wil Roeland-Jan spreken’, zei Tamalinde.

‘Dat is onmogelijk, vrees ik. Heeft u naar de televisie gekeken, zoals ik u aanraadde? Dan begrijpt u dat Zijne Majesteit het nu te druk heeft. Maar ik ben over een uur bij u. Bereid u voor op een ernstige boodschap.’

Stipt op tijd diende dr. Hissinger zich aan. Hij was niet alleen. Achter hem doemde de gestalte op van Kneepkens, de ambassaderaad.

‘Vanavond laat vertrekt er een vliegtuig naar Indonesië. Daar zit u in’, zei dr. Hissinger. ‘Tenzij u liever wilt dat wij de vorst op de hoogte brengen van uw wangedrag met personeelsleden van de ambassade.’

‘Ik wil hem spreken!’

‘Komt niets van in. Ik zal de koning zeggen dat u hem heeft verlaten. Hij zal boos en verdrietig zijn, maar een koning met een groot verdriet is populairder bij het volk dan een die met horentjes loopt. Pak haar beet, Kneepkens.’

De nacht wijkt. In de kampong kraaien de hanen. Bloemen geuren. Adis en Dian brengen vruchten aan en verse klappermelk. Tamalinde rekt zich uit. Holland ligt als een boze droom achter haar.

(slot)